ECLI:NL:TADRAMS:2026:215 Raad van Discipline Amsterdam 26-693/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:215 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-09-2026 |
| Datum publicatie: | 02-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-693/A/NH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht kennelijk ongegrond in alle onderdelen. Niet is is gebleken dat verweerster bewust onjuiste informatie naar voren heeft gebracht of dat verweerster wat betreft de kennelijk moeizame onderhandelingen tussen partijen een verwijt valt te maken. Evenmin is gebleken dat verweerster berichten van of namens klager stelselmatig onbeantwoord heeft gelaten of anderszins onvoldoende voortvarend heeft behandeld. Verweerster heeft met haar uitlatingen niet de grenzen van het betamelijk overschreden. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 28 september 2026 in de zaak 26-693/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Noord-Holland (hierna: de deken) van 5 augustus 2026 met kenmerk mr/ss/25-494/2532418,
door de raad digitaal ontvangen op 5 augustus 2026, en van de op de inventarislijst
genoemde bijlagen 1 tot en met 10. Daarnaast heeft de voorzitter kennisgenomen van
de e-mail van klager van 31 augustus 2026 met bijlagen, van de brief van verweerster
van 1 september 2026 met bijlagen en van de e-mail van klager van 22 september 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager en zijn ex-partner zijn vanaf juli 2024 verwikkeld in een echtscheidingszaak.
Verweerster staat de ex-partner daarin bij. Klager wordt bijgestaan door mr. A.
1.2 Op 2 juni 2025 heeft mr. A aan verweerster een e-mail gestuurd met daarin
de tekst:
“(…) Cliënt stemt in met de ingangsdatum voor de kinderbijdrage 1 juli 2025.
Cliënt hoopt dan ook dat er wordt ingestemd met de bedragen, zoals deze vermeld
staan in de mail aan u van 22 mei 2025. (…)”
1.3 Op 10 juni 2025 heeft verweerster aan mr. A een e-mail gestuurd met daarin
de tekst:
“(…) Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over een ouderschapsplan. Wel
hebben zij overeenstemming over de kinderalimentatie bereikt. (…)
Aan de rechter kan worden gevraagd om het convenant en de kinderalimentatie vast
te leggen. Voor vaststelling van de kinderalimentatie is immers de procedure ook aangehouden.
(…)
Er is al meermalen een termijn gesteld en cliente wil duidelijkheid over de kinderalimentatie.
Er wordt nu onnodig druk gezet op het maken van een ouderschapsplan.
Cliente wil niet langer afwachten en heeft mij opdracht gegeven om per omgaand een
voorlopige voorziening in te dienen. (…). Wilt u mij uw verhinderdata toesturen? (…)”
1.4 Op 12 juni 2025 (09:34 uur) heeft mr. A aan verweerster een e-mail gestuurd
waarin ze aangeeft niet te begrijpen waarom er een voorlopige voorziening zou moeten
komen omdat er overeenstemming lijkt te zijn over de meeste punten.
1.5 Diezelfde ochtend heeft verweerster aan mr. A een e-mail gestuurd waarin
zij onder meer aangeeft dat een voorlopige voorziening niet nodig is indien klager
toezegt de overeengekomen kinderalimentatie te zullen betalen.
1.6 Later die dag heeft mr. A aan verweerster een e-mail gestuurd met daarin
onder meer de volgende tekst:
“(…) Cliënt kan uw mails over de vovo-procedure niet volgen en de mail daarop dat
er aangegeven moet worden dat er per 1 juli 2025 kinderalimentatie wordt betaald.
Dit staat echter opgenomen in artikel 1.2 van het echtscheidingsconvenant, waarvan
ik u liet weten dat cliënt dit tekent en u heeft aangegeven dat deze versie getekend
kan worden. (…)”
1.7 Op 13 juni 2025 heeft verweerster aan mr. A een e-mail gestuurd met daarin
de tekst:
“(…) In eerste instantie was ik verheugd te vernemen dat uw cliënt bereid is tot
ondertekening. Ik ben er daarbij vanuit gegaan dat het ging om de eerder toegezonden,
afgestemde versie. Toen ik merkte dat het om een opnieuw gewijzigde versie ging, heb
ik direct aangegeven dat ik deze eerst inhoudelijk zou bestuderen. Bij bestudering
van het convenant zijn er echter meerdere punten die aanleiding geven tot bezwaar.
(...)
Tot slot merk ik op dat het voor het proces niet bevorderlijk is dat er telkens
wijzigingen in het convenant worden aangebracht zonder dat dit expliciet wordt aangegeven.
Dit belemmert een transparant en ordentelijk verloop van de afwikkeling. Ik verzoek
u dan ook om bij een volgende toezending duidelijk aan te geven wat er gewijzigd is.
(…)
In geval partijen niet tot overeenstemming komen, dan verzoek ik u mij te bevestigen
dat uw client bij wijze van voorlopige voorziening vanaf 1 juli 2025 € 450 per kind
per maand kinderalimentatie zal gaan voldoen. Indien uw cliënt hiertoe - ondanks de
overeenstemming over de hoogte van de kinderalimentatie - niet bereid is zal maandag
a.s. het verzoekschrift voorlopige voorzieningen worden ingediend.
Ik zie de reactie graag vandaag nog tegemoet. (…)”
1.8 Op 16 juni 2025 (10:40 uur) heeft verweerster aan mr. A een e-mail gestuurd
waarin ze aangeeft een verzoekschrift tot voorlopige voorzieningen te hebben ingediend
bij de rechtbank omdat een reactie van klager is uitgebleven.
1.9 Op 16 juni 2025 (10:41 uur) heeft mr. A aan verweerster een e-mail gestuurd
met daarin de volgende tekst:
“(…) Het verzoekschrift is onbegrijpelijk nu meermaals is toegezegd dat de kinderbijdrage
per 1 juli 2025 betaald zal gaan worden.
Deze stap werkt escalerend in de zaak. (…)”
1.10 Op 16 juni 2025 (11:55 uur) heeft verweerster aan mr. A een e-mail gestuurd
waarin ze meldt dat de voorlopige voorziening is aangevraagd omdat een concrete toezegging
van klager dat de kinderalimentatie per 1 juli 2025 zal worden betaald, is uitgebleven.
1.11 Op 20 juni 2025 heeft mr. A aan verweerster een e-mail gestuurd waarin zij
stelt dat namens klager kenbaar is gemaakt dat hij de kinderbijdrage per 1 juli 2025
zal gaan betalen.
1.12 Op 23 juni 2025 heeft verweerster aan mr. A een e-mail gestuurd waarin zij
dat bestrijdt. Later die dag stuurt verweerster een e-mail waarin zij aangeeft dat
haar cliënte ermee akkoord is om bij wijze van voorlopige voorziening het kinderalimentatiebedrag
van € 450,- per kind per maand te stellen. Zij sluit af met:
“(…) Ik stel voor dat ik de rechtbank zal berichten dat partijen hierover overeenstemming
hebben bereikt en verzoeken deze overeenstemming in een beschikking op te nemen en
dat u dit bevestigt.
De zitting van 27 augustus 2025 hoeft dan inderdaad niet door te gaan. (…)”
1.13 Op 24 juni 2025 heeft mr. A aan verweerster een e-mail gestuurd met daarin
onder meer de volgende tekst:
“(…) Er is overeenstemming bereikt over het voor beide kinderen te betalen bedrag
van € 450 per maand, per kind. (…)
Cliënt doet weer de toezegging dat hij het overeengekomen bedrag van € 450 per maand,
per kind zal gaan betalen.
Indien u de rechtbank informeert conform het voorgaande en uw verzoek aanpast dan
zal er namens cliënt een bericht aan de rechtbank worden gestuurd dat er geen behoefte
is aan een zitting en dat er een akkoord gegeven wordt op uw schrijven. De beschikking
kan dan worden afgegeven. (…)”
1.14 Op 10 juli 2025 heeft mr. A aan verweerster een e-mail gestuurd waarin zij
vraagt waarom er sinds 23 juni 2025 niet is gereageerd op een conceptconvenant.
1.15 Op 17 juli 2025 heeft een secretaresse van verweerster aan mr. A een e-mail
gestuurd met daarin onder meer de tekst:
“(…) Het is een heftige periode geweest voor cliënte, zij gaat met vakantie en wil
het tot na de vakantie dan ook parkeren. (…)
Aangezien cliënte dus zelf op vakantie gaat en [verweerster] met vakantie is van
2 t/m 16 augustus, zal het na de vakantie worden. (…)”
1.16 Op 30 juli 2025 heeft een secretaresse van verweerster aan mr. A een e-mail
gestuurd met daarin de tekst:
“(…) Bijgaand zend ik u het aangepast convenant toe namens cliënte. Gaarne vernemen
wij of dit akkoord is.
Cliënte zal nog aan de inhoud van het ouderschapsplan werken. Het ouderschapsplan
zullen wij dan ook nader aan u toezenden. (…)”
1.17 Verweerster en mr. A hebben vervolgens verder gecorrespondeerd over het
convenant en ouderschapsplan.
1.18 Op 28 oktober 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende:
a) door haar handelen heeft verweerster ervoor gezorgd dat de echtscheidingsprocedure
nog niet is afgerond;
b) verweerster reageert laat of soms zelfs niet op berichten;
c) verweerster heeft klager beticht van “gaslighten”.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen (gedragsregel 8). Daarbij geldt dat advocaten
er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen
juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van
die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te
wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel
dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat
de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid
worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak afwegen:
- het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
- het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
- het verloop van het geschil tot dan toe en
- de kans op succes van de procedure.
Beoordeling
Klachtonderdeel a) Handelen verweerster
4.3 De voorzitter begrijpt dit klachtonderdeel in de eerste plaats zo dat verweerster,
volgens klager onnodig, een verzoek heeft ingediend voor een voorlopige voorziening
ten aanzien van door klager te betalen kinderalimentatie. Een zitting bleek vervolgens
niet nodig, omdat er door partijen in het onderliggende geschil overeenstemming werd
bereikt overeenkomstig hetgeen klager aangeboden had, aldus klager. Daarnaast verwijt
klager verweerster dat partijen door haar handelen niet of met vertraging tot overeenstemming
over onder andere het convenant komen. Klager stelt hierbij onder meer dat verweerster
namens de ex-partner heeft aangevoerd dat klager geen bijdrage voor de kinderen heeft
betaald, zonder enig bewijs. Het informatieverzoek van klager over de werkelijk gemaakte
kinderkosten wordt door de ex-partner bovendien stelselmatig geweigerd, waardoor klager
niet kan aantonen dat hij wel degelijk genoeg heeft meebetaald. Hierdoor blijft de
discussie aan de gang en lopen de kosten onnodig op, aldus steeds klager.
4.4 Dit klachtonderdeel faalt. De voorzitter stelt voorop dat een oordeel over
de juistheid van de standpunten die partijen in het onderliggende geschil innemen
is voorbehouden aan de civiele rechter. De taak van de tuchtrechter beperkt zich tot
de beoordeling van het handelen van de advocaat. Daarbij geldt dat verweerster als
partijdig belangenbehartiger veel vrijheid heeft om te doen wat zij in het belang
van haar cliënte nodig acht, gelet op de door haar cliënte verstrekte informatie.
4.5 Dat verweerster en haar cliënte aanleiding hebben gezien om een verzoek in
te dienen tot het treffen van een voorlopige voorziening, is in het licht van de door
verweerster en de advocaat van klager daaraan voorafgaand gevoerde correspondentie
niet onbegrijpelijk. In dit verband heeft verweerster gemotiveerd toegelicht dat er
door klager geen onvoorwaardelijke toezegging tot betaling was gedaan, en dat er geen
overeenstemming bestond over de wijze van vastlegging. Of dit standpunt juist is valt
buiten de omvang van dit tuchtrechtelijk geschil. Dat klager de procedure wel als
onnodig beschouwt, is inherent aan het juridisch geschil dat tussen partijen speelt
en maakt niet dat verweerster de procedure niet mocht starten. Het feit dat partijen
na indiening van het verzoek alsnog tot een vergelijk zijn gekomen zonder mondelinge
behandeling van het desbetreffende verzoek, rechtvaardigt op zichzelf niet de conclusie
dat de procedure onnodig is geweest.
4.6 Evenmin is gebleken dat verweerster bewust onjuiste informatie naar voren
heeft gebracht. Dat klager het inhoudelijk niet eens is met standpunten die verweerster
namens haar cliënte heeft verkondigd, betekent nog niet dat verweerster daarmee in
strijd met gedragsregel 8 heeft gehandeld. Daarvan is pas sprake als vaststaat dat
verweerster bewust onjuiste informatie naar voren heeft gebracht. Daarvan is de voorzitter
niet gebleken.
4.7 Uit het klachtdossier kan de voorzitter tot slot niet afleiden dat verweerster
wat betreft de kennelijk moeizame onderhandelingen tussen partijen in het onderliggende
geschil een verwijt valt te maken. Zo voert verweerster terecht aan dat het haar als
advocaat niet kan worden verweten dat haar cliënt niet instemt met voorstellen van
of namens klager. Uit het klachtdossier ontstaat naar het oordeel van de voorzitter
het beeld dat verweerster zich voldoende constructief heeft opgesteld. In ieder geval
blijkt daaruit niet dat verweerster de belangen van klager onnodig of op een ontoelaatbare
manier heeft geschaad of anderszins onbetamelijk heeft gehandeld.
4.8 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter dit klachtonderdeel kennelijk
ongegrond verklaren.
Klachtonderdeel b) Laat of niet reageren
4.9 De voorzitter verstaat dit klachtonderdeel aldus dat klager meent dat verweerster
niet of niet tijdig reageert op berichten van zijn advocaat, dit terwijl verweerster
zelf een reactie binnen zeer korte termijnen verlangt. Verweerster bestrijdt dat hiervan
sprake is.
4.10 Uit de hiervoor onder de feiten weergegeven e-mailcorrespondentie blijkt
dat verweerster op berichten van de advocaat van klager over het algemeen binnen een
redelijke termijn heeft gereageerd. In veel gevallen heeft zij binnen enkele dagen
gereageerd en soms zelfs nog dezelfde dag. De voorzitter kan daarom niet vaststellen
dat verweerster berichten van of namens klager stelselmatig onbeantwoord heeft gelaten
of anderszins onvoldoende voortvarend heeft behandeld. Evenmin is gebleken dat verweerster
heeft beoogd de afwikkeling van het geschil te vertragen. Voor zover een reactie enige
tijd op zich heeft laten wachten, is dat onder de gegeven omstandigheden onvoldoende
voor een tuchtrechtelijk verwijt. Daarbij weegt de voorzitter mee dat verweerster
voor het kunnen geven van een inhoudelijke reactie mede afhankelijk is van haar cliënte.
4.11 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter ook dit klachtonderdeel kennelijk
ongegrond verklaren.
Klachtonderdeel c) “Gaslighten”
4.12 Klager verwijt verweerster dat zij tijdens een viergesprek tegen hem heeft
gezegd: “Stop met gaslighten”. Verweerster betwist dergelijke woorden te hebben gebruikt.
4.13 De voorzitter kan niet vaststellen of verweerster ten opzichte van klager
de hiervoor onder 4.13 aangehaalde woorden of woorden van gelijke strekking heeft
gebruikt. Daarom ontbreekt de feitelijke grondslag voor het door klager aan verweerster
gemaakte verwijt. Om die reden faalt ook klachtonderdeel c). Ten overvloede merkt
de voorzitter op dat, ook als wel zou zijn komen vast te staan dat verweerster deze
woorden heeft gebruikt, daaruit naar zijn oordeel niet zou volgen dat verweerster
hiermee de grenzen van het betamelijke heeft overschreden.
Conclusie
4.14 Uit het voorgaande volgt dat de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond
is. Hetgeen klager overigens nog naar voren heeft gebracht, leidt niet tot een ander
oordeel.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in al haar onderdelen kennelijk
ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. P.H.A. Neuschäfer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 28 september 2026