ECLI:NL:TGZRSHE:2026:83 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8053
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:83 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-05-2026 |
| Datum publicatie: | 06-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8053 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster, echtgenote van de overleden patiënt, verwijt de huisarts dat geen aanvullend onderzoek (bloedonderzoek en röntgenfoto) is verricht, dat de patiënt ten onrechte met de diagnose griep/COPD-exacerbatie naar huis is gestuurd en dat sprake was van onheuse bejegening.Het tuchtcollege oordeelt dat de huisarts op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek in redelijkheid tot haar diagnose en beleid kon komen en dat aanvullend onderzoek niet geïndiceerd was. De gestelde onheuse bejegening kan niet worden vastgesteld. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 6 mei 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
tegen
[C],
huisarts, werkzaam in [D],
verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. V.C.A.A.V. Daniels, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster heeft op 25 januari 2024 in de avond contact opgenomen met de Huisartsenspoedpost
(hierna: HAP). Dit omdat haar echtgenoot (hierna: patiënt) in toenemende mate last
had van
kortademigheid en kriebelhoest. Nadat de triagist patiënt (65 jaar) zelf had gesproken
was het
advies om bij verergering terug te bellen. Kort daarop
werd klaagster teruggebeld met het verzoek om toch naar de HAP te komen. Bij vertrek
naar de post
werd patiënt onwel. Daarop is 112 gebeld. De patiënt is door de ambulancedienst
naar de HAP
gebracht en gezien door de huisarts. Patiënt is vervolgens naar huis gestuurd. Na
thuiskomst is
patiënt hevig benauwd geworden. Opnieuw is de HAP en 112 gebeld.
Patiënt is overgebracht naar het ziekenhuis. In februari 2024 is patiënt overleden.
1.2 Klaagster verwijt de huisarts dat zij bij patiënt geen bloedonderzoek heeft
laten doen en
geen röntgenfoto heeft laten maken. Tevens verwijt zij de huisarts patiënt naar
huis te hebben
gestuurd, terwijl hij met de ambulance naar de HAP was gebracht. Als laatste verwijt
zij de
huisarts dat zij patiënt zelf en klaagster/familie onheus heeft bejegend.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld, en de klacht daarmee ongegrond is. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 21 januari 2025;
- de CD-rom, ontvangen op 21 januari 2025;
- het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 10 februari 2025;
- het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 12 februari 2025;
- het verweerschrift, ontvangen op 28 maart 2025;
- het proces-verbaal van het op 27 mei 2025 gehouden mondeling vooronderzoek.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 13 maart 2026. Partijen zijn
verschenen. De
huisarts werd bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen hebben hun standpunten
mondeling
toegelicht.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Patiënt had vanaf 21 januari 2024 last van progressieve kortademigheid met
een piepende
ademhaling. Op verdenking van een luchtweginfectie werd preventief gestart met prednison
30 mg en
azitromycine 500 mg 1 maal daags voor drie dagen als antibioticum.
3.2 Op 25 januari 2024 heeft klaagster – zij was ongerust - in de avond de HAP gebeld
omdat
patiënt die dag in toenemende mate kortademig was geworden. De triagist heeft patiënt
zelf
gesproken en telefonisch een advies gegeven. Hierover noteerde de triagist in het
dossier van de
HAP (alle citaten worden overgenomen inclusief eventuele taal- en/of typefouten):
“WAARNEMING: Meneer zelf aan de lijn gehad, spreekt volzinnen, niet hoorbaar kort
van adem
Algemeen: (P) [naam triagist]: Vangnet: voor nu geen alarmsymptomen, bij verergering
kortademigheid
opnieuw contact of bij daling van de saturatie. in overleg met drs. [naam collega
huisarts]
teruggebeld om u2 consult aan te bieden.”
3.3 Door de triagist werd een afspraak gemaakt bij de huisarts om 22.30 uur die
avond. Bij het
vertrek naar de HAP is patiënt op straat in elkaar gezakt. Hierop is door de zoon
van klaagster 112
gebeld. Patiënt is door de ambulancedienst verneveld en naar de HAP gebracht. In
het ritformulier
is hierover het volgende genoteerd:
“Opmerkingen MKA
[22:15:38] nts-triage U1 – AMBU Vader flink benauwd. Zouden zelf naar hap gaan,
snakt naar adem nu.
(Geschatte) leeftijd: 65 jaar Afwijkende ABCD-criteria: kortademigheid, ernst=Hevig
Kleur= Bleek##
en
(…) Patiënt Situation: A:Airway bedreigd [Nee], CWK bedreigd [Nee] B:Breatjing bedreigd
[Nee],
Toelichting [Zacht ademgeruis over alle grote longvelden. Hoest vaak en heftig…dit
put Hr uit.
Slijm++,wit met gele bolletjes?? Sat 98% Hr praat hele zinnen] C: Frequentie [Tachycardie],
Vullingsdruk [Normaal], Gelaatskleur [Normaal], Bloedverlies [Niet zichtbaar], Circulation
bedreigd
[Nee], Toelichting [POB---N—V---HT+Freq: 100-104] D: Vóór aankomst patiënt [A],
Aankomst patiënt
[A], FAST [-], Disability bedreigd [Nee], Toelichting
[Hoofdpijn---Duizeling--- visus:gb] E: Temperatuur (oC) [36.3] AMPE: E: Event [Hr
wilde naar HAP
,had daar een afspraak, Hr heeft de hele dahg al last van een hoestprikkel…daardoor
dyspneu++++,
wit slijm met gele bolltjes., Ter plaatse: alert, goede kleur, sat 98%, zacht ademgeruis
over alle
longvelden…verneveld…HT++, geen temp.,
Met HAP overleg gehad… Hr met ambu naar HAP gebracht..onderweg een keer flink gehoest.]”
3.4 Rond 22.30 uur werd patiënt op de HAP gezien door de huisarts. In het dossier
noteerde zij
het volgende:
“WAARNEMING: (S) ECG ligt bij balie. Klacht/beloop: Ambu [naam verpleegkundige]
In rust satureerd hij 98%, bij hoesten neemt kortademigheid toe. Momenteel aan het
vernevelen.
Is in paniek geraakt, hierdoor wat kortademig na hoesten. Continue prikkel hoest
met slijm.
Wensen alhier controle.” (…)
Algemeen:
(…)(S Arts) Na beoordeling ambulance : saturatie 96% in na stukje lopen. Dan fors
verhoogde
ademarbeid, zakt in rust. Willen graag andere AB.
Onrust +
krijgt altijd meer vocht in de benen van prednison, en meer plassen. nu ook.
(O) sat na stukje lopen 95%. AHF: na stukje lopen 32, zakt naar 24/min. Pul: vag
bdz, verminderd,
geen vocht, geen crepiteren.
(E) copd
(E icpc) R 95 Emfyseem/copd
(P) salbutamol bijstarten, switch naar doxycycline en voor voeten furosemide 20
mg(…)”.
3.5 De huisarts heeft de diagnose COPD met longontsteking mogelijk bij onderliggende
griep
gesteld. Daarop heeft zij de medicatie aangepast en aan patiënt voorgesteld met
deze nieuwe
medicatie naar huis te gaan en te herstellen. Zij heeft aan patiënt en familie aangegeven
om bij
aanhoudende klachten contact op te nemen met de eigen huisarts en bij toename of
verandering van de
klachten met de HAP.
3.6 Kort na thuiskomst heeft klaagster patiënt niet reagerend aangetroffen op de
bank. Daarop
heeft zij 112 en de HAP gebeld en de saturatie bij patiënt gemeten. Deze was 41%.
Hierop is de
dienstdoende huisarts (niet zijnde de beklaagde huisarts) met urgentie U1 direct
naar patiënt
gereden. In het dossier stond hierover op 26 januari 2024 om 01:50:07 gemeld:
“WAARNEMING:
(S) Klacht/beloop: echtgenote;
met man op hap geweest; ging toen al heel slecht. Vanavond ambu aldaar; zelfstandig
naar HAP
gekomen. Nu plots verslechterd. Helemaal bleek en transpireren.
Saturatie nu 47
(…)
Algemeen:
toenemende benauwdheid vanavond; satureerde 47% aldus familie en partner, hierop
paniek. Bij
aankomst idd saturatie van 52%
(O) Grauw; zweten, klam, paniek. Met 4 L O2 nu naar 91% opgkrabbeld.
T39.2 pols van 144 reg. Pulm: geen wheezing gehoord. Perifeer oedemen.
(…)(P) Nu geen ambu vrij; wij rijden u1(…)
--------- Insturen SEH LONG na overleg, gaat naar [plaats ziekenhuis].”
3.7 Vervolgens is patiënt door de ambulancedienst naar het ziekenhuis gebracht. Hierover
stond het
volgende genoteerd in het ritformulier:
“Opmerkingen MKA
[01:36:56] hap ter plaatse, knapt niet op met zuurstof. Triage uitgevoerd door HAP
U1 - AMBU
Klacht/beloop: echtgenote; met man op hap geweest; ambulance hem naar spoedpost
gebracht. Saturatie
nu 47 Hulpvraag: Voorgeschiedenis:
Medicatie: Algemeen: COVID-19: Niet ingevuld (Geschatte) leeftijd: 65 jaar##
Opmerkingen Ambulance
(…)
Patiënt Situation: A: Airway bedreigd [Nee], CWK bedreigd [Nee] B: Frequentie [Tachypnoe],
Dyspnoe,
Breathing bedreigd [Nee] C: Frequentie[Tachycardie], Vullingsdruk[Normaal], Gelaatskleur
[Bleek /
grauw], Bloedverlies [Niet zichtbaar], Circulation bedreigd [Nee] D: Vóór aankomst
patiënt [A],
Aankomst patiënt [A], FAST [-], Disability bedreigd [Nee] E: Temperatuur (oC)[39,5]
AMPE: E: Event
[Dhr is vanavond bij HAP geweest met dyspnoe klachten, kon nog volzinnen spreken?
Dhr is vanavond 1
uur thuis en hevig dyspnoeisch sat zelf gemeten van 47%. HAP TP gegaan, dhr blijkt
sat van 52% te
hebben, tachycard, 150bpm en T39,2. Dhr krijgt O2 via NRM en later via neusbril.
4 ltr O2, sat 94%.
Dhr met verhoogde ademarbeid, maakt zieke indruk.]”.
3.8 Patiënt is overgebracht naar de Spoedeisende Hulp afdeling (SEH) van het ziekenhuis
en is
vanwege een respiratoire insufficiëntie veroorzaakt door een longontsteking (Influenza
A) opgenomen
op de Intensive Care (IC). In februari 2024 is patiënt overleden.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klaagster verwijt de huisarts dat zij:
a) geen bloedonderzoek heeft laten doen en geen röntgenfoto heeft laten maken bij
de patiënt;
b) de patiënt naar huis heeft gestuurd met de diagnose griep, terwijl hij met de
ambulance naar de
HAP was gebracht;
c) de patiënt zelf en klaagster/de familie onheus heeft bejegend.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Zij
is van mening
dat zij heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend huisarts
mag worden
verwacht. Volgens de huisarts heeft zij zich voldoende ingespannen om patiënt te
helpen en goede
zorg aan hem te verlenen.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het is verdrietig dat klaagster en haar familie echtgenoot en (schoon)vader
hebben verloren.
Duidelijk is dat zij en de familie daar nog dagelijks pijn en gemis van ondervinden.
Het college
heeft hiervoor begrip, maar moet en zal zich in deze procedure beperken tot een
zakelijke
beoordeling van de klacht over het handelen van de huisarts.
De criteria voor de beoordeling
5.2 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor
een
tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen
tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) geen bloedonderzoek laten doen en geen röntgenfoto laten maken
en
klachtonderdeel b) patiënt naar huis gestuurd, lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
5.3 Klaagster geeft aan dat patiënt in de avond van 25 januari 2024 grauw zag
en moeite had met
ademhalen. Zij heeft toen de HAP gebeld. Bij dit contact is door de triagist een
telefonisch advies
gegeven. Later die avond is klaagster teruggebeld en is alsnog een beoordeling op
de HAP aangeboden
om 22.30 uur. Toen patiënt, klaagster en zoon wilden vertrekken, zakte patiënt op
straat in elkaar.
Hierop is 112 gebeld. Vervolgens is patiënt met de ambulance naar de HAP gebracht.
In een rolstoel
is patiënt naar de wachtkamer gebracht en hebben zij gewacht op de huisarts. Toen
zij binnenkwamen
heeft de huisarts patiënt gevraagd om uit de rolstoel te komen. Dit terwijl patiënt,
naar de mening
van klaagster, onderuitgezakt in de rolstoel zat, niks meer kon, niet meer sprak
en een grauwe
gelaatskleur had. De huisarts heeft de temperatuur en de saturatie van patiënt gemeten
en naar zijn
longen geluisterd. Er is geen bloedonderzoek uitgevoerd. Ook is er geen röntgenfoto
gemaakt.
5.4 De huisarts heeft vervolgens geconcludeerd dat patiënt griep had. Zij heeft
de medicatie
aangepast en klaagster naar de apotheek verwezen. Klaagster kreeg de instructie
om de medicijnen
bij thuiskomst aan patiënt toe te dienen.
5.5 Klaagster heeft haar onvrede geuit over het feit dat patiënt naar huis werd
gestuurd. Na
thuiskomst is patiënt verslechterd. Hij reageerde niet meer. Klaagster heeft toen
112 gebeld en de
HAP. De dienstdoende huisarts (niet zijnde de beklaagde huisarts) is direct gekomen.
Hij heeft
patiënt na overleg met het ziekenhuis ingestuurd naar de SEH. Hij is opgenomen op
de IC alwaar hij
in februari 2024 is overleden.
5.6 Klaagster is van mening dat de huisarts patiënt met de diagnose griep, niet
naar huis had
mogen verwijzen, terwijl hij met de ambulance naar de HAP was gebracht. Hij had
die dag opgenomen
moeten worden in het ziekenhuis voor verder onderzoek.
5.7 Met betrekking tot het consult op 25 januari 2024 geeft de huisarts aan dat
zij patiënt die
avond heeft opgehaald uit de wachtkamer alwaar hij samen met klaagster en zoon zat.
Hij is
meegenomen in de rolstoel. Uit het gesprek van de huisarts met patiënt heeft zij
begrepen dat hij
in verband met een luchtweginfectie op 22 januari 2024 preventief is gestart met
antibiotica
(azitromycine 500mg 1d1t voor drie dagen) en prednison 30 mg.
Uit de medische voorgeschiedenis heeft zij begrepen dat patiënt eerder bij COVID-19
een pneumonie
had gehad en bekend was met COPD. Daarnaast zou hij ongeveer anderhalf jaar gestopt
zijn met roken.
Van patiënt begreep zij dat het die dag slechter ging. Hij had meer last van (kriebel)hoest
en was
korter van adem.
5.8 De huisarts voert aan dat patiënt op dat moment niet grauw, bleek of klam was.
Hij zat niet
onderuitgezakt of versuft in de rolstoel, was goed aanspreekbaar en alert.
Bij het antwoorden op haar vragen sprak patiënt volzinnen. Hij maakte hierbij geen
gebruik van de
hulpademhalingsspieren. Wel had patiënt een verhoogde prikkel om te hoesten,
die bij inspanning/hoesten een verhoogde ademhaling had tot 34/min maar bij rust
afnam tot maximaal
24/min. De ademhaling was oppervlakkig doch iets versneld als patiënt in rust zat
(eerder was
patiënt in paniek geraakt. Hierdoor was hij wat kortademig na hoesten).
De huisarts heeft de temperatuur van patiënt opgenomen (geen koorts). Ook heeft
zij de longen
beluisterd. Hierbij heeft zij beiderzijds longgeluiden gehoord, hetzij verminderd,
maar geen
tekenen voor vocht (crepiteren). Patiënt had aan beide onderbenen een klein spoor
van oedeem, links
evenveel als rechts. De polsslag van patiënt was rond de 100, was regulair en krachtig.
Dit paste
bij de controles en bloeddrukken zoals gemeten door de ambulancemedewerker. Op basis
van de
bevindingen heeft de huisarts geconcludeerd dat
patiënt last had van een exacerbatie van zijn COPD ten gevolge van een mogelijk
griepvirus waarbij
nu ook sprake was van een longontsteking.
5.9 De huisarts heeft haar bevindingen gedeeld met patiënt, klaagster en de zoon.
Zij heeft patiënt een nieuw antibioticum (doxycycline) voorgeschreven, furosemide
20 mg voor het
spoor van oedeem (in combinatie met eerder meermaals gemeten hoge bloeddrukken)
en een nieuw recept
salbutamol om de benauwdheid bij hoesten te verminderen omdat patiënt daar het meeste
last van leek
te hebben. Daarop heeft de huisarts voorgesteld dat patiënt met deze nieuwe medicatie
naar huis zou
gaan om te herstellen. Zij heeft aan patiënt en de familie aangegeven om bij aanhoudende
klachten
contact op te nemen met de eigen huisarts en bij toename of verandering van de klachten
contact op
te nemen met de HAP.
5.10 Met betrekking tot klachtonderdeel a) bevestigt de huisarts geen CRP (ontstekings)-waarde
bij
patiënt te hebben geprikt omdat hij al antibiotica had gehad en zij haar beleid
daarop had
aangepast. Daarnaast was er eerder die week ook geen bloedbeeld bepaald, dus was
er geen reden de
waarde te bepalen met als doel deze op te volgen. Als een onderzoek geen behandelconsequenties
heeft, voert zij deze niet uit.
5.11 De huisarts bevestigt tevens dat zij geen röntgenfoto heeft laten maken. Dit
is in de setting
van de HAP voor een dienstdoende huisarts niet mogelijk. Daarnaast twijfelde zij
niet aan haar
bevindingen. Ook achteraf is de huisarts van mening dat het (laten) maken van een
röntgenfoto of
het uitvoeren van bloedonderzoek niet tot een ander beleid zou hebben geleid.
5.12 Met betrekking tot klachtonderdeel b) meldt de huisarts dat het niet gebruikelijk
is om
iedere patiënt die gebracht wordt door de ambulance standaard op te nemen in het
ziekenhuis dan wel
te verwijzen naar de SEH. Daarbij meldt zij dat, als er een beoordeling van de ambulancedienst
is
waarbij wordt ingeschat dat een patiënt opgenomen dient te worden of dat direct
een beoordeling van
een medisch specialist in het ziekenhuis noodzakelijk is, het ambulancepersoneel
rechtstreeks met
de SEH kan overleggen. In dit geval heeft men de inschatting gemaakt dat patiënt
niet in aanmerking
kwam voor een directe opname dan wel beoordeling in het ziekenhuis. Het ambulancepersoneel
wilde
een beoordeling van de patiënt door een dienstdoende huisarts op de HAP en gaf als
reden hiervoor
de paniek bij patiënt aan.
5.13 Daarnaast had de huisarts na onderzoek te weinig aanknopingspunten en geen medische
indicatie
of aanleiding om patiënt te verwijzen naar de SEH. Aanvullend meldt de huisarts
dat, anders dan
klaagster meldt, er geen sprake was van ‘een griep’, maar dat er bijkomend sprake
was van een
longontsteking waarvoor antibiotica was gestart. Zij heeft ingeschat dat klaagster
patiënt thuis de
zorg kon bieden die hij nodig had.
5.14 Het toestandsbeeld dat klaagster beschrijft komt volgens de huisarts niet overeen
met (wijkt
flink af van) het toestandsbeeld waar sprake van was toen de huisarts patiënt tijdens
haar consult
zag. Het toestandsbeeld is nadien verslechterd. De huisarts verwijst naar het schrijven
van de
dienstdoende huisarts die met urgentie U1 direct naar patiënt toe is gereden. Daarin
staat “Nu
plots verslechterd, helemaal bleek en transpireren”. Ook verwijst zij naar de opnamebrief
van de
SEH waarin is te lezen: “In verband met goede saturatie weer naar huis gegaan en
aldaar algehele
achteruitgang”. Tevens blijkt patiënt bij opname op de SEH koorts te hebben ontwikkeld,
was hij
alert maar ook iets verward. Daarnaast was bij auscultatie van de longen ook wheezing
++ te horen.
Dit was een evident ander toestandsbeeld dan toen patiënt door haar gezien werd
op de HAP. De
huisarts achtte, op basis van de bevindingen van haar consult op dat moment, de
kans groot dat de
patiënt thuis zou herstellen.
5.15 Het college stelt voor wat klachtonderdeel a) betreft vast dat de huisarts niet
is
tekortgeschoten in de zorg voor patiënt. Duidelijk is dat klaagster zich zorgen
maakte op 25
januari 2024. Naar het oordeel van het college heeft de huisarts echter adequaat
gereageerd op de
klachten van patiënt. Zij heeft een anamnese afgenomen en lichamelijk
onderzoek bij patiënt verricht. Zij heeft met patiënt gesproken. Bij het beantwoorden
van de vragen
sprak patiënt volzinnen. Patiënt had geen koorts en had een saturatie van 97/98%.
Hij had een zacht
ademgeruis over de longvelden en een verhoogde prikkel om te hoesten.
Dit beeld kwam overeen met het verslag van de triagist die avond en de beoordeling
door de
ambulancedienst. Op goede gronden heeft de huisarts de diagnose COPD met longontsteking
mogelijk
bij onderliggende griep gesteld. Zij heeft ingezet op een aanpassing van de medicatie
door
doxycycline voor te schrijven en furosemide voor het oedeem in de voeten.
De huisarts heeft de uitkomsten van het onderzoek en de wijziging in medicatiebeleid
met patiënt,
klaagster en zoon besproken. Zij heeft aan patiënt en klaagster het advies gegeven
om bij
aanhoudende klachten contact op te nemen met de eigen huisarts en bij toename of
verandering van
klachten contact op te nemen met de HAP. Gezien de bevindingen heeft de huisarts
naar het college
oordeelt, weloverwogen besloten dat het laten uitvoeren van bloedonderzoek en/of
het maken van een
röntgenfoto op dat moment niet geïndiceerd was. Haar argumenten daarvoor zijn navolgbaar
en goed
onderbouwd. Dat de situatie van patiënt nadien plots is verslechterd zoals blijkt
uit het verslag
van 01:15:43 uur van de HAP en de gegevens uit het ritformulier van de ambulance
van 01:36:05 uur,
was niet te voorzien en kan haar niet worden verweten. Klachtonderdeel a) is daarom
ongegrond.
5.16 Op grond van de stukken en de toelichting ter zitting oordeelt het college dat
de huisarts op
goede gronden ervoor heeft gekozen om patiënt naar huis te sturen en daar te laten
herstellen. De
huisarts had goede hoop dat patiënt met het gewijzigde medicatiebeleid zou opknappen.
Onder
verwijzing naar hetgeen het college onder 5.15 heeft overwogen, verklaart zij klachtonderdeel
b)
eveneens ongegrond.
Klachtonderdeel c) onheuse bejegening
5.17 Klaagster schrijft in haar klaagschrift dat de huisarts tijdens het consult
tegen haar heeft
gezegd: stel u niet aan, is maar een griepje’. Ook zou de huisarts niet naar haar
hebben geluisterd
en brutaal zijn geweest door ‘nee’ te zeggen toen zij aan patiënt had gevraagd om
uit de rolstoel
te komen terwijl klaagster haar vroeg het onderzoek in de rolstoel uit te voeren.
Klaagster is van
mening dat de huisarts patiënt dan wel de familie onheus heeft bejegend.
5.18 De huisarts heeft zowel in haar verweer als ter zitting verklaard dat zij een
dergelijke
uitspraak nooit zou doen. Zij zou nooit zeggen dat een patiënt of een familielid
zich aanstelt. Zij
geeft tevens aan dat brutaal en boos zijn niet bij haar zou passen.
5.19 Als de herinnering aan een gesprek van de één anders is dan dat van de ander
en er geen
andere aanknopingspunten zijn te vinden voor de juistheid van de stelling van –
in dit geval -
klaagster, kan het college niet vaststellen dat het klachtonderdeel gegrond is.
Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof
verdient dan
dat van de huisarts, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde
verweten
gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten
daaraan ten
grondslag kunnen worden gelegd. Deze feiten kan het college hier niet vaststellen.
Klachtonderdeel
c) is daarmee ook ongegrond.
Slotsom
5.20 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door E.C.M. de Klerk, voorzitter, W.G.H. Corté, lid-jurist,
N.B. van der Maas, E. Jansen en T.A.W. Linssen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
J.J. Wackers, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 6 mei 2026.