ECLI:NL:TAHVD:2026:314 Hof van Discipline 's Gravenhage 260178

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:314
Datum uitspraak: 02-10-2026
Datum publicatie: 02-10-2026
Zaaknummer(s): 260178
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De termijn voor het beroep tegen het vonnis van 4 mei 2021 is (ruimschoots) is verstreken. De deken heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de procedure die klager alsnog wil voeren kansloos is. Reeds om die reden is het beklag ongegrond.


Beslissing van 2 oktober 2026
in de zaak 260178

    
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

    
klager
    
tegen:
    
mr. E.A.C. van de Wiel
Deken van de Orde van Advocaten 
in het arrondissement Noord-Nederland

de deken

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken
1.1    Klager heeft op 16 maart 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 7 mei 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de procedure die klager wil starten geen kans van slagen heeft.

Bij het hof
1.3    Klager heeft op 19 mei 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier:
-    het verweer van de deken

1.5    Het hof heeft het beklag van klager schriftelijk behandeld op basis van de stukken in het dossier. 

2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Klager heeft verzocht om aanwijzing van een advocaat. Het verzoek heeft betrekking op een huisuitzetting die heeft plaatsgevonden op 28 juni 2021. Klager heeft aangegeven dat hij wegens overmacht geen beroep heeft kunnen aantekenen tegen het verstekvonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 4 mei 2021. Ook wil klager een procedure starten tegen het CAK omdat er ten onrechte een bedrag van € 983,88 is afgeschreven nu klager een half jaar geen zorgpremie zou hebben betaald. Klager meent dat de huisuitzetters deze boete hadden moeten krijgen omdat de huisuitzetting onterecht was. 

2.2    De deken heeft het verzoek afgewezen omdat de termijn voor het instellen van verzet tegen het verstekvonnis van 4 mei 2026 inmiddels ruimschoots is verstreken. Het starten van een procedure tegen de huisuitzetting heeft geen enkele kans van slagen. Ook voor een procedure tegen het CAK wijst de deken geen advocaat aan. Dit betref een procedure bij de kantonrechter, hiervoor is een advocaat niet verplicht. 

2.3    De deken heeft klager gewezen op de mogelijkheid om met behulp van het Juridisch Loket een advocaat te vinden. Ook kan klager zich laten bijstaan door een jurist.

3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag
3.1    Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klager heeft aangevoerd dat hij wel begrijpt dat de beroepstermijn is verstreken. Dan rest volgens klager de aanwijzing van een advocaat die met zijn of haar juridische kennis een andere mogelijkheid moet opsporen om het aan hem toegebrachte leed en onrecht uit de wereld te helpen.

3.2    Klager heeft uiteengezet dat hij vóór de uithuiszetting brieven heeft afgeleverd bij de Hoofdofficier van Justitie te Groningen en bij de Commissaris van de Politie over het dagelijks timmeren van de buren. Het Meldpunt Overlast greep na talloze telefonische klachten niet in. Uiteindelijk is klager zijn huis uitgezet, en later ook uit de opvang. Klager stelt dat als het Meldpunt Overlast dan wel de Hoofdofficier van Justitie dan wel de Commissaris van de Politie de burentimmeroverlast tot stilstand had weten te brengen, hij niet zijn huis was uitgezet. Dat wil klager bij een rechter aangekaart zien. 

Verweer
3.3    De deken heeft aangevoerd dat het ordebureau geen eerstelijnshulp biedt aan rechtzoekenden. De deken is daartoe niet bevoegd en bekwaam. Verder is het standpunt dat een procedure in 2026 tegen een (verstek)ontruimingsvonnis uit 2021 volstrekt onhaalbaar is, herhaald. 


4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2    Aangezien de termijn voor het beroep tegen het vonnis van 4 mei 2021 inmiddels (ruimschoots) is verstreken, heeft de deken zich terecht op het standpunt gesteld dat de procedure die klager alsnog wil voeren kansloos is. Reeds om die reden is het beklag ongegrond.

4.3    Met betrekking tot de procedure die klager tegen het CAK wil voeren, heeft de deken zich terecht op het standpunt gesteld dat deze procedure bij de kantonrechter kan worden gevoerd. Hiervoor is bijstand van een advocaat niet vereist.

4.4    Op grond van het voorgaande zal het beklag ongegrond worden verklaard.


5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 7 mei 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en F.C. van der Jagt-Vink, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026.

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 2 oktober 2026.