ECLI:NL:TADRAMS:2026:210 Raad van Discipline Amsterdam 26-118/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:210 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-09-2026 |
| Datum publicatie: | 02-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-118/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Naar het oordeel van de raad heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar een beroepsfout gemaakt door een termijn te laten verstrijken. Verweerder heeft na ontdekking van de fout daarvoor excuses aan klaagster aangeboden en daarvan melding gedaan bij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar en klaagster daarover geïnformeerd. Ook heeft verweerder klaagster duidelijk en herhaaldelijk schriftelijk uitgelegd dat erkenning van zijn beroepsfout niet automatisch betekent dat hij volledig opdraait voor de mogelijke financiële gevolgen daarvan voor klaagster. Klaagster had daarna de mogelijkheid om op zijn aanbod in te gaan om een civiele procedure te starten maar heeft daarvoor niet meteen gekozen. Nadat verweerder zich door de ontstane vertrouwensbreuk als haar advocaat heeft onttrokken, kon klaagster niet meer van verweerder verlangen dat hij alsnog werkzaamheden voor haar zou doen. Verweerder heeft naar het oordeel van de raad aldus schadebeperkend en oplossingsgericht en ook in het belang van klaagster gehandeld. Een maatregel kan in dit geval dan ook achterwege blijven. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 28 september 2026 in de zaak 26-118/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 8 augustus 2025, aangevuld op 17 en 18 september 2025, heeft klaagster
bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de
deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 12 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2510989/EvR/AS
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 14 augustus 2026. Daarbij
waren klaagster en verweerder, tijdens de zitting bijgestaan door (naam) aanwezig.
Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de e-mails met bijlagen van 14 en 17 februari 2026 van klaagster en de e-mail
met bijlagen van 4 maart 2026 van verweerder.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de
op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Op 25 april 2024 heeft klaagster haar klacht over de overkreditering bij
een hypotheek van ING Bank voorgelegd aan die bank.
2.2 Op 26 augustus 2024 heeft de ING Bank een definitief standpunt ingenomen
over de klacht en klaagster doorverwezen naar het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening
(hierna: Kifid).
2.3 Op 19 september 2024 heeft klaagster aan verweerder stukken gestuurd en hem
gemeld dat in de meegezonden brief van 26 augustus 2024 van de ING Bank staat dat
zij binnen drie maanden juridische actie moet ondernemen.
2.4 Op 30 september 2024 heeft verweerder de hem verstrekte opdracht onder meer
als volgt aan klaagster bevestigd:
U heeft een hypothecaire geldlening afgesloten bij ING Bank. U heeft ons geïnformeerd
dat de bank onrechtmatig jegens u heeft gehandeld omdat er sprake is van overkreditering,
meer in het algemeen schending van de bancaire zorgplicht.
Werkzaamheden
U verzocht ons om:
- Schriftelijk advies
- Bijstand in verband met een procedure.
2.5 Verweerder heeft op 24 oktober 2024 met toestemming van klaagster documenten
en informatie bij ING Bank opgevraagd.
2.6 Na ontvangst van de opgevraagde stukken bij de bank heeft verweerder op 10
februari 2025 aan klaagster voorgesteld om daarover op 11 februari 2025 telefonisch
overleg te hebben.
2.7 Op 13 februari 2025 heeft klaagster aan verweerder gemaild dat zij elkaar
nog niet hebben gesproken over de stukken.
2.8 Op 8 april 2025 heeft verweerder aan klaagster bericht dat hij bezig was
met de klachtbrief die hij op 23 april 2025 vervolgens in concept aan klaagster heeft
gestuurd.
2.9 Op 6 mei 2025 heeft verweerder, met instemming van klaagster, bij Kifid een
klacht over ING ingediend.
2.10 Op 14 mei 2025 heeft Kifid aan verweerder bericht dat Kifid de op 9 mei
2025 van klaagster ontvangen klacht niet in behandeling kan nemen omdat deze te laat
is ingediend. De klacht had door klaagster moeten worden ingediend binnen één jaar
nadat de klacht voor het eerst aan de financiële dienstverlener is voorgelegd (uiterlijk
25 april 2025) óf binnen drie maanden na de datum waarop de dienstverlener zijn definitief
standpunt duidelijk heeft gemaakt (uiterlijk 26 november 2024).
2.11 Op 28 mei 2025 heeft verweerder namens klaagster bezwaar gemaakt tegen de
beslissing van Kifid van 14 mei 2025.
2.12 Op 24 juni 2025 heeft Kifid aan verweerder bericht dat de beslissing van
14 mei 2025 op terechte gronden is genomen en er geen redenen zijn om de klacht van
klaagster alsnog in behandeling te nemen. Kifid heeft in dit kader onder meer geschreven:
Ik volg u niet in uw standpunt dat de termijnoverschrijving [klaagster] niet kan
worden verweten. Voor deze beslissing is het volgende redengevend.
In haar brief van 10 februari 2025 heeft ING Bank u gewezen op het feit dat de interne
klachtprocedure met de brief van 26 augustus 2024 is beëindigd. ING heeft geen nieuw
standpunt ingenomen. Wel heeft ING u een groot aantal van de door u gevraagde aanvullende
documenten en informatie doen toekomen. ING heeft u in deze brief gewezen op de geldende
termijnen. Mede op basis van de op 10 februari 2025 verkregen documenten en informatie
heeft u de klacht van [klaagster] geformuleerd en bij Kifid ingediend. Dit was echter
te laat, zoals uitgelegd in de beslissing van 14 mei 2025. Dat u heeft moeten wachten
op een reactie van ING op uw brief van 24 oktober 2024 maakt niet dat u niet eerder
de klacht had kunnen indienen. U heeft onvoldoende onderbouwd waarom het niet mogelijk
was om de klacht binnen de termijn van vraag 7 onder 1 sub a van het reglement (in
dit geval aflopend op 25 april 2025) in te dienen. Daarom gaat uw beroep op de uitzondering
van vraag 7 onder 3 van het reglement niet op.
2.13 In zijn e-mail van 3 juli 2025 heeft verweerder de met klaagster tijdens
een gesprek gemaakte afspraken bevestigd, te weten dat hij voor haar een kort advies
zal schrijven over verjaring en tijdig klagen, hij een nieuwe toevoeging voor de civiele
procedure zal aanvragen waarvoor hij aan klaagster geen wettelijke bijdrage in rekening
zal brengen. Daarop heeft klaagster dezelfde dag gereageerd dat verweerder in haar
optiek al een toevoeging voor de procedure had aangevraagd en de omstandigheid dat
de zaak alsnog naar de rechtbank moet, haar niet is aan te rekenen. In reactie hierop
heeft verweerder klaagster diezelfde avond gemaild dat hij niet had gezegd of had
geschreven dat klaagster iets valt aan te rekenen en niet begrijpt waarover die opmerking
gaat.
2.14 Op 4 juli 2025 heeft klaagster aan verweerder geschreven dat zij ervan uitgaat
dat hij zijn verantwoordelijkheid neemt voor de schade als gevolg van zijn beroepsfout,
waaronder het starten van een civiele procedure.
2.15 Op 17 juli 2025 heeft een overleg plaatsgevonden tussen klaagster en verweerder.
Naar aanleiding daarvan heeft verweerder in zijn e-mail aan klaagster een uitgebreide
toelichting gegeven op de procesrisico’s, kosten en mogelijke verweren bij het instellen
van een civiele vordering tegen ING Bank. Ten aanzien van de juridische kosten van
een mogelijk te starten civiele procedure heeft verweerder geschreven:
Het is betreurenswaardig dat de termijn bij het Kifid inmiddels is verstreken.
Met betrekking tot de vergoeding van de daardoor eventueel ontstane (additionele)
kosten, behoud ik mij uitdrukkelijk alle rechten voor. De reden daarvan is dat de
verzekeraar te zijner tijd zelfstandig zal beoordelen of deze meerkosten redelijkerwijs
voor mijn en daarmee normaal gesproken haar rekening dienen te komen vanwege het verstrijken
van de termijn.
Ik wijs u hier nadrukkelijk op, omdat ik wil voorkomen dat u de veronderstelt dat
dergelijke kosten per definitie – geheel of gedeeltelijk – door mijzelf dan wel door
mijn verzekeraar zullen worden gedragen. (…)
Wilt u mij bevestigen dat u inderdaad een procedure wilt instellen of juist daarvan
af wilt zien.
2.16 Op 25 juli 2025:
– om 7:25 uur: heeft klaagster verweerder formeel in een e-mail aansprakelijk gesteld
voor de gevolgen van de door hem gemaakte beroepsfout buiten haar schuld. Verder heeft
zij geschreven:
Voordat ik mij uitlaat over het al dan niet voortzetten van de civiele procedure,
ontvang ik graag van u:
1. Een schriftelijke verklaring over de gang van zaken rondom de termijnoverschrijding
bij Kifid;
2. Uw standpunt over de (mogelijke) beroepsfout en eventuele dekking daarvan via
uw beroepsaansprakelijkheidsverzekering;
3. Een bevestiging dat eventuele kosten van een civiele procedure die het gevolg
zijn van het vervallen van de Kifid-route, voor uw rekening (of die van uw verzekeraar)
komen.
Tot dat moment geef ik géén toestemming voor het voortzetten van de procedure bij
de civiele rechter, noch aanvaarding van bijbehorende kostenrisico’s.
Ik vertrouw op een spoedige en constructieve reactie van uw zijde, uiterlijk binnen
10 werkdagen.
- om 13:49 uur: heeft verweerder aan klaagster gemaild dat hij direct na zijn vakantie
op de kwestie terugkomt. Verder heeft hij haar geschreven:
Dat de termijn is overschreden is op zichzelf vervelend. Of de eventuele gevolgen
daarvan automatisch voor mijn rekening komen, is aan de verzekeraar om te beoordelen.
Daarbij dient immers voldoende causaal verband te bestaan tussen de termijnoverschrijding
en de eventuele kosten of schade.
2.17 Op 28 augustus 2025:
- om 12:59 uur: heeft verweerder onder andere aan klaagster geschreven dat hij
op haar verzoek bij zijn verzekeraar kenbaar heeft gemaakt dat klaagster het niet
eens was met de motivatie tot afwijzing van de aansprakelijkheid van verweerder. Verweerder
heeft aan klaagster de gegevens van zijn contactpersoon verstrekt en haar gewezen
op haar wettelijke plicht om schade te beperken door een civiele procedure tegen de
bank te starten. En:
U heeft echter eerder aangegeven hiervan voorlopig af te zien, waardoor de verzekeraar
naar verwachting het standpunt zal innemen dat de gevolgen hiervan voor uw risico
en rekening zijn.
U heeft mij eerder geïnformeerd dat u zelf de verjaring heeft gestuit en dat u de
relevante bescheiden die dit kunnen aantonen zou doen toekomen. Deze documenten heb
ik tot op heden nog niet ontvangen.
Ter voorkoming van verjaringsproblemen zal ik de bank derhalve vandaag nog een e-mail
sturen om de verjaring formeel te stuiten.
- om 13:53 uur: heeft klaagster aan verweerder laten weten dat door zijn beroepsfout
voor haar de laagdrempelige buitengerechtelijke route via Kifid verloren is gegaan
en de stuitingsbrief daar niets aan verandert. En verder:
De schade is dus niet alleen gelegen in de eventuele extra proceskosten van een
civiele procedure, maar vooral in het verlies van de reële kans om mijn klacht door
Kifid inhoudelijk te laten beoordelen en mogelijk toegewezen te krijgen (“kansschade”).
2.18 In een brief van 6 oktober 2025 heeft de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar
van verweerder zijn aansprakelijkheid erkend, maar de door klaagster geclaimde schade
betwist. Verder constateert de verzekeraar dat klaagster het aanbod van verweerder
om een civiele procedure te starten niet heeft geaccepteerd met de suggestie aan klaagster
om dat alsnog te doen.
3 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) de klacht bij het Kifid te laat in te dienen, waardoor deze niet-ontvankelijk
is verklaard en klaagster daardoor kansschade heeft geleden, omdat haar daardoor de
mogelijkheid om haar klacht op een laagdrempelige en consumentvriendelijke wijze door
Kifid te laten behandelen definitief is ontnomen;
b) klaagster daarna te adviseren, en daarmee de gevolgen van zijn beroepsfout
op klaagster af te wentelen, om een zwaardere en risicovollere civiele procedure te
starten om haar schade op de ING te verhalen, terwijl deze enige beschikbare rechtsgang
was uitgesloten door de gemaakte keuze voor een bindend advies van het Kifid.
4 VERWEER
Klachtonderdeel a)
4.1 Verweerder erkent en betreurt dat hij een beroepsfout heeft gemaakt doordat
hij de klacht van klaagster bij Kifid te laat heeft ingediend.
4.2 Voor het herstellen van de daardoor ontstane situatie heeft hij zijn verantwoordelijkheid
genomen en alle noodzakelijke maatregelen getroffen om de gevolgen te beperken. Hij
heeft direct een gemotiveerd verweer gevoerd tegen de buitenbehandelingstelling van
de klacht door Kifid. Helaas heeft dat de situatie voor klaagster bij het Kifid niet
veranderd. Ook heeft hij zijn verzekeraar meteen nadat hij door klaagster aansprakelijk
is gesteld daarover geïnformeerd. Op zijn eigen initiatief heeft hij zijn verzekeraar
gevraagd om de afwijzing van de claim van klaagster nader voor haar te onderbouwen.
4.3 Klaagster is door hem geïnformeerd over de schadebeperkingsplicht maar heeft
die informatie naast zich neergelegd. De stuiting van de vordering ten opzichte van
ING Bank was zinvol in het belang van klaagster. Het leerstuk van kansschade is volgens
verweerder hier niet van toepassing.
Klachtonderdeel b)
4.4 Verweerder stelt dat hij aan klaagster geen onjuiste voorstelling van zaken
heeft gegeven door tegen haar te zeggen dat de civiele procedure bij de overheidsrechter
onverkort openstond. Zijn verzekeraar heeft dat ook zo aan klaagster bevestigd. Van
enige opzet van zijn kant of bewuste misleiding van klaagster is geen sprake geweest.
Er is geen rechtsgang verloren gegaan. Klaagster is juist door hem geïnformeerd over
het feit dat de situatie niet “onherroepelijk” was. Klaagster is ook adequaat voorgelicht
over de relevante procesrisico’s.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende
klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel
10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die
regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm
in artikel 46 Advocatenwet.
5.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen
als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter
mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover
wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit
duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening
met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt.
Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling
van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt
begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als
algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van
een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.3 Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke
omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdelen a) en b)
5.4 De raad ziet vanwege de nauwe samenhang aanleiding om de verwijten gelijktijdig
te beoordelen.
5.5 Vast staat dat verweerder een beroepsfout heeft gemaakt door niet tijdig
namens klaagster bij Kifid de klacht over de ING Bank in te dienen.
5.6 Uit de stukken is de raad gebleken dat verweerder na ontdekking van zijn
beroepsfout schadebeperkend heeft gehandeld, zoals ook van een advocaat wordt verwacht.
Verweerder heeft bij Kifid – zonder succes - gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen de
buitenbehandelingstelling van de klacht en de civiele vordering van klaagster veiliggesteld
door de verjaring te stuiten. Daarnaast heeft verweerder aan klaagster aangeboden
om alsnog een civiele procedure tegen de bank te doen onder verwijzing naar de risico’s
van zo’n procedure voor klaagster.
5.7 De gevolgen en daarmee de schade van de beroepsfout voor klaagster zijn op
dit moment nog niet bekend. Het is juridisch mogelijk nog te repareren. Weliswaar
is de route via het Kifid door de beroepsfout voor klaagster afgesloten, een civiele
procedure behoort voor klaagster na de buitenbehandelingstelling van haar klacht door
Kifid nog wel tot de mogelijkheden. Verweerder en zijn verzekeraar hebben klaagster
daarover geen onjuiste informatie verstrekt of haar anderszins daarover misleid.
5.8 Naar het oordeel van de raad is het maken van een beroepsfout door een advocaat
niet per definitie tuchtrechtelijk verwijtbaar. Omdat uit de stukken is gebleken dat
klaagster verweerder meermaals heeft gewaarschuwd voor het verstrijken van de termijn
bij Kifid en navraag bij verweerder heeft gedaan naar de stand van zaken, is de raad
van oordeel dat de gemaakte beroepsfout onder die omstandigheden verweerder tuchtrechtelijk
wel valt aan te rekenen.
5.9 Tijdens de zitting van de raad heeft klaagster verklaard dat verweerder op
3 en 7 juli 2025 uitdrukkelijk heeft toegezegd dat hij als herstelmaatregel voor haar
een civiele procedure tegen ING Bank zou starten. Verweerder heeft toen toegezegd
dat hij een nieuwe toevoeging zal aanvragen en in geval van afwijzing daarvan zijn
werkzaamheden kosteloos voor haar zou voortzetten. Deze toezegging heeft zij op 16
juli 2025 schriftelijk aan verweerder bevestigd en hem verzocht om een concrete planning.
In zijn e-mail van 17 juli 2025 heeft verweerder volgens klaagster de met haar gemaakte
afspraken direct terzijde geschoven en de situatie omgedraaid. In die e-mail verlangde
verweerder dat klaagster de financiële en procesrisico’s zou dragen van de civiele
procedure, terwijl de civiele procedure uitsluitend nodig was door de nalatigheid
van verweerder. Verweerder heeft betwist dat hij klaagster heeft toegezegd dat hij
de volledige kosten voor de civiele procedure voor zijn rekening zou nemen. Hij stelt
dat hij klaagster meermaals schriftelijk heeft uitgelegd dat uiteindelijk zijn verzekeraar
zal oordelen over het causale verband tussen zijn beroepsfout en de geleden schade
door klaagster.
5.10 De raad leest in de overgelegde correspondentie niet terug dat verweerder
onvoorwaardelijk heeft toegezegd dat hij - na afwijzing van een toevoeging - op zijn
kosten een civiele procedure voor klaagster zou doen. Uit de e-mail van klaagster
van 25 juli 2025 om 7.25 uur aan verweerder volgt dat klaagster voorwaarden aan verweerder
heeft gesteld voordat hij een civiele procedure voor haar mocht doen. In zijn e-mail
van 13.49 uur diezelfde dag heeft verweerder niet met die voorwaarden ingestemd maar
klaagster geschreven dat het uiteindelijk aan zijn verzekeraar is om te beoordelen
of de gevolgen van de beroepsfout geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening komen.
Voor zover bij de raad bekend, heeft klaagster in maart 2026 alsnog aan verweerder
gevraagd om de civiele procedure voor haar te doen. Verweerder heeft dat niet meer
willen doen vanwege de met klaagster ontstane vertrouwensbreuk. Naar het oordeel van
de raad moest verweerder zich in die situatie als advocaat van klaagster onttrekken
zoals gedaan.
5.11 Op grond van het vorenstaande is de raad van oordeel dat verweerder weliswaar
een beroepsfout heeft gemaakt, hetgeen hem tuchtrechtelijk ook wordt aangerekend,
maar daarna voldoende oplossingsgericht op zorgvuldige wijze voor klaagster heeft
gehandeld. De raad zal klachtonderdeel a) gegrond verklaren ten aanzien van de gemaakte
beroepsfout, en dit verwijt voor het overige ongegrond. Klachtonderdeel b) wordt ongegrond
verklaard.
6 MAATREGEL
6.1 De raad heeft geoordeeld dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar een beroepsfout
heeft gemaakt. Voor oplegging van een maatregel (waarvoor in beginsel een waarschuwing
in aanmerking zou komen) ziet de raad geen aanleiding om de volgende redenen. Verweerder
heeft naar het oordeel van de raad vanaf zijn bekendheid met de door hem gemaakte
fout dat aan klaagster toegegeven en daarvoor zijn excuses aangeboden. Ook heeft hij
de door hem gemaakte fout na de aansprakelijkstelling door klaagster meteen bij zijn
beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar gemeld en de nodige informatie over zijn verzekeraar
aan klaagster verstrekt. Ook heeft verweerder klaagster duidelijk en herhaaldelijk
schriftelijk uitgelegd dat erkenning van zijn beroepsfout niet automatisch betekent
dat hij volledig opdraait voor de mogelijke financiële gevolgen daarvan voor klaagster.
Klaagster had daarna de mogelijkheid om op zijn aanbod in te gaan om een civiele procedure
te starten maar heeft daarvoor niet meteen gekozen. Nadat verweerder zich door de
ontstane vertrouwensbreuk als haar advocaat heeft onttrokken, kon klaagster niet meer
van verweerder verlangen dat hij begin 2026 alsnog werkzaamheden voor haar zou doen.
6.2 Verweerder heeft naar het oordeel van de raad aldus schadebeperkend en oplossingsgericht
en ook in het belang van klaagster gehandeld. Een maatregel kan in dit geval dan ook
achterwege blijven.
7 GRIFFIERECHT
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op
grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht
van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar
rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a) ten aanzien van de beroepsfout gegrond en voor
het overige ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel b) ongegrond;
- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. P.J. Mijnssen en M.J.E. van den Berg, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 28 september 2026