ECLI:NL:TADRSGR:2026:92 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-144/DH/DH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2026:92 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-04-2026 |
| Datum publicatie: | 06-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-144/DH/DH |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over een piketadvocaat. Hoewel fysieke aanwezigheid van de advocaat bij een verhoor sterk de voorkeur verdient, is telefonische bijstand niet klachtwaardig. De rol van de advocaat tijdens een verhoor is om ervoor te zorgen dat de rechten van de verdachte zijn gewaarborgd, dat hij niet onder oneigenlijke druk wordt gezet en dat het verhoor ordentelijk verloopt. Als dat zo is, is ingrijpen van de advocaat niet nodig. Klacht kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van
29 april 2026in de zaak
26-144/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van 25 februari 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) met kenmerk K301 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klager van 11 maart 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is op 3 december 2024 aangehouden en opgehouden voor verhoor.
1.2 Verweerder heeft klager die dag als (piket)advocaat bijgestaan, omdat klagers
voorkeursadvocaat niet beschikbaar was. In het proces-verbaal van verhoor van klager
als verdachte staat vermeld dat hij voorafgaand aan het verhoor overleg met verweerder
heeft gevoerd en dat hij tijdens het verhoor telefonisch door verweerder is bijgestaan.
1.3 Klager is vervolgens op 3 december 2024 om 14:58 uur in verzekering gesteld.
1.4 Op 6 november 2025 heeft klager bij de deken een klacht over verweerder ingediend.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder dat hij ernstig tekort is geschoten in de adequate behartiging van klagers
belangen en dat hij klager volstrekt onvoldoende en ontoereikend heeft verdedigd in
het politieverhoor.
2.2 Klager heeft toegelicht dat verweerder – zijn piketadvocaat – gedurende het
meer dan twee uur durende verhoor niets van zich heeft laten horen. Verweerder heeft
geen vragen gesteld, geen verweer gevoerd, geen nadere onderzoekswensen ingediend
en totaal geen gebruik gemaakt van klagers bewijsmateriaal. Klager heeft verweerder
bovendien tegen een verbalisant horen zeggen: “in zekering stellen”. Dit kan en mag
niet. Verweerder was niet fysiek bij het verweer aanwezig, terwijl dat makkelijk had
gekund en klager daar veel hulp van had gehad. Klager stelt dat sprake is van ernstige
nalatigheid van verweerder en dat er geen sprake is geweest van deugdelijke juridische
bijstand tijdens het politieverhoor.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Beoordeling
4.2 Klager maakt verweerder diverse verwijten over de (piket)bijstand op 3 december
2024. Klager verwijt verweerder allereerst dat hij alleen telefonisch aanwezig was
bij het verhoor. Hoewel fysieke aanwezigheid van de advocaat bij een verhoor sterk
de voorkeur verdient, is telefonische bijstand niet klachtwaardig. Dat verweerder
tijdens het verhoor niets heeft gezegd, is evenmin klachtwaardig. Verweerder heeft
terecht opgemerkt dat de rol van de advocaat tijdens het verhoor is om ervoor te zorgen
dat de rechten van de verdachte zijn gewaarborgd, dat hij niet onder oneigenlijke
druk wordt gezet en dat het verhoor ordentelijk verloopt. Als dat zo is, is ingrijpen
van de advocaat niet nodig. Het is niet de bedoeling dat in een (eerste) verhoor het
proces al wordt gevoerd, zoals klager lijkt te veronderstellen. Voor het indienen
van onderzoekswensen is geen ruimte. Het verhoor is eerst en vooral de plaats waar
de politie vragen stelt en waar de verdachte antwoord geeft en zijn kant van het verhaal
kan vertellen.
4.3 Klager verwijt verweerder verder dat hij de politie heeft geadviseerd klager
in (ver)zekering te stellen. Verweerder heeft dit gemotiveerd betwist. Uit het proces-verbaal
van verhoor blijkt dit niet. De voorzitter kan dit dan ook niet vaststellen.
4.4 De voorzitter is dan ook niet gebleken dat verweerder tekort is geschoten
in de behartiging van klagers belangen op 3 december 2024. De klacht is kennelijk
ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.