ECLI:NL:TADRAMS:2026:213 Raad van Discipline Amsterdam 26-675/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:213 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-09-2026 |
| Datum publicatie: | 02-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-675/A/NH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klagers hebben zich beklaagd over ingenomen stellingen, uitlatingen en bewijsstukken tijdens een procedure. De klacht is kennelijk ongegrond. Verweerster heeft geen tuchtrechtelijke normen overschreden. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van
28 september 2026
in de zaak 26-675/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klagers
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 30 juli 2026 met kenmerk mr/ss/25-599/2542618, door de raad ontvangen op 30 juli 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klagers zijn in een juridisch geschil verwikkeld geraakt met N. Het geschil
ging over de vraag of N al dan niet een onroerende zaak aan klagers heeft verkocht.
1.2 Klagers hebben conservatoir leveringsbeslag gelegd en zijn vervolgens bij
de rechtbank een procedure gestart tegen N. Klagers zijn bij vonnis van 13 juli 2022
in het ongelijk gesteld. In hoger beroep zijn klagers bij arrest van 20 augustus 2024
ook in het ongelijk gesteld. Zij zijn verder veroordeeld tot vergoeding van de door
N geleden schade als gevolg van het onrechtmatig gelegde conservatoire leveringsbeslag.
Bij vonnis van 21 januari 2026 heeft de rechtbank de hoogte van de door klagers te
betalen schadevergoeding vastgesteld.
1.3 Het kantoor van verweerster vertegenwoordigt N sinds mei 2021. Verweerster
is in april 2023 – gedurende het hoger beroep – bij het dossier van N betrokken geraakt.
1.4 Op 23 december 2025 hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over
verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten
verweerster dat zij:
a) tegenstrijdige en onzorgvuldige stellingen heeft ingenomen over een juridisch
cruciaal moment;
b) haar procesvoering structureel heeft gebaseerd op een onjuist en onvolledig
feitencomplex;
c) lichtvaardig en escalerend ernstige beschuldigingen heeft geponeerd op basis
van achteraf geconstrueerde documenten;
d) een gebrek heeft aan professionele distantie heeft getoond en procesruimte
heeft misbruikt;
e) niet-authentieke documenten heeft ingebracht en gehandhaafd zonder reactie
op gemotiveerde weerlegging.
2.2 Ter toelichting voeren klagers het volgende aan.
2.3 Met betrekking tot klachtonderdelen a en b stellen klagers, kort gezegd,
dat in de civiele procedures het moment centraal stond waarop N kennis zou hebben
genomen van de verkoop aan klagers. Verweerster heeft in meerdere processtukken gesteld
dat N pas op 5 mei 2021 kennis had van de verkoop en dat voor die datum geen gesprek
of overleg had plaatsgevonden. Het bestaan van een gesprek op 21 april 2021 is uitdrukkelijk
ontkend. In een latere fase, tijdens de schadestaatprocedure, heeft verweerster een
e-mail in het geding gebracht waaruit blijkt dat er op 21 april 2021 wel een gesprek
had plaatsgevonden, waarin het pad, beslag en de verkoop zijn besproken. Kennis van
de koop per 21 april 2021 impliceert dat betrokkenen vóór 5 mei 2021 wel degelijk
op de hoogte waren van de verkoop. Dat zijn tegenstrijdige feitelijke stellingen.
Verweerster heeft haar stellingname niet gecorrigeerd of herzien. Verweerster heeft
daardoor een selectief en onvolledig feitencomplex gepresenteerd en gehandhaafd.
2.4 Met betrekking tot klachtonderdeel c stellen klagers dat verweerster hen
zeer ernstige verwijten heeft gemaakt zonder feitelijke grondslag. Ter onderbouwing
van haar beschuldigingen heeft verweerster zich gebaseerd op twee achteraf door de
zonen van N geconstrueerde A4-documenten, die zijn ingebracht als feitelijke onderbouwing
van de verwijten. Deze documenten bevatten echter een eenzijdige weergave van vermeende
gebeurtenissen en afspraken, kwalificaties, suggesties en conclusies van het handelen
van klagers. Ondanks dat klagers de documenten gemotiveerd hebben weersproken en weerlegd,
heeft verweerster daarvan geen afstand genomen, geen nuancering aangebracht en geen
inhoudelijke reactie gegeven over totstandkoming. Dit is in strijd met de vereiste
zorgvuldigheid, proportionaliteit en professionele distantie.
2.5 Met betrekking tot klachtonderdeel d stellen klagers dat verweerster tijdens
de procedure bij herhaling zware kwalificaties, persoonlijke verwijten en normatieve
oordelen over klagers heeft opgenomen, die verder gingen dan noodzakelijk. Dit getuigt
van een gebrek aan professionele distantie.
2.6 Met betrekking tot klachtonderdeel e stellen klagers dat verweerster de vordering
van N heeft gebaseerd op documenten, waarvan de juistheid en authenticiteit gemotiveerd
door klagers zijn weersproken. Verweerster heeft desondanks geen correctie aangebracht
of afstand genomen van de documenten. Dit is in strijd met gedragsregel 21 en de tuchtrechtelijke
norm dat een advocaat niet mag misleiden.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 De zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf
die bij de beoordeling daarvan moet worden aangelegd, is mede ingegeven door de kernwaarde
partijdigheid die een advocaat in acht behoort te nemen en houdt het volgende in.
Een advocaat geniet een grote ruime mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt
te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid is niet absoluut
en kan onder meer beperkt worden doordat (a) de advocaat zich niet onnodig grievend
mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen feiten mag poneren waarvan
hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, en (c) de advocaat bij de behartiging
van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig
mag schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen
van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt
hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts
in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat
behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt
wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat
hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van
middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig
noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij
toebrengen.
4.2 De voorzitter merkt op voorhand op dat de tuchtrechter geen inhoudelijk oordeel
kan geven over het onderliggende geschil tussen klagers en N. Uitsluitend ligt ter
beoordeling voor of verweerster tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld.
4.3 Klachtonderdelen a. en b. lenen zich voor een gezamenlijke behandeling, nu
beide zien op de stellingnames van verweerster over het moment waarop haar cliënte
kennis had van de koop. Naar het oordeel van de voorzitter falen deze beide klachtonderdelen.
Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake geweest. Verweerster heeft
erop gewezen dat zij - als partijdig belangenbehartiger - het standpunt van haar cliënte
heeft verwoord en daarbij is afgegaan op de informatie die zij van haar cliënt ontving.
De kernwaarde partijdigheid brengt met zich dat verweerster door haar cliënt verstrekte
informatie in beginsel ook in het geding mag brengen. Slechts in uitzonderingsgevallen
is zij gehouden de juistheid daarvan te verifiëren. Dat zo’n uitzonderingsgeval zich
hier voordeed, is de voorzitter niet gebleken (en door klagers is ook onvoldoende
toegelicht dat daarvan sprake zou zijn). Dat klagers het niet eens zijn met de (verschillende)
standpunten die verweerster namens haar cliënte heeft ingenomen, maakt het verkondigen
van die standpunten nog niet tuchtrechtelijk laakbaar. Ook voorzover klagers verweerster
verwijten dat zij in verschillende procedures aan verklaringen van dezelfde persoon
een veranderende betrouwbaarheidswaarde hecht, faalt de klacht. Zoals hiervoor is
weergegeven heeft een advocaat een ruime vrijheid om de belangen van zijn cliënt te
behartigen op een manier die hem passend voorkomt. Klagers hebben, tegen deze achtergrond,
onvoldoende toegelicht waarom het verweerster niet zou zijn toegestaan om dezelfde
e-mail van mevrouw Nooij in de procedure voor verschillende doeleinden in te brengen.
Klachtonderdelen a. en b. komen, gelet op het voorgaande, ongegrond voor.
4.4 Klachtonderdelen c, d. en e. lenen zich eveneens voor een gezamenlijke behandeling.
Ook bij deze klachtonderdelen geldt dat verweerster de stukken die zij van haar cliënt
heeft ontvangen heeft ingebracht in de procedure. Net als hiervoor is overwogen hoefde
verweerster de juistheid van de van haar cliënt ontvangen informatie in beginsel niet
te verifiëren. Uit het feit dat klagers de authenticiteit of betrouwbaarheid van de
informatie hebben betwist, volgt nog niet dat verweerster de informatie niet mocht
gebruiken in een procedure. Verweerster is gehouden partijdig te zijn en op te komen
voor de belangen van haar cliënte. Hoewel de voorzitter er begrip voor heeft dat klagers
de inhoud van bepaalde standpunten of stukken vervelend kunnen hebben gevonden, of
het daarmee niet eens zijn, maakte dat niet dat deze niet in rechte kunnen worden
ingebracht. De bewijswaardering van de stukken is voorbehouden aan de rechter. Dat
verweerster in de gegeven omstandigheden gehouden was nader onderzoek te doen naar
de juistheid van de informatie die zij ontving, is de voorzitter niet gebleken en
is ook onvoldoende toegelicht. Voor zover klagers zich erover hebben beklaagd dat
verweerster later in de procedure in het kader van het partijdebat, eerder ingenomen
standpunten heeft genuanceerd, en heeft erkend dat bepaalde kwalificaties niet terecht
waren, maakt dat niet meteen dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Van schending van gedragsregel 21 of misleiding van de rechter is niet gebleken. De
stukken geven er ook geen blijk van dat verweerster onnodig grievende uitlatingen
heeft gedaan.
4.5 Klachtonderdelen c, d. en e. komen op grond van het voorgaande eveneens ongegrond
voor.
4.6 De voorzitter komt tot de conclusie dat verweerster de grenzen van de haar
toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij van klagers niet heeft overschreden.
Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen is niet gebleken. Daarom verklaart de voorzitter
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. S. Homringhausen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 28 september 2026