ECLI:NL:TGZRAMS:2026:228 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9373
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:228 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-10-2026 |
| Datum publicatie: | 02-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/9373 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. Klager is op vrijwillige basis behandeld door verschillende psychiaters en de zorgmachtiging is uiteindelijk niet aangevraagd. Klager verwijt de psychiater onder meer dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld in de diagnostiek en voorbereiding van de zorgmachtiging. Het feit dat de psychiater PTSS niet als primaire diagnose heeft gesteld acht het college navolgbaar. Van onzorgvuldigheid is niet gebleken. Alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond verklaard. |
A2025/9373
Beslissing van 2 oktober 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 2 oktober 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
psychiater,
werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. A.K.M.T. Rongen, werkzaam te Rotterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Verweerder was als zorgverantwoordelijke betrokken bij de voorbereiding van
de zorgmachtiging
en de behandeling van klager in een ggz-instelling, waar klager stond ingeschreven
van juni 2024
tot december 2025. In deze periode is klager op vrijwillige basis behandeld door
verschillende
psychiaters en zorgverleners en is de zorgmachtiging uiteindelijk niet aangevraagd.
Klager heeft
tegen meerdere betrokken zorgverleners klachten ingediend. Klager verwijt deze psychiater
onder
andere en samengevat dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld in de diagnostiek en voorbereiding
van de
zorgmachtiging, de behandeling en het medicatiebeleid.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure
is verlopen.
Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 4 december 2025;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de aanvullende stukken van de zijde van klager van 21 april en 4 mei 2026;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 2 juni 2026;
- het bericht van 4 juni 2026 van de zijde van klager, inhoudende een intrekking
van een
klachtonderdeel.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 De psychiater was door de geneesheer-directeur van de ggz-instelling aangewezen
als
zorgverantwoordelijke bij het proces over de zorgmachtiging van klager.
3.2 Op 14 oktober 2024 heeft de psychiater met de verpleegkundig specialist een
huisbezoek
afgelegd bij klager. Omdat klager niet thuis was, werd later telefonisch contact
opgenomen met
klager om over de zorgmachtiging te spreken. Tijdens dit gesprek heeft de psychiater
de anamnese
afgenomen en psychiatrisch onderzoek verricht. Als conclusie van het psychiatrisch
onderzoek
vermeldt de psychiater op 14 oktober 2024:
‘Van een eerdere verdenking paranoid psychotisch toestandsbeeld lijkt inderdaad
sprake’ Tevens
wordt in deze conclusie gevaar (maatschappelijke teloorgang) op grond van dit psychiatrisch
toestandsbeeld benoemd. Na het telefoongesprek heeft de psychiater een onafhankelijke
beoordeling
aangevraagd.
3.3 Op 31 oktober 2024 is de behandeling van klager op vrijwillige basis gestart.
De psychiater
die op die dag dienst had, niet zijnde verweerder, heeft met klager gesproken over
passende
medicatie, te weten olanzapine. Deze medicatie is op 4 november 2024 naar aanleiding
van het
vervolgcontact met de verpleegkundig specialist verhoogd door een waarnemend psychiater.
3.4 De onafhankelijke beoordeling heeft plaatsgevonden op 6 november 2026 door een
psychiater
(tevens verweerder in de zaak A2025/9375) waarin als (voorlopige) diagnose staat:
‘Psychotische
stoornis en PTSS’. Deze psychiater adviseerde negatief over de voorgenomen aanvraag
van de
zorgmachtiging door de officier van justitie. Op 7 november 2024 heeft de geneesheer-directeur
de
officier van justitie geïnformeerd dat hij een zorgmachtiging niet noodzakelijk
acht. De officier
van justitie heeft op 26 november 2024 de voorbereiding van de zorgmachtiging beëindigd.
3.5 Op 8 november 2024 is klager tevens gestart met promethazine.
3.6 Op 11 november 2024 hebben de psychiater en de verpleegkundig specialist met
klager gesproken
en is de medicatie geëvalueerd. In de periode daarna wordt de medicatie nogmaals
op verzoek van
klager bijgesteld.
4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Klager verwijt de psychiater – samengevat en naar het college begrijpt – dat
hij:
a) onzorgvuldig heeft gehandeld bij de voorbereiding van de zorgmachtiging;
b) onzorgvuldig is geweest in het verrichten van diagnostiek;
c) onzorgvuldig heeft gehandeld bij de (medicamenteuze) behandeling;
d) onvoldoende regie heeft gevoerd;
e) de verplichtingen inzake informed consent, dossierinzage en beroepsgeheim niet
is nagekomen;
f) onzorgvuldig heeft gehandeld bij de afhandeling van de klacht.
4.2 Klager heeft bij bericht van 3 juni 2026 het klachtonderdeel ten aanzien van
de dossierinzage
ingetrokken.
4.3 De psychiater heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.4 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de
beoordeling wordt
rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld en
overweegt daartoe als volgt.
Klachtonderdeel a) en b) voorbereiding van de zorgmachtiging en diagnostiek
5.3 Klager verwijt de psychiater dat hij klager op 14 oktober 2024 slechts telefonisch
heeft
gesproken en daarna de schizofreniespectrumdiagnose heeft gesteld. Volgens klager
is het niet
gepast dat een psychiater dat via een telefonisch consult vaststelt en duidt dat
tevens op een
onzorgvuldige voorbereiding van de zorgmachtiging. Daarnaast stelt klager zich op
het standpunt dat
de psychiater PTSS als primaire diagnose had moeten stellen. Voorts verwijt klager
de psychiater
dat hij pas op 5 november 2025 hoorde dat hij was gediagnostiseerd met
schizofreniespectrumstoornis.
5.4 Het college stelt voorop dat het verrichten van een eigen psychiatrisch onderzoek
niet alleen
inhoudt dat de psychiater de patiënt spreekt, maar ook betekent dat de psychiater
de reeds bekende
informatie en bronnen bestudeert en meeweegt. De psychiater heeft toegelicht dat
hij bij zijn
onderzoek naar klager kennis had genomen van de eerdere rapportages en het vooronderzoek
dat was
verricht. De psychiater heeft voorts toegelicht dat hij tijdens het telefoongesprek
met klager een
bevestiging hoorde van hetgeen hij eerder in de rapportages had gelezen over klager.
In het medisch
dossier van klager noteerde de psychiater op 14 oktober 2024 uitgebreid over het
telefoongesprek met klager, zijn diagnostische overwegingen daarbij en welke voorlopige
conclusies hij daarbij trok. Het college kan de psychiater
volgen in de door hem beschreven bevindingen en (voorlopige) conclusies. Het feit
dat de psychiater
PTSS niet als primaire diagnose heeft gesteld acht het college ook navolgbaar. In
combinatie met
andere aanwezige stoornissen is het niet gebruikelijk dat PTSS als primaire diagnose
wordt gesteld,
nu PTSS op zichzelf meestal geen reden is voor het afgeven van een zorgmachtiging.
Dat de
psychiater daar dus niet de nadruk op heeft gelegd bij de voorbereiding van de zorgmachtiging
acht
het college begrijpelijk.
5.5 Dat de voorbereiding van de zorgmachtiging en de diagnostiek onzorgvuldig zouden
zijn
verlopen is naar van het college niet gebleken. Deze klachtonderdelen zijn daarom
ongegrond.
5.6 Uit de rapportages in het dossier van de gesprekken met klager komt naar voren
dat de
diagnostische termen ‘psychose’ en ‘psychotische klachten’ regelmatig zijn besproken
met klager en
de leidraad waren voor de (medicamenteuze) behandeling. In het zorgplan/behandelplan
van 24 oktober
2024 wordt ook de diagnose ‘psychotische stoornis’ genoemd. Aangezien op dat moment
nog niet
duidelijk was in welk kader deze psychotische klachten geduid moesten worden (bijvoorbeeld
op
zichzelf staand of uitgelokt door middelengebruik), is toen afgezien van het benoemen
van de
DSM-classificatie. Later, waaronder in de Medische Verklaring van 6 november 2024,
is dat wel
benoemd en is de daarbij behorende term van de DSM-classificatie ‘schizofreniespectrum-
en andere
psychotische stoornissen’ gebruikt. Dat klager eerst op 5 november 2025 hoorde dat
hij was
gediagnostiseerd met schizofreniespectrumdiagnose is dus onjuist.
Klachtonderdeel c), d) en e) medicamenteuze behandeling, informed consent, regie op
de behandeling
en schending beroepsgeheim
5.7 Klager verwijt de psychiater – samengevat – dat er zonder informed consent
medicatie aan hem
is toegediend, dat er onzorgvuldig is omgegaan met de op- en afbouw van medicatie
en dat de
medicatie is ingezet voor de onjuiste doeleinden. Daarnaast verwijt klager de psychiater
dat hij
onvoldoende regie heeft gevoerd op de behandeling van klager en zijn beroepsgeheim
heeft geschonden
door contact op te nemen met Jellinek over de verslaving van klager.
5.8 Het college stelt voorop dat uit het medisch dossier en hetgeen daarover door
de psychiater
is toegelicht blijkt dat klager iedere keer betrokken is bij de keuze voor medicatie,
dan wel de
aanpassing daarvan. Klager heeft ook iedere keer ingestemd met de keuzes die daarin
zijn gemaakt.
Dat geen sprake zou zijn van informed consent is door klager niet verder onderbouwd
en vindt geen
steun in het medisch dossier. Uit het medisch dossier volgt dat er door de betrokken
behandelaren
juist goed is geluisterd naar de wensen van klager over zijn medicatie en er iedere
keer sprake is
geweest van een gezamenlijke besluitvorming. Evenmin heeft klager onderbouwd dat
de bijwerkingen
van de medicatie onvoldoende zijn gemonitord en dat hij van de medicatie de door
hem gestelde bijwerkingen heeft
ondervonden.
5.9 Het college stelt vast dat klager het verwijt dat de psychiater onvoldoende
regie heeft
gevoerd bij de behandeling van klager niet nader heeft onderbouwd. Uit het medisch
dossier blijkt
dat de psychiater heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend psychiater wordt
verwacht. Het
enkele feit dat sommige onderdelen van de behandeling door andere professionals
zijn uitgevoerd,
maakt dit niet anders.
5.10 Dat de psychiater zijn beroepsgeheim zou hebben geschonden door contact op te
nemen met
Jellinek is naar het oordeel van het college evenmin gebleken. De psychiater heeft
toegelicht dat
hij nooit contact heeft opgenomen met Jellinek. Het medisch dossier en de toelichting
van partijen
daarop geeft het college geen aanleiding om aan te nemen dat er wel contact zou
zijn geweest met
Jellinek.
5.11 Ook het verwijt van klager dat hij vanaf het begin is geobserveerd door medewerkers
van de
instelling vanuit het huis van buurman slaagt niet. De psychiater betwist dit en
uit camerabeelden
die klager heeft overgelegd blijkt dit niet.
5.12 Het college oordeelt dat de psychiater op deze onderdelen niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar
heeft gehandeld. Deze klachtonderdelen zijn daarom ongegrond.
Klachtonderdeel f) afhandeling van de klacht
5.13 Klager verwijt de psychiater dat hij enkel ‘procedureel heeft gereageerd’
op de door hem
ingediende klacht bij de interne klachtencommissie van de ggz-instelling. De psychiater
heeft
toegelicht dat hij, omwille van de ontbrekende toestemming van klager om de psychiater
toegang te
geven tot de rapportages van klager, zich slechts procedureel heeft kunnen verweren
in de
klachtenprocedure.
5.14 Het college acht de uitleg van de psychiater hierover navolgbaar en acht deze
handelwijze van
de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, zodat dit klachtonderdeel ook ongegrond
is.
Slotsom
5.15 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 2 oktober 2026 door P.J. van Eekeren, voorzitter, C.H.
van Dijk,
lid-jurist, C.M. Sonnenberg, A.C.M. Kleinsman en H.J. Kolthof, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door V.K.M. Hanssen, secretaris.