ECLI:NL:TADRAMS:2026:209 Raad van Discipline Amsterdam 26-200/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:209
Datum uitspraak: 28-09-2026
Datum publicatie: 02-10-2026
Zaaknummer(s): 26-200/A/A
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht over de eigen advocaat. Naar het oordeel van de raad is verweerder zodanig tekortgeschoten in zijn zorgplicht voor klager dat een maatregel op zijn plaats is. Verweerder heeft erkend dat hij onvoldoende met klager heeft gecommuniceerd. Tijdens de zitting van de raad heeft hij blijk gegeven van zelfreflectie op zijn handelen en het effect daarvan op klager. Verweerder heeft uitgelegd dat zijn handelwijze het gevolg was van zijn sociale zekerheidspraktijk met de nodige hectiek en heeft toegezegd in toekomstige dossier afspraken en belangrijke informatie schriftelijk beter vast te leggen voor de cliënten. Nadat verweerder bekend is geworden met de onvrede van klager over de gang van zaken, heeft hij naar het oordeel van de raad voldoende gedaan om mee te denken over een oplossing. Dat verweerder niet zelf het door klager gewenste herzieningsverzoek voor klager wilde doen, stond hem vrij. Klager kon daarvoor immers een andere advocaat inschakelen. Waarschuwing.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 28 september 2026 in de zaak 26-200/A/A
naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerder


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 24 april 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 11 maart 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2489954/EvR/AP van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 14 augustus 2026. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van 26 maart 2026 van klager. 

2    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1    Klager heeft op 16 september 2022 een bijstandsuitkering aangevraagd als dak- en thuisloze. 
2.2    De afdeling Handhaving van de gemeente Amsterdam (hierna: de gemeente) heeft onderzoek gedaan naar de feitelijke verblijfslocaties en woonsituatie van klager. Klager is op verschillende momenten niet aangetroffen op de door hem opgegeven adressen en tijden. Bij besluit van 6 oktober 2022 heeft de gemeente op basis van de uitkomst van het onderzoek de bijstandsaanvraag van klager afgewezen. Niet kon worden vastgesteld of klager behoorde tot de doelgroep dak- en thuislozen en op basis daarvan recht had op een bijstandsuitkering. 
2.3    Verweerder heeft klager daarna op basis van gefinancierde rechtsbijstand bijgestaan en bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 oktober 2022. 
2.4    Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente heeft op 2 februari 2023 een beslissing op het bezwaar genomen. Verweerder heeft daartegen namens klager beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank). 
2.5    Op 17 juli 2023 heeft bij de rechtbank een zitting plaatsgevonden. Klager en verweerder waren hierbij aanwezig.
2.6    Bij beslissing van 27 juli 2023 heeft de rechtbank het beroep van klager ongegrond verklaard en het besluit van de gemeente tot afwijzing van de bijstandsaanvraag van klager in stand gelaten. Verweerder heeft hiertegen namens klager hoger beroep ingesteld.
2.7    Op 12 november 2024 heeft een zitting plaatsgevonden bij de Centrale Raad van Beroep. Klager en verweerder waren hierbij aanwezig. 
2.8    Bij beslissing van 14 januari 2025 heeft de Centrale Raad van Beroep de beslissing van 27 juli 2023 van de rechtbank bevestigd.
2.9    Op 20 maart 2025:
- om 9:43 uur: heeft verweerder klager onder meer geschreven: 
Zoals afgesproken, hierbij nog een extra verduidelijking over de procedure die tot de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep heeft geleid. 
Bijgaand het besluit van 6 oktober 2022, waartegen werd geprocedeerd. Met dit besluit is de bijstandsaanvraag van 16 september 2022 afgewezen op grond van het onderzoek van de afdeling handhaving. Bijgaand ook het rapport van die afdeling. 
In deze zaak moest worden beoordeeld of het onderzoek van de afdeling handhaving, waarbij men stelt dat je bij adres- en locatiebezoeken niet bent aangetroffen, voldoende zorgvuldig is geweest. Wij hebben aangevoerd dat het onderzoek door de gemeente niet zorgvuldig was en dat wel kon worden vastgesteld dat je op de opgegeven adressen verbleef. 
Voor de volledigheid stuur ik ook nog het besluit van 21 juni 2023, waartegen toen bezwaar is ingesteld. Dat heeft er toen toe geleid dat er met terugwerkende kracht met ingang van 24 november 2022 een uitkering werd toegekend. Het toekennen van een uitkering met terugwerkende kracht is een uitzondering. De procedure bij de Centrale Raad van Beroep ging dan ook over de uitkering van de periode van 16 september tot 24 november 2022. 
Het is niet mogelijk om cassatie in te stellen tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de hoogste rechter op het gebied van socialezekerheidsrecht). Wel kan om herziening worden gevraagd. 
Herziening is een buitengewoon rechtsmiddel en kan alleen worden gevraagd van een onherroepelijke uitspraak. 
De voorwaarden voor een succesvol verzoek om herziening zijn strikt. Het verzoek moet gebaseerd zijn op nieuwe feiten of omstandigheden (nova) die niet bekend waren ten tijde van de oorspronkelijke uitspraak en die, als ze wel bekend waren geweest, tot een andere beslissing zouden hebben geleid. Daarnaast moet het verzoek binnen een redelijke termijn worden ingediend, meestal binnen één jaar nadat de indiener bekend is geworden met de nova.
Een verzoek om herziening kan niet worden gebruikt om een hernieuwde discussie over de zaak te voeren of om de juistheid van de oorspronkelijke uitspraak te betwisten. Als het verzoek om herziening ziet op een uitspraak waartegen op zichzelf geen hoger beroep mogelijk is, dan is hoger beroep ook niet mogelijk tegen de beslissing op het herzieningsverzoek. 
Helaas bestaat er geen mogelijkheid om op basis van gefinancierde rechtsbijstand een verzoek tot herziening in te dienen. 
Ook bevestig ik nogmaals dat ik de door de Raad voor Rechtsbijstand vastgestelde eigen bijdragen voor de bezwaar-, beroeps- en hoger beroepsprocedure heb kwijtgescholden. Mijn kantoor heeft het griffierecht voor de rechtbank en de Centrale Raad van Beroep voor jou betaald. Dit vanwege jouw financiële situatie. Als er nog vragen zijn, kan je mij vanzelfsprekend altijd bellen.
- om 19:49 uur: heeft klager onder meer aan verweerder geschreven:
Hartelijk dank voor het versturen van het document. 
De wisselende adressen en vele aanvragen en ingevulde formulieren bij, naar eigen zeggen ‘jonge, onervaren medewerkers’ verklaart dat de adressen niet overeenkwamen en niet zorgvuldig zijn ingevuld. 
Er is hierdoor bijvoorbeeld geen rekening gehouden met dat ik niet onbereikbaarheid, mijn medische toestand en de eerdere ingevulde formulieren wegens grote personeelswisseling. Er zijn al sinds 2021 veel ingevulde gegevens aanwezig van nog eerdere aanvragen die niet meegenomen zijn en er moest vaak herhaaldelijk informatie gestuurd worden en dit ging vaak mis. Het aantal bezoeken was bijna een dagtaak. Hiervan heb ik schriftelijke erkenning van [naam], de Ombudsman Metropool en [naam], straat alliantie en evt [naam]. (…)
De handhaving was hier waarschijnlijk niet van op de hoogte en dat kan hen mijn inziens niet kwalijk genomen worden. 
Het ging mij ook niet enkel om de uitkering maar de nadruk op het niet ingeschreven staan en de andere gevolgen ervan bij werk, zorg en schulden. (…) 
Volgens mij was de uitspraak van de handhaving prima maar had de behandelaar ondanks de uitvoering van de handhaving, gebaseerd op deze feiten alsnog briefadres en uitkering moeten verlenen en maatwerk moeten verlenen. Dit is zonder verklaring niet gebeurt. (…) 
De handhaving doet de uitspraak over het wel of niet aanwezig zijn maar de baliemedewerkers zijn verantwoordelijk voor de te verstrekken informatie en juist hier ging het mis. 
Ik weet wel dat er hiervan punten zijn die ik tijdens de zitting wel genoemd heb maar die slaan kennelijk niet op het onderzoek van de handhaving. 
Ik vind het vervelend om te zeggen maar ik ben het ook niet eens met hetgeen waar we tegenin hoger beroep gaan en de eerste advocaat was mijn inziens helaas niet op de hoogte van mijn zaak. 
Eventueel ben ik benieuwd of ik zelf informatie kan nasturen. 
Ik wil het onderste uit de kan halen om dit te winnen. Ik kan eventueel een extra advocaat vinden en financiën regelen voor een herziening. 
Als ik in die uitspraak een geldbedrag toegewezen krijg mag je van mij daarnaast de helft van het geldbedrag hebben. Misschien is het raadzaam om in plaats van een herziening deze zaak opnieuw aan te spannen. 
Ik hoor graag of je hiervoor in staat.
2.10    Op 21 maart 2025 heeft verweerder klager per e-mail als volgt bericht: 
Zoals afgesproken, nog even ter bevestiging het volgende. 
De kwestie waar ik (als advocaat socialezekerheidsrecht) je bij heb geholpen, is de bijstandsuitkering en de daarmee samenhangende inschrijving aan de [straatnaam] in orde te brengen. Dat is gelukt, behalve voor de periode 16 september tot 24 november 2022. Ik zie verder geen mogelijkheid om hierover verder te procederen. 
Er zijn wellicht nog twee openstaande zaken. Ten eerste het herstel van de foutieve uitschrijvingen van vóór 16 september 2022. Hiervoor zou je wellicht een herzieningsverzoek kunnen doen en kunnen verwijzen naar onder meer de bevindingen van de ombudsman. Als er daarop een besluit wordt genomen, kan je daar bezwaar tegen aantekenen. Ten tweede zou je wellicht nog kunnen vragen om een compensatie door de gemeente vanwege de geleden schade als gevolg van de foutieve uitschrijvingen. Daarvoor zou je dan een civiele advocaat moeten benaderen. Als er nog vragen zijn kan je mij vanzelfsprekend altijd bellen.
2.11    Op 1 april 2025 heeft verweerder aan klager het proces-verbaal van de zitting op 17 juli 2023 bij de rechtbank gestuurd. In zijn e-mail heeft hij uitgelegd welke herzieningsverzoeken klager kan indienen. Dat kan klager bij de gemeente doen, als hij de bedoeling heeft om herziening van de besluiten tot uitschrijving te vragen. Klager kan ook om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep vragen over de bijstand en de daarmee samenhangende inschrijving op zijn adres in de periode van 16 september tot 24 november 2022. Verweerder heeft tot slot gemeld dat hij vanaf 15 april 2025 weer bereikbaar is voor overleg. 
2.12    In een e-mail van 7 april 2025 heeft klager aan verweerder gemeld dat hij herziening wil vragen van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep en gevraagd hoe hij dat moet doen. Verder heeft klager geschreven:
Ik heb geen idee wat de andere herziening voor nut heeft. 
Zoals gezegd ben ik het het eens met de rechter en vind ik het hoger beroep vanuit ons niet terecht. Het verwijt naar de handhaving slaat de spijker niet op z'n kop. 
Ik vind dit echt ontzettend jammer en ga er vandaag een melding van maken. Dit had vanuit ons gewoon heel veel beter gemoeten. (…)
Dezelfde dag heeft verweerder klager gemaild dat hij afwezig is en dat hij klager maandag zal bellen om hem te adviseren.   
2.13    Op 8 april 2025:
- om 12:48 uur: heeft klager verweerder geschreven:  
Ik begrijp uit je vorige mail dat je met de herziening niet wilt helpen? 
Ik heb al eerder mails gestuurd en het tijdsbestek dat over is is al te klein. 
Ik stuur morgen of overmorgen een herziening naar de centrale raad. Belangrijk is dat ik hierbij noteer dat ik het niet eens ben met de punten in mijn eigen hoger beroep en dat ik hiervan niet van op de hoogte was. 
Ik hoor graag of je volgende week in deze herziening wilt helpen.
- om 15:34 uur: heeft verweerder aan klager geschreven:
De kans van slagen van een herzieningsverzoek bij de Centrale Raad van Beroep is heel gering vanwege de strikte toets, waarover ik je eerder ook mailde. 
Verder is het maximaal haalbare in zo'n procedure dat je je bijstandsuitkering in 2022 voor ongeveer 2 maanden wordt hersteld plus de daarmee samenhangende inschrijving op het gemeenteadres aan de [straatnaam].
Als je een advocaat wilt om het herzieningsverzoek bij de Centrale Raad van Beroep namens jou in te dienen denk ik daarom dat je beter een andere kunt zoeken. Uiteraard ben ik altijd bereid om je te adviseren. 
Omdat ik nu in het buitenland ben, en niet over de stukken beschik hier, kan ik deze week sowieso niets doen. Maandag kan ik je bellen om e.e.a. nader te bespreken. Ook kunnen we dan eventueel een afspraak op kantoor inplannen op korte termijn.
- om 15:39 uur: heeft klager aan verweerder geschreven:  
Dat had ik al door en dat had ik dan graag per direct geweten. 
Er is nu een hoger beroep ingediend waar ik totaal niet achter sta en waarvan ik niet op de hoogte was, dus hoe groot de kans van slagen volgens jou is dat maakt mij nu echt 0.00% uit. 
Ik verneem graag per mail hoe je mij hierin kunt adviseren. Een afspraak op kantoor is voor mij anders niet nodig.
- om 15:44 uur: heeft verweerder aan klager geschreven: 
Ik vind het heel vervelend dat je zo ontevreden bent en heb oprecht geprobeerd je zo goed mogelijk te helpen. 
Ik zou je kunnen adviseren over de formele zaken, zoals op welke manier zo'n verzoek in te dienen en wat de contactgegevens zijn, etc.
2.14    Op 11 april 2025 heeft klager aan verweerder laten weten teleurgesteld te zijn in het optreden van verweerder en heeft hem verder geschreven:
Ik heb een brief naar de rechtbank gestuurd en hierin aangegeven dat ik niet op de hoogte ben gebracht en het niet eens ben met de eerste zitting en het hoger beroep. Dat de punten waarop ik een hoger beroep wilde indienen helemaal niet zijn meegenomen en vals verwijt wordt gemaakt naar de handhaving. 
Ik heb aangegeven een herzieningsverzoek te willen indienen of deze rechtzaak opnieuw te doen.
2.15    Op 12 april 2025 
- om 7:41 uur: heeft klager aan verweerder geschreven:  
Bij een geslaagde zitting hadden volgende mensen nog kans gemaakt ondanks dat de rechter een 'standaard uitspraak' heeft bij deze rechtzaak. 
Het is nu niet alleen weggegooide tijd, ik ben nu verklaard als iemand die niet genoeg heeft meegewerkt en heb ik gefaalde rechtzaak waar ik ik zelf NIET achter sta. Ik heb nooit het verwijt gemaakt naar de handhaving maar naar de behandelaar van de uitkering en bestuur van de [straatnaam]. 
Dat vind ik inderdaad heel vervelend. Ik begrijp dat je nauw contact hebt gehad met de Gemeente, [namen]. 
De Ombudsman is bezig om hun klacht nog beter te formuleren en heeft nu ook erkend dat dat ook veel beter kon. De eerste klacht is al gegrond met een werking van de Gemeente. 
Zou je het volledige dossier naar mijn e-mail toe kunnen sturen?
- om 8:30 uur: heeft verweerder aan klager geschreven dat maandag het dossier krijgt. 
2.16    Op 17 april 2025:
- om 6:12 uur heeft klager onder meer aan verweerder geschreven:  
Over de rechtzaak. 
Ik ben niet op de hoogte gehouden verbaal en per mail van het onderwerp van de rechtzaak. 
Het hoger beroep staat haaks op mijn klachten en ontevredenheid te herleiden uit al mijn honderden mails met tientallen medewerkers. 
De uitslag verbaast mij dus niet en we kunnen de uitslag vanuit de rechter goed begrijpen.
De rechter had een groter nodig. 
Ik stel voor dat we buiten naast een herziening tot een andere oplossing komen om deze rechtzaak ongeldig te maken. 
Ik ga hier anders een officiële klacht van indienen. 
- heeft verweerder aan klager geschreven dat zijn nieuwe advocaat zo nodig contact kan opnemen. 
 
3    KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door: 
zijn werkzaamheden voor klager niet of niet juist te hebben gedaan door (i) zonder overleg met klager de verkeerde partij te benaderen en/of aansprakelijk te stellen en (ii) klager niet (schriftelijk of mondeling) op de hoogte te stellen van de rechtszaak.
Toelichting: Klager heeft vanaf het begin duidelijk met verweerder besproken dat niet het onderzoek van de afdeling Handhaving van de gemeente onzorgvuldig is geweest, maar dat de baliemedewerkers en behandelaars hun werk niet goed hadden gedaan. Klager wilde hen aansprakelijk stellen omdat zij administratieve fouten hebben gemaakt door onjuiste verwerking van informatie van klager en er ook formulieren zijn kwijtgeraakt. Op basis van die onjuiste informatie heeft Handhaving onderzoek naar klager gedaan. Tegen de wil van klager heeft verweerder de Handhaving, die daar niks aan konden doen, aansprakelijk gesteld. Omdat verweerder klager niet meteen op de hoogte bracht van de grondslag van de zaak in hoger beroep, wist klager dat pas veel later. Ondanks verzoeken daartoe heeft verweerder daarna geweigerd om een herzieningsverzoek in te dienen om de uitspraak van de Centrale Raad, tegen de onjuiste personen, ongeldig te laten verklaren. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder erkent dat hij geen opdrachtbevestiging aan klager heeft gestuurd. Tijdens de telefonische contacten en besprekingen daarna op kantoor heeft hij klager steeds op de hoogte gesteld en gehouden van de rechtszaken. Klager was ook bij de zittingen bij de rechtbank en de Centrale Raad van Beroep aanwezig, zodat hem duidelijk moet zijn geweest waar de zaak om draaide en met welke insteek. 
4.2    In de procedure tegen het afwijzingsbesluit van de gemeente heeft verweerder namens klager aangevoerd dat het onderzoek door de gemeente niet zorgvuldig was en wel kon worden vastgesteld dat klager op de opgegeven adressen verbleef. Dit was niet een persoonlijk verwijt aan de handhavingsmedewerkers van de gemeente, zoals klager denkt, maar een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel. In dergelijke zaken valt, ook blijkens de jurisprudentie, weinig anders kansrijk aan te voeren. 
4.3    Hij heeft klager uitvoerig geïnformeerd over de mogelijkheid om een herzieningsverzoek in te dienen. Daarin wilde verweerder hem niet bijstaan en dat heeft hij klager ook laten weten.  

5    BEOORDELING
5.1    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.2    De gedragsregels, waaronder gedragsregel 16, beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets. In gedragsregel 16 is beschreven dat een advocaat gehouden is om zijn cliënt op de hoogte te brengen van belangrijke informatie. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil moet de advocaat die belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen. Daaronder valt ook de verplichting van een advocaat om de verleende opdracht en de in dat kader eventueel gemaakte (financiële) afspraken te bevestigen. 
5.3    Verweerder heeft erkend dat hij de met klager mondeling gemaakte afspraken en besproken plan van aanpak niet voldoende schriftelijk heeft vastgelegd. Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder nog een A4-tje getoond met daarop een getekend overzicht van de met klager besproken (vervolg)stappen. Dat stuk heeft verweerder echter niet in de procedure gebracht. 
5.4    Klager heeft tijdens de zitting van de raad verklaard dat hij het betreurt dat als gevolg van de miscommunicatie met verweerder voor hem op basis van een onjuiste grondslag tegen de verkeerde partij een procedure tot en met de Centrale Raad van Beroep is gevoerd. Hij wil dat die rechtszaak daarom alsnog ongeldig wordt verklaard. Klager heeft verder verklaard dat hij geen financiële maar andere redenen had om een procedure te starten. Alhoewel hij dit bij aanvang zo niet aan verweerder heeft gemeld, neemt dat niet weg dat verweerder de verkeerde partij aansprakelijk heeft gesteld en klager ook niet op de hoogte heeft gehouden van de procedure.
5.5    De raad verwijt verweerder dat hij in zijn werkzaamheden en de wijze waarop hij de zaak zou aanpakken onvoldoende met klager heeft gecommuniceerd wat tot verwarring bij klager heeft geleid. Het verwijt aan verweerder ziet derhalve niet op wat verweerder heeft gedaan en geadviseerd, maar op de wijze waarop verweerder dat heeft gedaan. Verweerder heeft vanaf de aanvang van zijn werkzaamheden voor klager, zijnde het najaar van 2022 geen schriftelijke opdrachtbevestiging aan hem gestuurd met daarin een omschrijving van de opdracht en het plan van aanpak. Op 20 maart 2025 heeft verweerder aan klager gemaild over wat er vanaf de start tot aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 januari 2025 heeft gespeeld. Klager betwist dat verweerder hem tussentijds op de hoogte heeft gesteld van de rechtszaken en overleg over de gekozen insteek is geweest. Gelet op het bepaalde in gedragsregel 16 had van verweerder als zorgvuldig en behoorlijk handelend advocaat verwacht mogen worden dat hij klager over belangrijke informatie schriftelijk had geïnformeerd. Dat verweerder dat heeft gedaan, is de raad uit de stukken niet gebleken. De omstandigheid dat klager aanwezig was bij de zittingen op zowel 17 juli 2023 als 12 november 2024 doet niets af aan de verantwoordelijkheid van verweerder om gemaakte afspraken en belangrijke informatie schriftelijk vast te leggen voor de cliënt.
5.6    Door dat na te laten, heeft verweerder heeft naar het oordeel van de raad de belangen van klager onvoldoende zorgvuldig behartigd, hetgeen hem tuchtrechtelijk wordt aangerekend. De raad zal de klacht dan ook gegrond verklaren. 

6    MAATREGEL
6.1    Naar het oordeel van de raad is verweerder zodanig tekortgeschoten in zijn zorgplicht voor klager dat een maatregel op zijn plaats is. Verweerder heeft erkend dat hij onvoldoende met klager heeft gecommuniceerd. Tijdens de zitting van de raad heeft hij blijk gegeven van zelfreflectie op zijn handelen en het effect daarvan op klager. Verweerder heeft uitgelegd dat zijn handelwijze het gevolg was van zijn sociale zekerheidspraktijk met de nodige hectiek en heeft toegezegd in toekomstige dossier afspraken en belangrijke informatie schriftelijk beter vast te leggen voor de cliënten.
6.2    Nadat verweerder bekend is geworden met de onvrede van klager over de gang van zaken, heeft hij naar het oordeel van de raad voldoende gedaan om mee te denken over een oplossing. Dat verweerder niet zelf het door klager gewenste herzieningsverzoek voor klager wilde doen, stond hem vrij. Klager kon daarvoor immers een andere advocaat inschakelen. 
6.3    Gelet op alle vorenstaande omstandigheden in combinatie met het blanco tuchtrechtelijk verleden van verweerder acht de raad een waarschuwing passen en geboden. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat. 
7.3    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a) en b) genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht gegrond;
-    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;
-    veroordeelt verweerder tot betaling  van het griffierecht van € 50,- aan klager;
-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3. 

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. P.J. Mijnssen en M.J.E. van den Bergh, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026.


Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 28 september 2026