ECLI:NL:TADRAMS:2026:95 Raad van Discipline Amsterdam 25-763/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:95
Datum uitspraak: 04-05-2026
Datum publicatie: 08-05-2026
Zaaknummer(s): 25-763/A/A
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtzaak is deels gegrond. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door haar declaraties aan de gezamenlijke onderneming te sturen. Klaagster dreigde hierdoor (aanvankelijk) mee te betalen aan de advocaatkosten van verweerster in een procedure die tegen klaagster zelf werd gevoerd. Alles overziend acht de raad de oplegging van een maatregel in de vorm van een waarschuwing passend.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam 
van 4 mei 2026 
in de zaak 25-763/A/A
naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerster


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 3 maart 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 
1.2    Op 13 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2475706/EvR/KV  van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 16 maart 2026. Daarbij waren klaagster en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van verweerster van 27 november 2025 en de e-mail met bijlagen van klaagster van 5 december 2025. Tevens heeft de raad kennisgenomen van de door verweerster op 27 februari 2026 nagezonden stukken en van de door klaagster op 1 maart 2026 nagezonden stukken. 
2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klaagster en haar ex-man (hierna: de man) zijn verwikkeld in diverse procedures over de echtscheiding en hun gezamenlijke onderneming. Die onderneming betrof een vof waarin een B&B werd geëxploiteerd op de boot waar zij eerder samen woonden. Verweerster staat de man in deze procedures bij. 
2.3    Op 4 juli 2023 heeft verweerster namens de man een verzoekschrift voorlopige voorzieningen ingediend bij de rechtbank. Zij heeft namens de man gevorderd dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning (de boot) aan de man wordt toebedeeld. In het verzoek wordt gesteld dat klaagster een fulltime dienstverband heeft.
2.4    Op 7 juli 2023 heeft verweerster het verzoekschrift aan de advocaat van klaagster gestuurd, nadat haar was gebleken dat op 4 juli 2023 een foutief e-mailadres was gebruik. Klaagsters advocaat heeft hierop als volgt gereageerd:
“En per abuis ook niet de verhinderdata gegeven?
Ik ga er vanuit dat u omgaand de griffie bericht”
2.5    Op 10 juli 2023 heeft verweerster, namens de man, een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank.
2.6    Op 21 juli 2023 heeft klaagster de voorzieningenrechter verzocht verlof te verlenen om conservatoir beslag te leggen op een aantal auto’s (waaronder een Porsche en een Tesla) en een sloep. De voorzieningenrechter heeft dit verlof verleend. 
2.7    Op 8 augustus 2023 is het verzoek voorlopige voorzieningen ter zitting behandeld. Verweerster heeft een pleitnota voorgedragen, die deel uitmaakt van het klachtdossier. 
2.8    Bij beschikking van 25 september 2023 heeft de rechtbank bepaald dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning (de boot), met bevel dat klaagster de woning dient te verlaten. Ook heeft de rechtbank bepaald dat de man maandelijks een bedrag van € 827,- aan klaagster moet betalen voor haar levensonderhoud.
2.9    Op 16 november 2023 heeft verweerster namens de man klaagster gedagvaard en gevorderd dat de vof met onmiddellijke ingang wordt ontbonden en dat de wijze van verdeling van de vof wordt bepaald.
2.10    Op 21 december 2023 heeft de advocaat van klaagster verweerster aangeschreven over door klaagster benodigde gegevens, waaronder administratie en rekeningen.
2.11    Bij vonnis in incident van 14 februari 2024 heeft de rechtbank onder meer bepaald, bij wijze van ordemaatregel voor de duur van de hoofdzaak, dat de onderneming met onmiddellijke ingang door de man wordt geëxploiteerd, met uitsluiting van klaagster. 
2.12    Op 4 maart 2024 heeft (de advocaat van) klaagster de man verzocht haar direct toegang te geven tot de administratie van de vof en bepaalde stukken te verstrekken. 
2.13    Op 8 maart 2024 heeft klaagster de man in kort geding gedagvaard en gevorderd dat de man haar, op straffe van een dwangsom, toegang verschaft tot de financiële administratie van de vof en andere stukken verstrekt. Verweerster heeft een conclusie van antwoord voor de zitting van 18 maart 2024 ingediend. 
2.14    Bij (tussen)beschikking van de rechtbank van 6 juni 2024 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken en onder meer bepaald dat partijen wettelijk medehuurders zijn geworden nadat de man de huurovereenkomst van het schip was aangegaan, maar dat dit huurrecht bij beschikking aan de man wordt toebedeeld en voor klaagster eindigt. 
2.15    Op 4 juli 2024 heeft verweerster aan klaagsters advocaat gemaild dat klaagster volledige inzage heeft in de administratie van de vof. 
2.16    Bij vonnis in kort geding van 8 juli 2024 is de vordering van klaagster van 8 maart 2024 afgewezen.
2.17    Op 11 september 2024 heeft verweerster klaagsters advocaat gemaild over het beslag op de Porsche en de voorwaarde waaronder klaagster het beslag dient op te heffen. Klaagster heeft hierop diezelfde dag en op 13 september 2024 gereageerd.
2.18    Bij vonnis van 16 oktober 2024 heeft de rechtbank de vof ontbonden, onder toebedeling van de onderneming aan de man en onder de verplichting voor de man om € 9.643,91 aan klaagster te betalen. De rechtbank heeft in het vonnis het volgende overwogen, voor zover relevant:
“4.6.     Verder kan de rechtbank uitsluitend van de privéadvocaatkosten van [de man] die in 2023 door de B&B betaald zijn aan [advocatenkantoor verweerster], vaststellen dat deze klaarblijkelijk ongegrond door de B&B zijn gedragen en dus moeten worden gecorrigeerd. Deze kosten bedroegen volgens de overgelegde overzichten onbetwist in totaal € 314 + € 2.066,25 = € 2.380,25. Voor het overige gaat de rechtbank uit van de juistheid van de administratie. (…) 
4.7.    Voor de vaststelling van de intrinsieke waarde corrigeert de rechtbank het totale vermogen van de B&B op 31 december 2023 volgens de vof-administratie van € 42.476,25 met € 2.380,25 (zie onder 4.6) (…)
4.8.     Dan is het ook nog het bedrag van € 33.246,67 dat [klaagster] aan de B&B heeft onttrokken. (…) Nu partijen dit geschilpunt niet met een vordering aan de rechtbank hebben voorgelegd, kan de rechtbank hier niet over beslissen. Dat betekent dat partijen bij de uiteindelijke afrekening van de vod en de gemeenschap van goederen ook dit bedrag nog moeten betrekken. (…)”
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Klaagster heeft van dit vonnis hoger beroep ingesteld.
2.19    Bij beschikking van 11 november 2024 heeft de rechtbank de verdeling van de tussen klaagster en de man bestaande gemeenschap van goederen uitgesproken. De rechtbank heeft in de beschikking overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de Porsche en de Tesla verkocht dienen te worden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De man heeft van deze beschikking hoger beroep ingesteld.  
2.20    Op 22 november 2024 heeft verweerster een voorlopige afrekening aan klaagster gestuurd, waarin verweerster onder meer schrijft:
“Uit het overzicht volgt een aan u te betalen bedrag van € 30.399,67.
Op dit bedrag heeft u zichzelf al een voorschot verstrekt van € 33.246,67 (zie rechtsoverweging 2.7 van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2024). Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft u de rechtbank aangegeven dat u dit bedrag “veilig heeft gesteld”, omdat u bang was niets uit de verdeling te zullen ontvangen. De rechtbank heeft in haar vonnis geoordeeld dat dit bedrag bij de uiteindelijke afrekening moet worden betrokken. Een saldering van het bedrag ad € 30.399,67 en het bedrag van € 33.246,67 komt uit op en door u te betalen bedrag van € 2.847.
Voorts maakt cliënt aanspraak op betaling van de volgende bedragen: (…).”  
2.21    Op 28 november 2024 heeft verweerster een voorstel aan klaagster gedaan over opheffing van de beslagen op de Porsche en de Tesla. 
2.22    Op 23 januari 2025 heeft verweerster in concept een kortgedingdagvaarding aan klaagsters advocaat gestuurd en daarbij onder meer geschreven:
“Als uw cliënte toch bereid is aan één van de vorderingen vrijwillig haar medewerking te verlenen, dan verneem ik dat graag.”
2.23    Het dossier bevat een briefje van de griffier van de rechtbank aan verweerster over de planning van het kort geding. In het briefje zijn de verhinderdata van klaagsters advocaat opgenomen.
2.24    Op 30 januari 2025 heeft klaagsters advocaat verweerster verzocht, onder meer, de administratie van de onderneming, de jaarcijfers en de ingediende belastingaangiften en BTW-aangiften te verstrekken. 
2.25    Op 10 februari 2025 heeft verweerster hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 11 november 2024. Het beroepschrift maakt onderdeel uit van het klachtdossier.
2.26    Op 28 februari 2025 heeft verweerster klaagster in kort geding gedagvaard in verband met de verkoop van de Porsche en de Tesla en de door de man nog niet ontvangen bankafschriften van klaagster.
2.27    Op 3 maart 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster. Op 7 april 2025 heeft zij de klacht nader toegelicht. 
2.28    Op 4 maart 2025 heeft klaagsters advocaat verweerster gemaild in verband met een aan te vragen kort geding over het verkrijgen van (toegang tot) financiële stukken om de partneralimentatie te kunnen berekenen en de samenstelling en omvang van het vermogen te kunnen vaststellen. Klaagsters advocaat heeft verzocht om per direct toegang te krijgen tot de administratie van de onderneming. 
2.29    Op 10 maart 2025 was de zitting in het kort geding. Ter zitting hebben klaagster en de man afspraken gemaakt, die zijn neergelegd in een proces-verbaal. Deze afspraken betreffen onder meer over de verkoop van de Porsche en de Tesla en de afspraak dat partijen elkaar binnen 14 dagen bankafschriften verstrekken.
2.30    Op 24 maart 2024 heeft verweerster de ‘transactie-historie’ van de man aan klaagsters advocaat gestuurd. Een dag later heeft klaagsters advocaat in reactie daarop haar twijfels over de authenticiteit van de transactie-historie uitgesproken. Ook heeft zij om afschriften van de bedrijven van de man gevraagd en gemeld dat klaagster zelf haar afschriften pas zal overleggen wanneer het volledige beeld is verkregen. Ook meldt klaagsters advocaat dat de man zich niet heeft gehouden aan de afspraken omtrent de Porsche en de Tesla.
2.31    Verweerster heeft klaagsters advocaat diezelfde dag om verhinderdata gevraagd voor een nieuw kort geding. Op de vraag van klaagsters advocaat met welk doel (opnieuw) een kort geding wordt aangespannen, heeft verweerster geantwoord dat klaagster ten onrechte nieuwe voorwaarden stelt aan het overleggen van afschriften. 
2.32    Verweerster heeft klaagster nogmaals in kort geding gedagvaard en nakoming van de op 10 maart 2025 gemaakte afspraken – rondom de bankafschriften van klaagster en het beslag op de auto’s – gevorderd op straffe van een dwangsom. 
2.33    Op 1 mei 2025 heeft verweerster een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank met betrekking tot de door de man te betalen partneralimentatie. 
2.34    Op 2 mei 2025 heeft klaagster per e-mail aan de deken verzocht een aanvulling op de ingediende klacht in behandeling te nemen. Deze aanvulling ziet op de door verweerster gestarte procedure betreffende de stopzetting van de alimentatie.
2.35    Het kort geding is op 12 mei 2025 ter zitting behandeld. Op 26 mei 2025 is vonnis gewezen. De man is in het gelijk gesteld. Klaagster heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. 
2.36    Bij beschikking van 25 november 2025 heeft het Gerechtshof Amsterdam de beschikking van 11 november 2024 deels vernietigd. 
2.37    Het dossier bevat een aantal facturen voor werkzaamheden van verweerster gericht aan de vof. Het gaat om facturen van 14 december 2023, 20 februari 2024, 4 maart 2024, 3 juli 2024, 14 oktober 2024 en 9 december 2024.

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. 
3.2    Klaagster verwijt verweerster dat zij: 
a)    herhaaldelijk nieuwe procedures aanspant, ondanks eerdere uitspraken over dezelfde kwesties;
b)    zonder enig overleg of een verzoek om verhinderdata, op 28 februari 2025 een dagvaarding heeft laten uitbrengen voor een kort geding op 10 maart 2025. Dit is een terugkerend patroon. Verweerster heeft dit ook zo gedaan in de voorlopige voorzieningenprocedure in 2023; 
c)    haar declaraties aan de gezamenlijke onderneming heeft gericht, waardoor klaagster als wederpartij heeft meebetaald aan de advocaatkosten van haar ex-partner in het geschil tussen hen beiden;
d)    bewust feiten verdraait en leugens verspreidt.  
3.3    De raad heeft, op verzoek van klaagster, in de klachtomschrijving uitdrukkelijk de door klaagster ter zitting genoemde aanvulling op klachtonderdeel b) meegenomen. Verweerster heeft daartegen, desgevraagd, geen bezwaar geuit en dit betreft slechts een nadere concretisering van de in die klacht beschreven handeling zodat de raad aan dit verzoek heeft voldaan.  
3.4    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.2    Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen:
-    het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
-    het belang van de wederpartij en dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
-    het verloop van het geschil tot dan toe en
-    de kans op succes van de procedure.

Klachtonderdeel a) – het herhaaldelijk aanspannen van nieuwe procedures 
5.3    Dat uitspraken niet zouden worden nageleefd, zoals klaagster in dit klachtonderdeel stelt, kan verweerster naar het oordeel van de raad niet worden verweten. Het is immers in beginsel niet aan verweerster om uitspraken na te komen, maar aan haar cliënt. Klaagster heeft onvoldoende uitgelegd waarom verweerster hier een verwijt treft. 
5.4    Het verwijt dat het op 22 november 2024 door verweerster gestuurde bericht over de voorlopige afrekening in strijd zou zijn met eerdere uitspraken, volgt de raad evenmin. In het vonnis van 16 oktober 2024 is onder 4.8 overwogen dat de rechtbank niet over het betreffende bedrag kon beslissen en dat partijen bij de uiteindelijke afrekening van de vof en de gemeenschap van goederen dit bedrag nog moesten betrekken. Dit maakt dat verweerster zich namens haar cliënt tot klaagster mocht wenden op de manier waarop zij dit heeft gedaan. 
5.5    Voor zover klaagster verweerster daarnaast verwijt dat er door haar onnodig procedures in kortgeding zijn gevoerd over de overlegging van bankafschriften, stelt de raad het volgende vast. Op 28 februari 2025 heeft verweerster voor het eerst een kort geding gestart over de verstrekking van de bankafschriften. Daarvoor was hierover tussen (de advocaten van) partijen al gecorrespondeerd. Op de zitting van 10 maart 2025 hebben partijen over de overlegging van bankafschriften afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in het proces-verbaal van die zitting. Vervolgens zijn door verweerster, namens de man, stukken (een transactiehistorie) overgelegd. Klaagster heeft daarop gereageerd dat zij “vraagtekens” had bij die opgave, nadere stukken opgevraagd en tot het moment van ontvangst daarvan geweigerd zelf bankafschriften te verstrekken. Verweerster heeft in die opstelling van klaagster aanleiding gezien om bij dagvaarding van 12 mei 2025 een nieuw kort geding te starten. Tegen deze achtergrond kan naar het oordeel van de raad niet gezegd worden dat verweerster over dezelfde kwestie een kort geding aanspande. Zoals verweerster heeft toegelicht was de aanleiding voor het opnieuw opstarten van het kort geding de weigerachtige houding van klaagster, die nieuwe voorwaarden opwierp. Anders dan klaagster stelt, is het niet zo dat dit kort geding onnodig was. 
5.6    Klaagster verwijt verweerster ook dat zij in het hoger beroep van 10 februari 2025 punten heeft herhaald waarover al uitgebreid geprocedeerd was. Dit is echter nu eenmaal inherent aan een procedure in hoger beroep. De volledige zaak in eerste aanleg kan daarin worden overgedaan. Ook ten aanzien van dit onderdeel kan verweerster daarom geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. 
5.7    Gelet op het voorgaande is de raad van oordeel dat klachtonderdeel a) ongegrond is.  
Klachtonderdeel b) - het zonder voorafgaand overleg uitbrengen van een dagvaarding
5.8    Klaagster verwijt verweerster in dit klachtonderdeel dat zij zonder overleg of een verzoek om verhinderdata op 28 februari 2025 een dagvaarding heeft uitgebracht. Dit betreft volgens klaagster een structureel patroon. Ook in de voorlopige voorzieningenprocedure in 2023 heeft verweerster niet om verhinderdata gevraagd. 
5.9    De raad volgt klaagster ook in deze verwijten niet. Verweerster heeft overleg met de advocaat van klaagster gezocht voordat zij daadwerkelijk het kort geding startte. Over (het beslag op) de auto’s en over de bankafschriften was tussen partijen immers al eerder gecorrespondeerd. Verweerster had op 23 januari 2025 een concept dagvaarding aan de advocaat van klaagster gestuurd en gevraagd of klaagster niettemin bereid was vrijwillig aan de vorderingen te voldoen. Uit het briefje van de rechtbank van 23 januari 2025 blijkt verder dat met de verhinderingen van klaagster (c.q. haar advocaat) wel degelijk rekening is gehouden. 
5.10    Voorzover klaagster verweerster ook verwijt dat verweerster geen verhinderingen heeft opgevraagd bij het indienen van het verzoek voorlopige voorzieningen in 2023, wordt zij hierin, bij gebrek aan een nadere onderbouwing, niet gevolgd. Verweerster heeft ter zitting onbetwist aangevoerd dat zij op 30 juni 2023 een e-mailbericht aan de advocaat van klaagster heeft gestuurd, waarin zij om verhinderdata heeft verzocht. De advocaat van klaagster heeft hierop gereageerd, waarna de verhinderdata zijn verstrekt. 
5.11    Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de raad niet gebleken dat verweerster  zonder overleg een dagvaarding heeft uitgebracht of dat zij (al dan niet op structurele basis) heeft nagelaten om verhinderdata bij klaagster en haar advocaat op te vragen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake. Klachtonderdeel b) is daarom ongegrond. 
Klachtonderdeel c) – het richten van declaraties aan de gezamenlijke onderneming 
5.12    Klaagster verwijt verweerster dat zij aan de vof, de gezamenlijke onderneming, heeft gedeclareerd, waardoor klaagster ten onrechte heeft meebetaald aan de advocaatkosten van de man. 
5.13    De raad is, met klaagster, van oordeel dat verweerster de declaraties voor de in opdracht van de man verrichte werkzaamheden die verband hielden met de gewenste ontbinding van de vof niet, en zeker niet zonder nader onderzoek of nadere afstemming, ten laste van de vof had mogen laten komen. Zoals verweerster ook lijkt te onderschrijven, verrichtte zij deze werkzaamheden in opdracht van haar cliënt, de man, namens wie zij bij de rechtbank ook de vordering tot ontbinding van de vof heeft ingediend. Deze vordering was gericht tegen klaagster. Verweerster heeft zich er onvoldoende rekenschap van gegeven dat klaagster als gevolg van de werkwijze van verweerster – als medevennoot van de vof – uiteindelijk zou meebetalen aan de advocaatkosten van verweerster in een procedure die tegen klaagster zelf werd gevoerd. Ook de rechtbank heeft in het vonnis van 16 oktober 2024 geoordeeld dat hierdoor deze kosten “klaarblijkelijk ongegrond” door de vof zouden worden gedragen, zodat deze kosten over 2023 bij de bepaling van de intrinsieke waarde van de vof dienden te worden gecorrigeerd. Voor zover verweerster heeft aangevoerd dat  klaagster door deze correctie geen nadeel heeft ondervonden van haar handelswijze, overweegt de raad dat deze correctie pas heeft plaatsgevonden ná tussenkomst van de rechtbank. Verweerster heeft hier geen aandeel in gehad. Dit verweer kan haar daarom niet baten. 
5.14    Klachtonderdeel c) is gelet op het voorgaande gegrond. 
Klachtonderdeel d) - het verdraaien van feiten en het verspreiden van leugens
5.15    Klaagster verwijt verweerster dat zij bewust feiten verdraait en leugens verspreidt. Verweerster heeft dit gemotiveerd betwist. 
5.16    De raad stelt voorop dat verweerster als partijdig belangenbehartiger een grote mate van vrijheid heeft om het standpunt van haar cliënt te verwoorden, waarbij zij mag afgaan op de informatie die zij van haar cliënt krijgt. Dat klaagster het met dat standpunt niet eens is, is inherent aan het geschil tussen klaagster en de man. Dat verweerster de grenzen van haar vrijheid te buiten is gegaan, is de raad niet gebleken. Evenmin is gebleken dat verweerster misbruik zou maken van haar positie, de rechter zou beïnvloeden of een persoonlijke aanval op klaagster zou doen. 
5.17    De raad concludeert dat klachtonderdeel d) ongegrond is. 
 
6    MAATREGEL
6.1    Klachtonderdeel c) is gegrond. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door haar declaraties aan de gezamenlijke onderneming te sturen. Klaagster dreigde hierdoor (aanvankelijk) mee te betalen aan de advocaatkosten van verweerster in een procedure die tegen klaagster zelf werd gevoerd. Alles overziend acht de raad de oplegging van een maatregel in de vorm van een waarschuwing passend. De raad weegt daarbij mee dat de klachten van klaagster voor het overgrote deel stranden. Ook weegt de raad mee dat klaagster als gevolg van de gedraging van verweerster geen schade heeft ondervonden nu de doorberekening van haar advocaatkosten aan de vof al door de rechtbank is gecorrigeerd. Ook weegt de raad mee dat verweerster de juistheid van deze correctie lijkt in te zien, en te kennen heeft gegeven – voor het geval in hoger beroep tot een andere peildatum voor de ontbinding van de vof dan 31 december 2023 wordt gekomen – daarnaar te zullen handelen en zelf tot correctie over te zullen gaan.

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 
7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klaagster;
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door. 
7.4    Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart klachtonderdeel c) gegrond;
-    verklaart de klachtonderdelen a), b) en d) ongegrond;
-    legt aan verweerster de maatregel van een waarschuwing op; 
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster; 
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; 
-    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2. 

Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. N.M.K. Damen en W. van Eekhout, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026. 


Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 4 mei 2026