ECLI:NL:TGZRAMS:2026:229 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9375

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:229
Datum uitspraak: 02-10-2026
Datum publicatie: 02-10-2026
Zaaknummer(s): A2025/9375
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. Klager is op vrijwillige basis behandeld door verschillende psychiaters. Verweerder heeft een verklaring opgesteld in het kader van de voorbereiding van een zorgmachtiging. Het college kan de psychiater volgen in zijn diagnostische overwegingen om tot de voorlopige diagnose van psychotische stoornis en PTSS te komen. Alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond verklaard.

A2025/9375
Beslissing van 2 oktober 2026

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 2 oktober 2026 op de klacht van:


A,
wonende in B, klager,

tegen


C,
psychiater,
werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. A.K.M.T. Rongen, werkzaam te Rotterdam.


1. De zaak in het kort
1.1   De psychiater heeft op 6 november 2024 een medische verklaring opgesteld over klager. In de 
medische verklaring is verweerder tot de diagnose psychotische stoornis en PTSS (posttraumatische 
stressstoornis) gekomen. Klager verwijt de psychiater dat hij – samengevat – in dat kader een 
onzorgvuldige psychiatrische beoordeling heeft verricht en een onjuiste diagnose heeft gesteld.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. 
Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift, ontvangen op 4 december 2025;
-  het aanvullende klaagschrift met de bijlagen;
-  het verweerschrift met een bijlage;
-  de aanvullende stukken van de zijde van klager van 21 april 2026;
-  het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 2 juni 2026;
-  het bericht van 4 juni 2026 van de zijde van klager, inhoudende een intrekking van een
klachtonderdeel.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De klacht en de reactie van de psychiater
3.1  Klager verwijt de psychiater – samengevat en naar het college begrijpt – dat hij:
a) een onzorgvuldige psychiatrische beoordeling heeft verricht;
b) een onjuiste medische verklaring heeft opgesteld;
c) een onjuiste diagnose heeft gesteld;
d) verantwoordelijk is voor de overname van deze diagnose door andere zorgverleners;
e) onbevoegd inzage in het medisch dossier heeft gehad;
f) heeft geadviseerd tot het toepassen van indirecte dwang;
g) procedureel heeft gehandeld en gereageerd.

3.2  Klager heeft bij bericht van 3 juni 2026 klachtonderdeel e) ingetrokken. Dat klachtonderdeel 
behoeft dus geen beoordeling.

3.3  De psychiater heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

3.4  Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

4. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
4.1   De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De 
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk 
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

4.2   Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het 
college zal, gelet op de onderlinge samenhang, de klachtonderdelen a), b) en
c) hierna gezamenlijk behandelen. Dat geldt ook voor de klachtonderdelen f) en g).

Klachtonderdelen a), b) en c) de medische verklaring
4.3   Het college stelt vast dat verweerder enkel betrokken is geweest bij de beoordeling van 
klager in het kader van het opstellen van de medische verklaring. In de medische verklaring heeft 
hij als voorlopige diagnose gesteld dat er sprake is van psychotische stoornis en PTSS. Uit het 
medisch dossier van klager blijkt dat de psychiater verder niet betrokken is geweest bij de 
behandeling van klager.

4.4   Klager stelt zich op het standpunt dat de psychiater tijdens het gesprek niet op de hoogte 
was van belangrijke gebeurtenissen voor klager, zoals zijn PTSS-achtergrond, het feit dat hij 
eerder was gedrogeerd met het verdovende middel LSD en zijn voorgeschiedenis met langdurige intimidatie. Klager verwijt de psychiater dat hij deze omstandigheden op een 
onzorgvuldige en foutieve wijze heeft meegewogen in het stellen van een diagnose. Daarbij acht 
klager het tevens verwijtbaar dat de psychiater alleen naar het recente dossier heeft gekeken en 
niet naar het gehele medische dossier.

4.5   Verweerder heeft een verklaring opgesteld in het kader van de voorbereiding van een 
zorgmachtiging. De taak van de psychiater op zo’n moment is om de betrokkene zelf te onderzoeken 
maar ook om de verschillende beschikbare bronnen te wegen en te betrekken bij het opstellen van de 
medische verklaring.

4.6   Op basis van het medisch dossier en de toelichting van de psychiater in het verweerschrift 
stelt het college vast dat de psychiater alle informatie zorgvuldig heeft meegewogen bij het 
opstellen van de medische verklaring. Het college kan de psychiater volgen in zijn diagnostische 
overwegingen om tot deze voorlopige diagnose te komen. Het feit dat deze diagnose overeenkomt met 
een door een andere psychiater eerder gestelde diagnose, doet daar niet aan af en is ook niet in 
strijd met de onafhankelijkheid van de psychiater. Dat de psychiater een onzorgvuldige 
psychiatrische beoordeling heeft verricht is het college dan ook niet gebleken. De psychiater kan 
terzake dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

4.7  Het voorgaande leidt ertoe dat al deze klachtonderdelen ongegrond zijn.

Klachtonderdeel d) overname van deze diagnose door andere zorgverleners
4.8   Klager verwijt de psychiater dat hij door het stellen van de diagnose in de medische 
verklaring ook verantwoordelijk is voor het overnemen van deze diagnose door andere zorgverleners.

4.9   Het uitgangspunt is dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun 
eigen handelen. De situatie dat een (voorlopige) diagnose wordt overgenomen door andere 
zorgverleners doet – wat daar verder van zij – er niet af aan dat de psychiater geen 
verantwoordelijkheid draagt voor het handelen van andere zorgverleners. Dit klachtonderdeel is 
daarom ongegrond.

Klachtonderdelen f) en g) het adviseren tot dwang en procedureel handelen en reageren
4.10  Klager verwijt de psychiater dat hij heeft geadviseerd tot het toepassen van indirecte dwang. 
Daarnaast verwijt klager de psychiater dat hij procedureel heeft gehandeld en gereageerd.

4.11  Uit het medisch dossier blijkt dat de psychiater niet betrokken is geweest bij de aanvraag 
van de zorgmachtiging, maar enkel de onafhankelijke beoordeling heeft verricht. Door klager is niet 
nader onderbouwd op welke wijze de psychiater geadviseerd zou hebben over indirecte dwang. Dit 
verwijt faalt daarom.

4.12  Het verwijt dat de psychiater procedureel heeft gehandeld en gereageerd in het 
zorgmachtigingstraject en tijdens de klachtenprocedure faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

4.13  Beide klachtonderdelen zijn daarom ongegrond.


Slotsom
4.14  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond 
zijn.

5. De beslissing

Het college:
verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 2 oktober 2026 door P.J. van Eekeren, voorzitter, C.H. van Dijk, 
lid-jurist, C.M. Sonnenberg, A.C.M. Kleinsman en H.J. Kolthof, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door V.K.M. Hanssen, secretaris.