Zoekresultaten 1-20 van de 5900 resultaten

  • ECLI:NL:TNORSHE:2026:26 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2025/59

    De zaak gaat over de afwikkeling van de nalatenschap van klagers moeder. Op grond van haar testament zijn klager en zijn zus de enige erfgenamen. Moeder heeft in haar testament de kandidaat-notaris met de meeste werkjaren binnen het kantoor van een andere notaris benoemd tot executeur/afwikkelingsbewindvoerder in haar nalatenschap. De betreffende kandidaat-notaris heeft die benoeming aanvaard en meteen daarna het kantoor van de beklaagde notaris in haar plaats gesteld. Klager is ontevreden over de manier waarop (de medewerkers van) de notaris hun/zijn werkzaamheden hebben/heeft verricht en hij heeft bezwaar tegen (de hoogte van) de kosten die voor die werkzaamheden in rekening zijn gebracht.De klacht wordt voor een deel niet-ontvankelijk verklaard (te laat ingediend) en de klacht wordt voor het overige ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2026:27 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2025/67 en SHE/2026/25

    De kandidaat-notaris heeft de leveringsakte gepasseerd, waarbij aan de klager een erfpachtrecht is geleverd met betrekking tot een appartementsrecht. De (bloot) eigendom van het appartementsrecht behoort toe aan Stichting DNGB Fonds I. Deze constructie wordt de Duokoop-constructie genoemd.De klager heeft de aankoop van het erfpachtrecht gefinancierd met een geldlening van zijn moeder (de klaagster). De kandidaat-notaris heeft ook de hypotheekakte gepasseerd, waarin de geldleningsovereenkomst is vastgelegd en de klager een hypotheekrecht heeft gevestigd op het erfpachtrecht ten behoeve van de klaagster.De klagers verwijten de kandidaat-notaris dat hij in strijd met zijn zorgplicht, onderzoeksplicht, informatie- en waarschuwingsplicht heeft gehandeld rondom de totstandkoming van deze akten en de koopovereenkomst. Daarnaast vinden zij dat de kandidaat-notaris de eerder door hen kenbaar gemaakte klachten niet juist heeft afgehandeld.De klachten worden gegrond verklaard, voor zover deze betrekking hebben op de informatieplicht van de kandidaat-notaris. Hij had de klager moeten uitleggen wat de levering van het erfpachtrecht precies inhield en hij had de klaagster moeten uitleggen wat het hypotheekrecht op het erfpachtrecht precies inhield. De kandidaat-notaris had de klagers ook moeten uitleggen welke specifieke gevolgen en risico’s hieraan zijn verbonden. Dat heeft de kandidaat-notaris onvoldoende gedaan en daarom is aan hem tweemaal een berisping opgelegd.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:213 Raad van Discipline Amsterdam 26-675/A/NH

    Voorzittersbeslissing. Klagers hebben zich beklaagd over ingenomen stellingen, uitlatingen en bewijsstukken tijdens een procedure. De klacht is kennelijk ongegrond. Verweerster heeft geen tuchtrechtelijke normen overschreden.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:315 Hof van Discipline 's Gravenhage 260198

    Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Voor een procedure bij de kantonrechter is geen bijstand van een advocaat vereist. Klaagster mag zelf een procedure voor de kantonrechter starten.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:214 Raad van Discipline Amsterdam 26-686/A/A

    Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij in een familierechtzaak kennelijk ongegrond. Verweerster heeft de belangen van haar cliënte behartigd, zonder de belangen van klager nodeloos te schaden. Van het starten van kansloze procedures is niet gebleken.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:226 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8846

    Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een psychiater. Klaagster heeft een crisismaatregel opgelegd gekregen. Zij verwijt de psychiater onder meer dat zij voorafgaand aan die crisismaatregel niet is onderzocht en gehoord, dat zonder medische onderbouwing tijdelijke verplichte zorg is toegepast en dat er geen volledige verslaglegging is. In deze specifieke situatie is het begrijpelijk en te billijken dat de psychiater, als zorgverantwoordelijke, niet aan de wettelijke verplichting om klaagster opnieuw te beoordelen heeft voldaan. Wel had zij haar gevoerde beleid in het medisch dossier moeten opnemen. Klacht deels gegrond, overige klachtonderdelen ongegrond verklaard. Geen maatregel

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:316 Hof van Discipline 's Gravenhage 260200

    Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Het aanwijzingsverzoek heeft betrekking op een procedure die zou moeten dienen buiten Nederland en dus buiten het arrondissement Amsterdam. De deken beschikt gelet op de formulering van artikel 13 Advocatenwet uitsluitend over de bevoegdheid een advocaat aan te wijzen voor het verlenen van bijstand in het arrondissement van die deken. Deze beperking tot het eigen arrondissement sluit aan bij de bevoegdheidsverdeling van de organen van de Nederlandse orde van advocaten en van de orden in de arrondissementen zoals geregeld in artikelen 17 tot en met 36 van de Advocatenwet. De deken beschikt gelet hierop niet over de bevoegdheid een advocaat aan te wijzen voor het verlenen van bijstand in de door klaagster gewenste procedure.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:215 Raad van Discipline Amsterdam 26-693/A/NH

    Voorzittersbeslissing; klacht kennelijk ongegrond in alle onderdelen. Niet is is gebleken dat verweerster bewust onjuiste informatie naar voren heeft gebracht of dat verweerster wat betreft de kennelijk moeizame onderhandelingen tussen partijen een verwijt valt te maken. Evenmin is gebleken dat verweerster berichten van of namens klager stelselmatig onbeantwoord heeft gelaten of anderszins onvoldoende voortvarend heeft behandeld. Verweerster heeft met haar uitlatingen niet de grenzen van het betamelijk overschreden.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:209 Raad van Discipline Amsterdam 26-200/A/A

    Klacht over de eigen advocaat. Naar het oordeel van de raad is verweerder zodanig tekortgeschoten in zijn zorgplicht voor klager dat een maatregel op zijn plaats is. Verweerder heeft erkend dat hij onvoldoende met klager heeft gecommuniceerd. Tijdens de zitting van de raad heeft hij blijk gegeven van zelfreflectie op zijn handelen en het effect daarvan op klager. Verweerder heeft uitgelegd dat zijn handelwijze het gevolg was van zijn sociale zekerheidspraktijk met de nodige hectiek en heeft toegezegd in toekomstige dossier afspraken en belangrijke informatie schriftelijk beter vast te leggen voor de cliënten. Nadat verweerder bekend is geworden met de onvrede van klager over de gang van zaken, heeft hij naar het oordeel van de raad voldoende gedaan om mee te denken over een oplossing. Dat verweerder niet zelf het door klager gewenste herzieningsverzoek voor klager wilde doen, stond hem vrij. Klager kon daarvoor immers een andere advocaat inschakelen. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:227 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9254

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. De psychiater heeft een medische verklaring opgesteld in het kader van de aanvraag van een crisismaatregel voor klager. Klager verwijt de psychiater in kwestie met name – samengevat – dat zij in haar medische verklaring feitelijke onjuistheden heeft opgenomen, waarbij zij deze verkeerde informatie heeft ontvangen van de ex-partner van klager. Daarnaast verwijt klager de psychiater dat zij haar diagnose heeft gebaseerd op basis van deze verkeerde informatie en daarnaast haar diagnose ook niet goed heeft onderbouwd. Het college kan de psychiater volgen in haar diagnostische overwegingen en voorlopige diagnose. Overige klachtonderdelen ook ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:317 Hof van Discipline 's Gravenhage 260192

    Beroep tegen beslissing op verzet. Appelverbod. De gronden van klager zien op schending verschillende internationaalrechtelijke beginselen. Het hof verwijst naar zijn vaste rechtspraak waarin reeds is beslist dat de tuchtrechtrechtspraak zoals die voor advocaten is georganiseerd niet in strijd is met het EVRM (zie Hof van Discipline, 8 april 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:87 en Hof van Discipline, 26 augustus 2016, ECLI:NL:TAHVD:2016:164 en de rechtspraak waarna in die laatste uitspraak wordt verwezen). De gronden raken niet aan de fundamentele rechtsbeginselen die mogelijk grond opleveren voor doorbreking van het appelverbod, zoals schending van hoor en wederhoor, (vergelijk: HvD 28 augustus 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:168, ECLI:NL:TAHVD:2017:169 en HR 23 juni 1995, NJ 1995/661).

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:216 Raad van Discipline Amsterdam 26-699/A/A

    Voorzittersbeslissing; klacht niet-ontvankelijk. De klacht is ingediend buiten de driejaarstermijn van artikel 46g lid 1 onder a) Advocatenwet, waardoor klager niet in zijn klacht kan worden ontvangen. Niet is gebleken dat klager gedurende de driejaarstermijn niet heeft kunnen klagen of dat er sprake is van de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bedoelde situatie. Ook is niet gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:228 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9373

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. Klager is op vrijwillige basis behandeld door verschillende psychiaters en de zorgmachtiging is uiteindelijk niet aangevraagd. Klager verwijt de psychiater onder meer dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld in de diagnostiek en voorbereiding van de zorgmachtiging. Het feit dat de psychiater PTSS niet als primaire diagnose heeft gesteld acht het college navolgbaar. Van onzorgvuldigheid is niet gebleken. Alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:210 Raad van Discipline Amsterdam 26-118/A/A

    Naar het oordeel van de raad heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar een beroepsfout gemaakt door een termijn te laten verstrijken. Verweerder heeft na ontdekking van de fout daarvoor excuses aan klaagster aangeboden en daarvan melding gedaan bij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar en klaagster daarover geïnformeerd. Ook heeft verweerder klaagster duidelijk en herhaaldelijk schriftelijk uitgelegd dat erkenning van zijn beroepsfout niet automatisch betekent dat hij volledig opdraait voor de mogelijke financiële gevolgen daarvan voor klaagster. Klaagster had daarna de mogelijkheid om op zijn aanbod in te gaan om een civiele procedure te starten maar heeft daarvoor niet meteen gekozen. Nadat verweerder zich door de ontstane vertrouwensbreuk als haar advocaat heeft onttrokken, kon klaagster niet meer van verweerder verlangen dat hij alsnog werkzaamheden voor haar zou doen. Verweerder heeft naar het oordeel van de raad aldus schadebeperkend en oplossingsgericht en ook in het belang van klaagster gehandeld. Een maatregel kan in dit geval dan ook achterwege blijven.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:229 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9375

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. Klager is op vrijwillige basis behandeld door verschillende psychiaters. Verweerder heeft een verklaring opgesteld in het kader van de voorbereiding van een zorgmachtiging. Het college kan de psychiater volgen in zijn diagnostische overwegingen om tot de voorlopige diagnose van psychotische stoornis en PTSS te komen. Alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:211 Raad van Discipline Amsterdam 25-903/A/A

    Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:212 Raad van Discipline Amsterdam 26-077/A/NH

    Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:314 Hof van Discipline 's Gravenhage 260178

    Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De termijn voor het beroep tegen het vonnis van 4 mei 2021 is (ruimschoots) is verstreken. De deken heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de procedure die klager alsnog wil voeren kansloos is. Reeds om die reden is het beklag ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:225 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/9862

    Voorzittersbeslissing. Aan de hand van de stellingen van partijen concludeert de voorzitter dat inderdaad niet kan worden vastgesteld dat de huisarts een dergelijke vermelding (dat klaagster een lastige patiënt is) heeft gemaakt in het medisch dossier van klaagster. De stelling van klaagster dat deze opmerking staat vermeld is bovendien niet of althans onvoldoende onderbouwd. De klacht is kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2026:11 Kamer voor het notariaat Amsterdam 780145 / NT RK 25/49

    Klager is in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met zijn ex-echtgenote. Tot de gemeenschap van goederen behoorde de eigendom van een woning, gefinancierd met een hypothecaire lening van ING Bank N.V. (hierna: ING). Op 31 oktober 2025 heeft de notaris een akte van verdeling gepasseerd.klachtonderdeel 1 Klager verwijt de notaris een verkeerde afhandeling van de akte van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en het niet signaleren of verduidelijken van de voortijdige vrijgave door ING. Klachtonderdeel ongegrond. Het is niet vast komen te staan dat klager daadwerkelijk voortijdig (dat wil zeggen: vóór 31 oktober 2025) uit de hoofdelijke aansprakelijkheid is ontslagen of dat er aanleiding was anders te handelen op dit onderdeel dan de notaris heeft gedaan. Dat klager voortijdig een (mogelijk foutief) bericht heeft ontvangen van ING kan de notaris niet aangerekend worden. Dit geldt temeer nu klager op 23 oktober 2025, toen hij contact opnam met de notaris, niet beschikte over een schriftelijke bevestiging die hij aan de notaris kon overleggen. Bovendien heeft de medewerker nog op 23 oktober 2025 contact gehad met ING over de verlenging van de volmacht van ING (ten behoeve van de akte van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid) tot en met 15 november 2025. Dat ING instemde met deze verlening én dat ING daarbij niet gemeld heeft dat het ontslag al verleend was, maakt dat er voor de notaris geen aanleiding bestond om aan te nemen dat klager al uit de hoofdelijke aansprakelijkheid was ontslagen of dat nader te onderzoeken. Ter zitting heeft klager verklaard dat de brief van ING van 20 oktober 2025, waarin stond dat hij was ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, pas op 4 november 2025 in zijn bezit is gekomen. De akte van ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid was toen al ondertekend. Ter zitting heeft de notaris op zijn beurt bevestigd dat hij contact zou hebben opgenomen met ING als hij tijdig had beschikt over de genoemde brief. Bij gebreke hiervan had naar het oordeel van de kamer geen ander handelen van de notaris verwacht hoeven worden.klachtonderdeel 2 Daarnaast verwijt klager de notaris schending van zijn verplichting, op grond van artikel 43 Wna, om antwoord te geven op zijn vragen (...) over de ‘overwaardecomponent’ van de transactie. Ook dit tweede klachtonderdeel acht de kamer ongegrond. De notaris heeft terecht een beroep gedaan op zijn geheimhoudingsplicht. Als partij bij de akte van verdeling was het voor klager uitsluitend van belang om te weten of zijn wederpartij, de ex-echtgenote, in staat was om de uitkoopsom te voldoen. De notaris was niet verplicht om inhoudelijk verantwoording met bewijsstukken aan klager af te leggen over zijn onderzoek naar de herkomst van de gelden van de ex-echtgenote, nu dit informatie met een vertrouwelijk karakter betrof. De notaris behoefde geen verantwoording af te leggen aan klager over de vraag of hij zijn poortwachtersrol voldoende heeft vervuld.