ECLI:NL:TADRAMS:2026:94 Raad van Discipline Amsterdam 25-707/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:94
Datum uitspraak: 04-05-2026
Datum publicatie: 08-05-2026
Zaaknummer(s): 25-707/A/A
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening van de eigen advocaat is in alle onderdelen ongegrond. Het is de raad niet gebleken dat verweerder steken zou hebben laten vallen bij het aanbrengen van de procedure voor een Nederlandse rechter of dat hij op dit punt op enige andere wijze onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat verweerder niet in overeenstemming heeft gehandeld met hetgeen er tussen klaagster en hem was afgesproken, is de raad evenmin gebleken. Het verwijt dat verweerder er zorg voor had moeten dragen om de auto aan klaagster ter beschikking te stellen, mist naar het oordeel van de raad feitelijke grondslag.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 4 mei 2026
in de zaak 25-707/A/A 
naar aanleiding van de klacht van:

klaagster 

over

verweerder 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 3 april 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 17 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2484557/EvRT/BF van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht stond aanvankelijk op een zitting bij de raad van 12 december 2025 gepland. Omdat verweerder wegens ziekte die dag om aanhouding heeft verzocht, is de zaak toen aangehouden. 
1.4    De zaak is vervolgens ter zitting van de raad behandeld op 16 maart 2026. Daarbij hebben klaagster en de heer A. Rodrigues  (ter zitting optredend als haar gemachtigde) via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Verweerder was in de zaal aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.5    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen van de op 10 november 2025 namens klaagster nagezonden stukken.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klaagster, woonachtig in Spanje, heeft omstreeks 17 mei 2023 met haar partner en in het gezelschap van andere twee personen, waaronder C O (hierna O) een tweedehands auto gekocht bij een garagebedrijf in Nederland (Enschede). 
2.3    Die auto is onderweg naar Spanje in Frankrijk stil komen te staan. De auto is vervolgens door een Frans transportbedrijf teruggebracht naar het garagebedrijf in Enschede. De verzekeraar heeft de kosten vergoed. 
2.4    Klaagster heeft, via haar gemachtigde, hiervoor de bijstand van verweerder als advocaat ingeroepen. De aanvraag luidt als volgt: 
“Wij hebben op donderdag 17-05-2023 een voertuig gekocht bij een handelaar in Enschede -Nederland met de bedoeling deze naar Spanje te rijden en daar te laten inschrijven omdat ik namelijk daar woonachtig ben: Na een 700 KM te hebben gereden stranden wij in Frankrijk, er word terplaatsen door een Franse werkplaats gediagnostikeerd dat het voertuig turbo schade heeft. Wij contacteren de handelaar en zegt dat wij het voertuig zonder garantie hebben gekocht en dat wij zelf zullen moeten opdraaien voor de onkosten. Natuurlijk zijn wij daar niet mee eens en weten echt niet wat te doen, wij hebben extra onkosten gehad om terug thuis te geraken en mijn voertuig staat nog altijd bij de Franse werkplaats die natuurlijk voor iedere dag dat mijn voertuig daar staat dat ook nog eens kunnen betalen. Graag had ik jullie mening en wat ik er aan kan doen om dit te kunnen oplossen.”
2.5    Verweerder heeft de opdracht aangenomen en klaagster in haar geschil met het garagebedrijf/verkoper bijgestaan. 
2.6    Op 31 mei 2023 heeft verweerder het garagebedrijf aangeschreven tot herstel van de auto op straffe van ontbinding. Het garagebedrijf heeft niet ingestemd met kosteloos herstel, noch enig ander concreet aanbod gedaan teneinde dit geschil in der minne op te lossen. 
2.7    Op 15 september 2023 heeft verweerder het garagebedrijf daarom gedagvaard. Primair is terugbetaling van de koopsom gevorderd. Subsidiair is verzocht te bepalen dat klaagster gerechtigd was de auto door een derde te laten herstellen en de kosten op garagebedrijf te verhalen, met veroordeling van het garagebedrijf tot afgifte van de auto aan klaagster als deze de auto nog onder zich had. 
2.8    Ter zitting van 18 januari 2024 bij de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede, is de vordering van klaagster behandeld. 
2.9    Het garagebedrijf heeft verweer gevoerd en hierin kort gezegd naar voren gebracht dat, hoewel de factuur op naam van klaagster stond, hij de auto heeft verkocht aan O, een bekende handelaar bij autobedrijven in Enschede. Daarom is er volgens het garagebedrijf geen sprake van een consumentenkoop.
2.10    Bij vonnis van 27 februari 2024 zijn de vorderingen van klaagster afgewezen. De kantonrechter heeft overwogen dat er in rechte vanuit moet worden gegaan dat er een koopovereenkomst is gesloten tussen het garagebedrijf en klaagster, die aangemerkt moet worden als een consumentenkoop, maar dat niet is komen vast te staan dat de auto een gebrek heeft dat non-conformiteit oplevert. Hierover staat in het vonnis: 
“4.5 Dat de auto gestrand is in Frankrijk staat wel vast maar wat daarvan de oorzaak is geweest, is op geen enkele wijze onderbouwd. Het enkele feit dat de auto stil is gaan staan, levert zonder nadere onderbouwing, geen non-conformiteit op die ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. Immers, gechargeerd gezegd, de tank had ook leeg kunnen zijn, er zou een zekering kunnen zijn doorgebrand, de accu zou het begeven kunnen hebben. Kortom er zijn vele oorzaken denkbaar die niet direct non-conformiteit opleveren. [Klaagster] stelt dan wel dat er turbo schade is maar dat is een blote stelling zonder feitelijke onderbouwing bijvoorbeeld door middel van een verklaring van het garagebedrijf die de auto kennelijk heeft bekeken maar niet tot reparatie zijn of konden overgegaan. De stelling van [klaagster] op dit punt is niet althans onvoldoende onderbouwd zodat ter zake de gestelde turbo-schade [klaagster] geen beroep toekomt op non-conformiteit.”
2.11    Naar aanleiding van de behandeling ter zitting heeft verweerder aangifte van oplichting gedaan tegen O. 
2.12    Klaagster heeft op 3 april 2025 bij de deken een klacht over verweerder ingediend. 

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende: 
a)    verweerder heeft de belangen van klaagster niet goed verdedigd door geen uitzondering op de territoriale jurisdictie aan te voeren, hetgeen een ernstig gebrek aan juridische verdediging in overeenstemming met de Europese regelgeving in consumentenzaken vormt aangezien de belanghebbende partij, klaagster, in Spanje woont; 
b)    verweerder heeft er geen zorg voor gedragen dat het door klaagster gekochte en betaalde voertuig aan haar ter beschikking is gesteld; 
c)    de kosten die verweerder bij klaagster in rekening heeft gebracht, komen niet overeen met de diensten waarvoor zij toestemming heeft gegeven. 
3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Maatstaf
5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Gelet op artikel 46 Advocatenwet heeft de tuchtrechter mede tot taak de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij die beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waar hij voor kan komen te staan zijn niet onbeperkt, maar worden begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. 
5.2    Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (verg. Hof van Discipline 5 februari 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:32). Aan de hand van deze maatstaf zal het hof de klacht dan ook beoordelen. Daarbij wordt opgemerkt dat binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. Het hof toetst daarom of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijke handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.
5.3    Tot die handelwijze van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat behoort het inschatten van de slagingskans van een aanhangig te maken procedure en de cliënt daarover te informeren. De cliënt dient door de advocaat erop gewezen te worden wat in zijn zaak de proceskansen zijn en het kostenrisico is.
5.4    Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten verder te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke normen, daarbij van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld. 
Klachtonderdeel a) 
5.5    Klaagster verwijt verweerder dat hij ten onrechte geen uitzondering op de territoriale jurisdictie heeft aangevoerd, terwijl klaagster in Spanje woonachtig is. 
5.6    De raad stelt op grond van het vonnis van 27 februari 2024 vast dat de vordering van klaagster inhoudelijk door de kantonrechter te Enschede is beoordeeld, zonder dat daarbij de bevoegdheid van de Nederlandse rechter aan de orde is gekomen. Dat verweerder de bevoegdheid van de rechtbank desondanks wel aan de orde had moeten stellen, is de raad niet gebleken. Voor zover klaagster stelt dat verweerder de zaak bij een rechtbank in Spanje had moeten aanbrengen omdat zij daar woonachtig is, is de raad van oordeel dat door verweerder terecht is aangevoerd dat een dergelijke procedure een voor klaagster onwenselijke situatie zou hebben opgeleverd. Dit zou in ieder geval meer tijd, kosten en risico’s met zich hebben meegebracht en dit zou daarmee in ieder geval niet in het belang van klaagster zijn geweest. Dat verweerder steken zou hebben laten vallen bij het aanbrengen van de procedure voor een Nederlandse rechter of dat hij op dit punt op enige andere wijze onzorgvuldig heeft gehandeld, is de raad evenmin gebleken.  
5.7    Klachtonderdeel a) is gelet op het voorgaande ongegrond. 
Klachtonderdeel b) 
5.8    Het door klaagster in klachtonderdeel b) gemaakt verwijt aan verweerder, dat hij er zorg voor had moeten dragen om de auto aan klaagster ter beschikking te stellen, mist naar het oordeel van de raad feitelijke grondslag. Dat verweerder en klaagster hierover afspraken met elkaar hadden gemaakt of dat verweerder op andere wijze gehouden was om zich hiervoor in te spannen, is de raad niet gebleken en klaagster heeft dit verwijt ook niet nader onderbouwd. 
5.9    Klachtonderdeel b) is ongegrond. 
Klachtonderdeel c)  
5.10    Klaagster verwijt verweerder in dit klachtonderdeel dat de kosten die verweerder in rekening heeft gebracht, niet overeenkomen met de diensten waarvoor zij toestemming heeft gegeven. 
5.11    De raad stelt ook ten aanzien van dit klachtonderdeel vast dat klaagster haar verwijt niet van een feitelijke onderbouwing heeft voorzien. Zo zijn door haar geen declaraties overgelegd of een opdrachtbevestiging waaruit blijkt welke afspraken er tussen klaagster en verweerder waren gemaakt (over onder meer de kosten) en of verweerder hier al dan niet in strijd mee heeft gehandeld. Daarbij is door verweerder onbetwist aangevoerd dat klaagster er tussentijds geen blijk van heeft gegeven dat zij ontevreden was over zijn diensten. Pas na het afwijzende vonnis van de rechtbank is klaagster (kennelijk) gestopt met het betalen aan verweerder. Dat verweerder echter niet in overeenstemming heeft gehandeld met hetgeen er tussen klaagster en verweerder was afgesproken, is de raad niet gebleken. 
5.12    Klachtonderdeel c) is gelet op het voorgaande ongegrond. 

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klachtonderdelen a), b) en c) ongegrond. 

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. N.M.K. Damen en W. van Eekhout, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026. 


Griffier    Voorzitter


Verzonden op: 4 mei 2026