ECLI:NL:TADRAMS:2026:210 Raad van Discipline Amsterdam 26-118/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:210
Datum uitspraak: 28-09-2026
Datum publicatie: 02-10-2026
Zaaknummer(s): 26-118/A/A
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Naar het oordeel van de raad heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar een beroepsfout gemaakt door een termijn te laten verstrijken. Verweerder heeft na ontdekking van de fout daarvoor excuses aan klaagster aangeboden en daarvan melding gedaan bij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar en klaagster daarover geïnformeerd. Ook heeft verweerder klaagster duidelijk en herhaaldelijk schriftelijk uitgelegd dat erkenning van zijn beroepsfout niet automatisch betekent dat hij volledig opdraait voor de mogelijke financiële gevolgen daarvan voor klaagster. Klaagster had daarna de mogelijkheid om op zijn aanbod in te gaan om een civiele procedure te starten maar heeft daarvoor niet meteen gekozen. Nadat verweerder zich door de ontstane vertrouwensbreuk als haar advocaat heeft onttrokken, kon klaagster niet meer van verweerder verlangen dat hij alsnog werkzaamheden voor haar zou doen. Verweerder heeft naar het oordeel van de raad aldus schadebeperkend en oplossingsgericht en ook in het belang van klaagster gehandeld. Een maatregel kan in dit geval dan ook achterwege blijven.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 28 september 2026 in de zaak 26-118/A/A
naar aanleiding van de klacht van:


klaagster 

over

verweerder


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 8 augustus 2025, aangevuld op 17 en 18 september 2025, heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 12 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2510989/EvR/AS van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 14 augustus 2026. Daarbij waren klaagster en verweerder, tijdens de zitting bijgestaan door (naam) aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mails met bijlagen van 14 en 17 februari 2026 van klaagster en de e-mail met bijlagen van 4 maart 2026 van verweerder. 

2    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1    Op 25 april 2024 heeft klaagster haar klacht over de overkreditering bij een hypotheek van ING Bank voorgelegd aan die bank.  
2.2    Op 26 augustus 2024 heeft de ING Bank een definitief standpunt ingenomen over de klacht en klaagster doorverwezen naar het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (hierna: Kifid). 
2.3    Op 19 september 2024 heeft klaagster aan verweerder stukken gestuurd en hem gemeld dat in de meegezonden brief van 26 augustus 2024 van de ING Bank staat dat zij binnen drie maanden juridische actie moet ondernemen. 
2.4    Op 30 september 2024 heeft verweerder de hem verstrekte opdracht onder meer als volgt aan klaagster bevestigd:
U heeft een hypothecaire geldlening afgesloten bij ING Bank. U heeft ons geïnformeerd dat de bank onrechtmatig jegens u heeft gehandeld omdat er sprake is van overkreditering, meer in het algemeen schending van de bancaire zorgplicht.
Werkzaamheden
U verzocht ons om:
- Schriftelijk advies
- Bijstand in verband met een procedure.
2.5    Verweerder heeft op 24 oktober 2024 met toestemming van klaagster documenten en informatie bij ING Bank opgevraagd. 
2.6    Na ontvangst van de opgevraagde stukken bij de bank heeft verweerder op 10 februari 2025 aan klaagster voorgesteld om daarover op 11 februari 2025 telefonisch overleg te hebben. 
2.7    Op 13 februari 2025 heeft klaagster aan verweerder gemaild dat zij elkaar nog niet hebben gesproken over de stukken.
2.8     Op 8 april 2025 heeft verweerder aan klaagster bericht dat hij bezig was met de klachtbrief die hij op 23 april 2025 vervolgens in concept aan klaagster heeft gestuurd.
2.9    Op 6 mei 2025 heeft verweerder, met instemming van klaagster, bij Kifid een klacht over ING ingediend. 
2.10    Op 14 mei 2025 heeft Kifid aan verweerder bericht dat Kifid de op 9 mei 2025 van klaagster ontvangen klacht niet in behandeling kan nemen omdat deze te laat is ingediend. De klacht had door klaagster moeten worden ingediend binnen één jaar nadat de klacht voor het eerst aan de financiële dienstverlener is voorgelegd (uiterlijk 25 april 2025) óf binnen drie maanden na de datum waarop de dienstverlener zijn definitief standpunt duidelijk heeft gemaakt (uiterlijk 26 november 2024). 
2.11    Op 28 mei 2025 heeft verweerder namens klaagster bezwaar gemaakt tegen de beslissing van Kifid van 14 mei 2025. 
2.12    Op 24 juni 2025 heeft Kifid aan verweerder bericht dat de beslissing van 14 mei 2025 op terechte gronden is genomen en er geen redenen zijn om de klacht van klaagster alsnog in behandeling te nemen. Kifid heeft in dit kader onder meer geschreven:
Ik volg u niet in uw standpunt dat de termijnoverschrijving [klaagster] niet kan worden verweten. Voor deze beslissing is het volgende redengevend.
In haar brief van 10 februari 2025 heeft ING Bank u gewezen op het feit dat de interne klachtprocedure met de brief van 26 augustus 2024 is beëindigd. ING heeft geen nieuw standpunt ingenomen. Wel heeft ING u een groot aantal van de door u gevraagde aanvullende documenten en informatie doen toekomen. ING heeft u in deze brief gewezen op de geldende termijnen. Mede op basis van de op 10 februari 2025 verkregen documenten en informatie heeft u de klacht van [klaagster] geformuleerd en bij Kifid ingediend. Dit was echter te laat, zoals uitgelegd in de beslissing van 14 mei 2025. Dat u heeft moeten wachten op een reactie van ING op uw brief van 24 oktober 2024 maakt niet dat u niet eerder de klacht had kunnen indienen. U heeft onvoldoende onderbouwd waarom het niet mogelijk was om de klacht binnen de termijn van vraag 7 onder 1 sub a van het reglement (in dit geval aflopend op 25 april 2025) in te dienen. Daarom gaat uw beroep op de uitzondering van vraag 7 onder 3 van het reglement niet op. 
2.13    In zijn e-mail van 3 juli 2025 heeft verweerder de met klaagster tijdens een gesprek gemaakte afspraken bevestigd, te weten dat hij voor haar een kort advies zal schrijven over verjaring en tijdig klagen, hij een nieuwe toevoeging voor de civiele procedure zal aanvragen waarvoor hij aan klaagster geen wettelijke bijdrage in rekening zal brengen. Daarop heeft klaagster dezelfde dag gereageerd dat verweerder in haar optiek al een toevoeging voor de procedure had aangevraagd en de omstandigheid dat de zaak alsnog naar de rechtbank moet, haar niet is aan te rekenen. In reactie hierop heeft verweerder klaagster diezelfde avond gemaild dat hij niet had gezegd of had geschreven dat klaagster iets valt aan te rekenen en niet begrijpt waarover die opmerking gaat.
2.14    Op 4 juli 2025 heeft klaagster aan verweerder geschreven dat zij ervan uitgaat dat hij zijn verantwoordelijkheid neemt voor de schade als gevolg van zijn beroepsfout, waaronder het starten van een civiele procedure. 
2.15    Op 17 juli 2025 heeft een overleg plaatsgevonden tussen klaagster en verweerder. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder in zijn e-mail aan klaagster een uitgebreide toelichting gegeven op de procesrisico’s, kosten en mogelijke verweren bij het instellen van een civiele vordering tegen ING Bank. Ten aanzien van de juridische kosten van een mogelijk te starten civiele procedure heeft verweerder geschreven:
Het is betreurenswaardig dat de termijn bij het Kifid inmiddels is verstreken.
Met betrekking tot de vergoeding van de daardoor eventueel ontstane (additionele) kosten, behoud ik mij uitdrukkelijk alle rechten voor. De reden daarvan is dat de verzekeraar te zijner tijd zelfstandig zal beoordelen of deze meerkosten redelijkerwijs voor mijn en daarmee normaal gesproken haar rekening dienen te komen vanwege het verstrijken van de termijn.
Ik wijs u hier nadrukkelijk op, omdat ik wil voorkomen dat u de veronderstelt dat dergelijke kosten per definitie – geheel of gedeeltelijk – door mijzelf dan wel door mijn verzekeraar zullen worden gedragen. (…)
Wilt u mij bevestigen dat u inderdaad een procedure wilt instellen of juist daarvan af wilt zien. 
 2.16    Op 25 juli 2025:
– om 7:25 uur: heeft klaagster verweerder formeel in een e-mail aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van de door hem gemaakte beroepsfout buiten haar schuld. Verder heeft zij geschreven:
Voordat ik mij uitlaat over het al dan niet voortzetten van de civiele procedure, ontvang ik graag van u:
1. Een schriftelijke verklaring over de gang van zaken rondom de termijnoverschrijding bij Kifid;
2. Uw standpunt over de (mogelijke) beroepsfout en eventuele dekking daarvan via uw beroepsaansprakelijkheidsverzekering;
3. Een bevestiging dat eventuele kosten van een civiele procedure die het gevolg zijn van het vervallen van de Kifid-route, voor uw rekening (of die van uw verzekeraar) komen.
Tot dat moment geef ik géén toestemming voor het voortzetten van de procedure bij de civiele rechter, noch aanvaarding van bijbehorende kostenrisico’s.
Ik vertrouw op een spoedige en constructieve reactie van uw zijde, uiterlijk binnen 10 werkdagen. 
- om 13:49 uur: heeft verweerder aan klaagster gemaild dat hij direct na zijn vakantie op de kwestie terugkomt. Verder heeft hij haar geschreven:
Dat de termijn is overschreden is op zichzelf vervelend. Of de eventuele gevolgen daarvan automatisch voor mijn rekening komen, is aan de verzekeraar om te beoordelen. Daarbij dient immers voldoende causaal verband te bestaan tussen de termijnoverschrijding en de eventuele kosten of schade. 
2.17    Op 28 augustus 2025:
- om 12:59 uur:  heeft verweerder onder andere aan klaagster geschreven dat hij op haar verzoek bij zijn verzekeraar kenbaar heeft gemaakt dat klaagster het niet eens was met de motivatie tot afwijzing van de aansprakelijkheid van verweerder. Verweerder heeft aan klaagster de gegevens van zijn contactpersoon verstrekt en haar gewezen op haar wettelijke plicht om schade te beperken door een civiele procedure tegen de bank te starten. En:
U heeft echter eerder aangegeven hiervan voorlopig af te zien, waardoor de verzekeraar naar verwachting het standpunt zal innemen dat de gevolgen hiervan voor uw risico en rekening zijn. 
U heeft mij eerder geïnformeerd dat u zelf de verjaring heeft gestuit en dat u de relevante bescheiden die dit kunnen aantonen zou doen toekomen. Deze documenten heb ik tot op heden nog niet ontvangen. 
Ter voorkoming van verjaringsproblemen zal ik de bank derhalve vandaag nog een e-mail sturen om de verjaring formeel te stuiten.    
- om 13:53 uur: heeft klaagster aan verweerder laten weten dat door zijn beroepsfout voor haar de laagdrempelige buitengerechtelijke route via Kifid verloren is gegaan en de stuitingsbrief daar niets aan verandert. En verder: 
De schade is dus niet alleen gelegen in de eventuele extra proceskosten van een civiele procedure, maar vooral in het verlies van de reële kans om mijn klacht door Kifid inhoudelijk te laten beoordelen en mogelijk toegewezen te krijgen (“kansschade”).
2.18    In een brief van 6 oktober 2025 heeft de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van verweerder zijn aansprakelijkheid erkend, maar de door klaagster geclaimde schade betwist. Verder constateert de verzekeraar dat klaagster het aanbod van verweerder om een civiele procedure te starten niet heeft geaccepteerd met de suggestie aan klaagster om dat alsnog te doen. 

3    KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door: 
a)    de klacht bij het Kifid te laat in te dienen, waardoor deze niet-ontvankelijk is verklaard en klaagster daardoor kansschade heeft geleden, omdat haar daardoor de mogelijkheid om haar klacht op een laagdrempelige en consumentvriendelijke wijze door Kifid te laten behandelen definitief is ontnomen;
b)    klaagster daarna te adviseren, en daarmee de gevolgen van zijn beroepsfout op klaagster af te wentelen, om een zwaardere en risicovollere civiele procedure te starten om haar schade op de ING te verhalen, terwijl deze enige beschikbare rechtsgang was uitgesloten door de gemaakte keuze voor een bindend advies van het Kifid.

4    VERWEER 
Klachtonderdeel a)
4.1    Verweerder erkent en betreurt dat hij een beroepsfout heeft gemaakt doordat hij de klacht van klaagster bij Kifid te laat heeft ingediend. 
4.2    Voor het herstellen van de daardoor ontstane situatie heeft hij zijn verantwoordelijkheid genomen en alle noodzakelijke maatregelen getroffen om de gevolgen te beperken. Hij heeft direct een gemotiveerd verweer gevoerd tegen de buitenbehandelingstelling van de klacht door Kifid. Helaas heeft dat de situatie voor klaagster bij het Kifid niet veranderd. Ook heeft hij zijn verzekeraar meteen nadat hij door klaagster aansprakelijk is gesteld daarover geïnformeerd. Op zijn eigen initiatief heeft hij zijn verzekeraar gevraagd om de afwijzing van de claim van klaagster nader voor haar te onderbouwen. 
4.3    Klaagster is door hem geïnformeerd over de schadebeperkingsplicht maar heeft die informatie naast zich neergelegd. De stuiting van de vordering ten opzichte van ING Bank was zinvol in het belang van klaagster. Het leerstuk van kansschade is volgens verweerder hier niet van toepassing.
Klachtonderdeel b)
4.4    Verweerder stelt dat hij aan klaagster geen onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven door tegen haar te zeggen dat de civiele procedure bij de overheidsrechter onverkort openstond. Zijn verzekeraar heeft dat ook zo aan klaagster bevestigd. Van enige opzet van zijn kant of bewuste misleiding van klaagster is geen sprake geweest. Er is geen rechtsgang verloren gegaan. Klaagster is juist door hem geïnformeerd over het feit dat de situatie niet “onherroepelijk” was. Klaagster is ook adequaat voorgelicht over de relevante procesrisico’s. 

5    BEOORDELING
Maatstaf
5.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. 
5.2    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.3    Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdelen a) en b)
5.4    De raad ziet vanwege de nauwe samenhang aanleiding om de verwijten gelijktijdig te beoordelen. 
5.5    Vast staat dat verweerder een beroepsfout heeft gemaakt door niet tijdig namens klaagster bij Kifid de klacht over de ING Bank in te dienen. 
5.6    Uit de stukken is de raad gebleken dat verweerder na ontdekking van zijn beroepsfout schadebeperkend heeft gehandeld, zoals ook van een advocaat wordt verwacht. Verweerder heeft bij Kifid – zonder succes - gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen de buitenbehandelingstelling van de klacht en de civiele vordering van klaagster veiliggesteld door de verjaring te stuiten. Daarnaast heeft verweerder aan klaagster aangeboden om alsnog een civiele procedure tegen de bank te doen onder verwijzing naar de risico’s van zo’n procedure voor klaagster.
5.7    De gevolgen en daarmee de schade van de beroepsfout voor klaagster zijn op dit moment nog niet bekend. Het is juridisch mogelijk nog te repareren. Weliswaar is de route via het Kifid door de beroepsfout voor klaagster afgesloten, een civiele procedure behoort voor klaagster na de buitenbehandelingstelling van haar klacht door Kifid nog wel tot de mogelijkheden. Verweerder en zijn verzekeraar hebben klaagster daarover geen onjuiste informatie verstrekt of haar anderszins daarover misleid. 
5.8    Naar het oordeel van de raad is het maken van een beroepsfout door een advocaat niet per definitie tuchtrechtelijk verwijtbaar. Omdat uit de stukken is gebleken dat klaagster verweerder meermaals heeft gewaarschuwd voor het verstrijken van de termijn bij Kifid en navraag bij verweerder heeft gedaan naar de stand van zaken, is de raad van oordeel dat de gemaakte beroepsfout onder die omstandigheden verweerder tuchtrechtelijk wel valt aan te rekenen. 
5.9    Tijdens de zitting van de raad heeft klaagster verklaard dat verweerder op 3 en 7 juli 2025 uitdrukkelijk heeft toegezegd dat hij als herstelmaatregel voor haar een civiele procedure tegen ING Bank zou starten. Verweerder heeft toen toegezegd dat hij een nieuwe toevoeging zal aanvragen en in geval van afwijzing daarvan zijn werkzaamheden kosteloos voor haar zou voortzetten. Deze toezegging heeft zij op 16 juli 2025 schriftelijk aan verweerder bevestigd en hem verzocht om een concrete planning. In zijn e-mail van 17 juli 2025 heeft verweerder volgens klaagster de met haar gemaakte afspraken direct terzijde geschoven en de situatie omgedraaid. In die e-mail verlangde verweerder dat klaagster de financiële en procesrisico’s zou dragen van de civiele procedure, terwijl de civiele procedure uitsluitend nodig was door de nalatigheid van verweerder. Verweerder heeft betwist dat hij klaagster heeft toegezegd dat hij de volledige kosten voor de civiele procedure voor zijn rekening zou nemen. Hij stelt dat hij klaagster meermaals schriftelijk heeft uitgelegd dat uiteindelijk zijn verzekeraar zal oordelen over het causale verband tussen zijn beroepsfout en de geleden schade door klaagster. 
5.10    De raad leest in de overgelegde correspondentie niet terug dat verweerder onvoorwaardelijk heeft toegezegd dat hij - na afwijzing van een toevoeging - op zijn kosten een civiele procedure voor klaagster zou doen. Uit de e-mail van klaagster van 25 juli 2025 om 7.25 uur aan verweerder volgt dat klaagster voorwaarden aan verweerder heeft gesteld voordat hij een civiele procedure voor haar mocht doen. In zijn e-mail van 13.49 uur diezelfde dag heeft verweerder niet met die voorwaarden ingestemd maar klaagster geschreven dat het uiteindelijk aan zijn verzekeraar is om te beoordelen of de gevolgen van de beroepsfout geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening komen. Voor zover bij de raad bekend, heeft klaagster in maart 2026 alsnog aan verweerder gevraagd om de civiele procedure voor haar te doen. Verweerder heeft dat niet meer willen doen vanwege de met klaagster ontstane vertrouwensbreuk. Naar het oordeel van de raad moest verweerder zich in die situatie als advocaat van klaagster onttrekken zoals gedaan.  
5.11    Op grond van het vorenstaande is de raad van oordeel dat verweerder weliswaar een beroepsfout heeft gemaakt, hetgeen hem tuchtrechtelijk ook wordt aangerekend, maar daarna voldoende oplossingsgericht op zorgvuldige wijze voor klaagster heeft gehandeld. De raad zal klachtonderdeel a) gegrond verklaren ten aanzien van de gemaakte beroepsfout, en dit verwijt voor het overige ongegrond. Klachtonderdeel b) wordt ongegrond verklaard. 

6    MAATREGEL
6.1    De raad heeft geoordeeld dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar een beroepsfout heeft gemaakt. Voor oplegging van een maatregel (waarvoor in beginsel een waarschuwing in aanmerking zou komen) ziet de raad geen aanleiding om de volgende redenen. Verweerder heeft naar het oordeel van de raad vanaf zijn bekendheid met de door hem gemaakte fout dat aan klaagster toegegeven en daarvoor zijn excuses aangeboden. Ook heeft hij de door hem gemaakte fout na de aansprakelijkstelling door klaagster meteen bij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar gemeld en de nodige informatie over zijn verzekeraar aan klaagster verstrekt. Ook heeft verweerder klaagster duidelijk en herhaaldelijk schriftelijk uitgelegd dat erkenning van zijn beroepsfout niet automatisch betekent dat hij volledig opdraait voor de mogelijke financiële gevolgen daarvan voor klaagster. Klaagster had daarna de mogelijkheid om op zijn aanbod in te gaan om een civiele procedure te starten maar heeft daarvoor niet meteen gekozen. Nadat verweerder zich door de ontstane vertrouwensbreuk als haar advocaat heeft onttrokken, kon klaagster niet meer van verweerder verlangen dat hij begin 2026 alsnog werkzaamheden voor haar zou doen. 
6.2    Verweerder heeft naar het oordeel van de raad aldus schadebeperkend en oplossingsgericht en ook in het belang van klaagster gehandeld. Een maatregel kan in dit geval dan ook achterwege blijven. 

7    GRIFFIERECHT
7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart klachtonderdeel a) ten aanzien van de beroepsfout gegrond en voor het overige ongegrond; 
-    verklaart klachtonderdeel b) ongegrond;
-     bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster. 

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. P.J. Mijnssen en M.J.E. van den Berg, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026. 

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 28 september 2026