ECLI:NL:TADRAMS:2026:211 Raad van Discipline Amsterdam 25-903/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:211
Datum uitspraak: 28-09-2026
Datum publicatie: 02-10-2026
Zaaknummer(s): 25-903/A/A
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Verzet ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 28 september 2026
in de zaak 25-903/A/A
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 2 maart 2026 op de klacht van:

klager
over
verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 11 juni 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 24 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2497383/EvRT/FS van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 2 maart 2026 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is dezelfde dag verzonden aan partijen.
1.4 Op 29 maart 2026 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op 30 maart 2026 ontvangen.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 14 augustus 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.

2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in.
2.2 Klager meent dat het oordeel van de voorzitter het gevolg is van bewust partijdig handelen door de voorzitter ten gunste van verweerder, voortvloeiend vanuit bias en vooringenomenheid. Het aanwezige bewijs is volgens klager door de voorzitter verkeerd gewaardeerd en relevante stukken zijn genegeerd. Dat de uithuisplaatsing van klager is gerealiseerd ondanks een WLZ-indicatie en recht op een PGB en dat viel op geen enkele manier te rechtvaardigen. Ondanks duidelijke instructies van klager heeft verweerder nagelaten om dat als argument aan te voeren, te onderzoeken en dat met klager te bespreken, met grote negatieve gevolgen voor klager. Ook tijdens de zitting heeft verweerder niet volgens de vooraf bepaalde strategie in het belang van klager gehandeld maar in het belang van de wederpartij.
2.3 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.

3 FEITEN EN KLACHT
Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.

4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.


BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. P.J. Mijnssen en M.J.E. van den Bergh, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 28 september 2026.

Griffier Voorzitter
Verzonden op: 28 september 2026