ECLI:NL:TGZRAMS:2026:227 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9254
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:227 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-10-2026 |
| Datum publicatie: | 02-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/9254 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. De psychiater heeft een medische verklaring opgesteld in het kader van de aanvraag van een crisismaatregel voor klager. Klager verwijt de psychiater in kwestie met name – samengevat – dat zij in haar medische verklaring feitelijke onjuistheden heeft opgenomen, waarbij zij deze verkeerde informatie heeft ontvangen van de ex-partner van klager. Daarnaast verwijt klager de psychiater dat zij haar diagnose heeft gebaseerd op basis van deze verkeerde informatie en daarnaast haar diagnose ook niet goed heeft onderbouwd. Het college kan de psychiater volgen in haar diagnostische overwegingen en voorlopige diagnose. Overige klachtonderdelen ook ongegrond. |
A2025/9254
Beslissing van 2 oktober 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 2 oktober 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
psychiater,
destijds werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de psychiater, gemachtigde: mr. D, werkzaam in B.
1. De zaak in het kort
1.1 De psychiater heeft op 15 mei 2023 een medische verklaring opgesteld in het
kader van de
aanvraag van een crisismaatregel voor klager. Klager verwijt de psychiater in kwestie
met name –
samengevat – dat zij in haar medische verklaring feitelijke onjuistheden heeft opgenomen,
waarbij
zij deze verkeerde informatie heeft ontvangen van de ex-partner van klager. Daarnaast
verwijt
klager de psychiater dat zij haar diagnose heeft gebaseerd op basis van deze verkeerde
informatie
en daarnaast haar diagnose ook niet goed heeft onderbouwd.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure
is verlopen.
Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 12 november 2025;
- het aanvullende klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 9 januari 2026;
- het aanvullende klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 16 februari 2026;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 23 juni 2026.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 De psychiater was in 2023 werkzaam op de E en op de Tijdelijke Overbruggingsafdeling
(hierna:
TOA).
3.2 Klager werd op 14 mei 2023 vrijwillig opgenomen op de TOA. Omdat klager de volgende
dag, 15
mei 2023, niet langer vrijwillig op de gesloten afdeling wilde blijven en ook geen
medicatie wilde
nemen, werd klager door de behandelaren van de TOA aangemeld bij de E voor een onafhankelijke
beoordeling om te bezien of een opname onder een crisismaatregel mogelijk was.
3.3 In dat kader zag de psychiater klager samen met een arts niet in opleiding tot
specialist
(hierna: ANIOS) op 15 mei 2023 voor een onafhankelijke psychiatrische beoordeling.
Voor deze
beoordeling heeft de psychiater contact gehad met haar collega, de ex-partner van
klager en zijn
moeder. De psychiater overwoog dat er sprake was van stoornissen die vallen onder
‘schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen’ en ‘bipolaire-stemmingsstoornissen’.
De
psychiater stelde de volgende (vermoedelijke) diagnose in haar medische verklaring
van 15 mei 2023
(hierna: de medische verklaring):
“Manisch psychotische decompensatie geluxeerd door de geboorte van zijn eerste kind
en
daaruitvolgend slaapdeprivatie, sinds die maanden ontstaan en progressief verslechterend.”
Op
diezelfde dag werd door de burgemeester van B een crisismaatregel afgegeven.
3.4 Op 17 mei 2023 zag de psychiater klager nogmaals op de TOA in het bijzijn van
een ANIOS. Op
dat moment is met klager besproken dat de psychiater een voortzetting van de crisismaatregel
nodig
achtte. Op diezelfde dag werd door de rechtbank B de voortzetting van de crisismaatregel
gelast
voor de duur van drie weken, waarbij ook de medische verklaring van de psychiater
is betrokken. De
psychiater was zelf niet aanwezig bij deze zitting.
4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Klager verwijt de psychiater dat zij:
a) in de medische verklaring van 15 mei 2023 feitelijke onjuistheden en conclusies
heeft opgenomen
die niet zijn gebaseerd op controleerbare feiten;
b) niet heeft gehandeld naar de wens van klager uit het signaleringsplan, inhoudende
dat hij geen
medicatie wenste en wel gehoord wilde worden;
c) klager op een gesloten afdeling heeft geplaatst, ondanks dat aan klager beloofd
is dat hij op
een open afdeling mocht blijven als hij zijn medicatie nam;
d) geen objectief bewijs heeft geleverd voor de diagnose schizofrenie en dat deze
diagnose is
gebaseerd op het feit dat de psychiater controleerbare feiten niet geloofde.
4.2 De psychiater heeft het college verzocht de klacht in al haar onderdelen ongegrond
te
verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van haar verwacht
mocht worden. De
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de
beoordeling wordt
rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Als uitgangspunt geldt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn
voor hun eigen handelen.
5.2 Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdelen a) en d) de medische verklaring en de diagnose
5.3 Klager verwijt de psychiater dat zij in de medische verklaring van 15 mei
2023 feitelijke
onjuistheden en conclusies heeft opgenomen die niet zijn gebaseerd op controleerbare
feiten. Zo
staan er volgens klager feitelijke onjuistheden in de door de psychiater opgestelde
medische
verklaring en is de psychiater uitgegaan van informatie over de ex-partner van klager,
die volgens
klager gelogen zijn. Voorts verwijt klager de psychiater dat zij geen objectief
bewijs heeft
geleverd voor de diagnose schizofrenie en dat deze diagnose is gebaseerd op het
feit dat zij
controleerbare feiten niet geloofde. Klager is bovendien van mening dat de psychiater
de diagnoses
bipolaire stoornis en schizofrenie beter had moeten onderbouwen.
5.4 Het college stelt voorop dat de medische verklaring is opgesteld in het kader
van een
crisismaatregel en de eerste stap vormt in de diagnostiek van een patiënt. Gelet
op het
spoedeisende karakter, dient een psychiater de (crisis)situatie van de patiënt te
beoordelen met de
informatie die op dat moment voorhanden is. Daarbij maakt een psychiater gebruik
van bronnen, zoals
in dit geval de ex-partner en de moeder van klager. De taak van de psychiater op
zo’n moment is
niet om een uitgebreid diagnostisch onderzoek te verrichten, maar om de verschillende
beschikbare
bronnen te wegen en te betrekken bij het opstellen van de medische verklaring.
5.5 Het college is van oordeel dat de psychiater de medische verklaring gedegen
en uitgebreid
heeft opgesteld. Daarbij sloot de voor haar beschikbare informatie uit de verschillende
bronnen
feitelijk aan bij haar eigen waarnemingen over klager. Het college is het daarom
met verweerster
eens dat zij geen aanleiding had om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de bronnen.
Op basis
van het medisch dossier ziet het college, mede gelet op het feit dat er later nog
verdere
diagnostiek zou worden uitgevoerd, geen aanleiding voor het aannemen van een gehoudenheid
van de
psychiater om op dat moment nog nader onderzoek terzake te doen.
5.6 In de medische verklaring heeft de psychiater een voorlopige diagnose gegeven,
waarbij zij
heeft aangegeven dat er ten tijde van het onderzoek aanwijzingen waren voor een
manische psychotische ontregeling, mogelijk in het kader van de al eerder gestelde
diagnose
schizo-affectieve stoornis. Het college kan de psychiater volgen in haar diagnostische
overwegingen
om tot deze voorlopige diagnose te komen. Dat de psychiater haar diagnose onvoldoende
onderbouwd
heeft is het college niet gebleken. Gelet op het voorgaande oordeelt het college
dat de psychiater
geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Daarom zijn deze klachtonderdelen
ongegrond.
Klachtonderdelen b) en c) wensen van klager uit het signaleringsplan en plaatsing
op een gesloten
afdeling
5.7 Klager beklaagt zich over het feit dat hij verplichte medicatie toegediend
heeft gekregen,
terwijl er in zijn eerder opgestelde signaleringsplan stond dat hij geen medicatie
nodig had.
Daarnaast klaagt klager over zijn opname op een gesloten afdeling. Nadat klager
zich vrijwillig had
gemeld bij de politie en naar de crisisdienst is gebracht, had hij als voorwaarde
voor een opname
gesteld dat hij op een open afdeling zou worden geplaatst. Toen hij wakker werd
bleek hij echter op
een gesloten afdeling te zijn geplaatst.
5.8 Door de psychiater is in haar verweerschrift toegelicht dat zij alleen betrokkenheid
heeft
gehad bij de onafhankelijke beoordeling van klager op 15 mei 2023. Uit het medisch
dossier blijkt
dat de psychiater pas na de vrijwillige opname van klager in beeld is gekomen en
niet betrokken is
geweest bij de plaatsing van klager. Toen de psychiater klager voor het eerst sprak
was klager dus
al geplaatst op een gesloten afdeling. Het college stelt voorts vast dat de psychiater
zelf geen
besluit heeft genomen rondom het starten van verplichte medicatie en daarbij dus
ook niet betrokken
is geweest. Deze klachtonderdelen zijn daarom ook ongegrond.
Slotsom
5.9 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college:
verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 2 oktober 2026 door P.J. van Eekeren, voorzitter,
C.H. van Dijk,
lid-jurist, C.M. Sonnenberg, A.C.M. Kleinsman en H.J. Kolthof, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door V.K.M. Hanssen, secretaris.