ECLI:NL:TNORSHE:2026:27 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2025/67 en SHE/2026/25

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2026:27
Datum uitspraak: 28-09-2026
Datum publicatie: 05-10-2026
Zaaknummer(s): SHE/2025/67 en SHE/2026/25
Onderwerp:
  • Registergoed, subonderwerp: leveringsakte
  • Registergoed, subonderwerp: Hypotheekakte
Beslissingen: Klacht gegrond met berisping
Inhoudsindicatie: De kandidaat-notaris heeft de leveringsakte gepasseerd, waarbij aan de klager een erfpachtrecht is geleverd met betrekking tot een appartementsrecht. De (bloot) eigendom van het appartementsrecht behoort toe aan Stichting DNGB Fonds I. Deze constructie wordt de Duokoop-constructie genoemd.De klager heeft de aankoop van het erfpachtrecht gefinancierd met een geldlening van zijn moeder (de klaagster). De kandidaat-notaris heeft ook de hypotheekakte gepasseerd, waarin de geldleningsovereenkomst is vastgelegd en de klager een hypotheekrecht heeft gevestigd op het erfpachtrecht ten behoeve van de klaagster.De klagers verwijten de kandidaat-notaris dat hij in strijd met zijn zorgplicht, onderzoeksplicht, informatie- en waarschuwingsplicht heeft gehandeld rondom de totstandkoming van deze akten en de koopovereenkomst. Daarnaast vinden zij dat de kandidaat-notaris de eerder door hen kenbaar gemaakte klachten niet juist heeft afgehandeld.De klachten worden gegrond verklaard, voor zover deze betrekking hebben op de informatieplicht van de kandidaat-notaris. Hij had de klager moeten uitleggen wat de levering van het erfpachtrecht precies inhield en hij had de klaagster moeten uitleggen wat het hypotheekrecht op het erfpachtrecht precies inhield. De kandidaat-notaris had de klagers ook moeten uitleggen welke specifieke gevolgen en risico’s hieraan zijn verbonden. Dat heeft de kandidaat-notaris onvoldoende gedaan en daarom is aan hem tweemaal een berisping opgelegd.

Klachtnummers    : SHE/2025/67 en SHE/2026/25

Datum uitspraak   : 28 september 2026

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klachten van:


1) [de klager] (hierna: de klager, klacht SHE/2025/67)

wonende in [woonplaats]

2) [de klaagster] (hierna: de klaagster, klacht SHE/2026/25)

wonende in [woonplaats]

hierna samen: de klagers

gemachtigde: de heer [naam gemachtigde]

tegen

[de kandidaat-notaris] (hierna:de kandidaat-notaris)

werkzaam in [plaatsnaam]

1.         De zaak in het kort

De kandidaat-notaris heeft de leveringsakte gepasseerd, waarbij aan de klager een erfpachtrecht is geleverd met betrekking tot een appartementsrecht. Dit betekent dat de klager het recht heeft om het appartement te mogen gebruiken en bewonen. De (bloot) eigendom van het appartementsrecht behoort toe aan Stichting DNGB Fonds I. Deze constructie wordt de Duokoop-constructie genoemd.

De klager heeft de aankoop van het erfpachtrecht gefinancierd met een geldlening van zijn moeder (de klaagster). De kandidaat-notaris heeft ook de hypotheekakte gepasseerd, waarin de geldleningsovereenkomst is vastgelegd en de klager een hypotheekrecht heeft gevestigd op het erfpachtrecht ten behoeve van de klaagster.

De klagers verwijten de kandidaat-notaris dat hij in strijd met zijn zorgplicht, onderzoeksplicht, informatie- en waarschuwingsplicht heeft gehandeld rondom de totstandkoming van deze akten en de koopovereenkomst. Daarnaast vinden zij dat de kandidaat-notaris de eerder door hen kenbaar gemaakte klachten niet juist heeft afgehandeld.

2.          Het verloop van de procedure

De beslissing van de kamer is gebaseerd op:

  • de klacht van de klager (met bijlagen), door de kamer ontvangen op 15 december 2025;
  • de klacht van de klaagster (met bijlagen), door de kamer ontvangen op 15 maart 2026;
  • de twee verweerschriften van de kandidaat-notaris;
  • de toelichting die partijen op hun standpunt hebben gegeven tijdens de gezamenlijke mondelinge behandeling van de klachten op 6 juli 2026, zoals vastgelegd in het proces-verbaal (verslag) van die behandeling.

3.          De feiten

De feiten die de kamer van belang vindt voor de beoordeling van de klachten, worden hierna verkort weergegeven. Als dat nodig is, gaat de kamer onder “5. De Beoordeling” verder in op de feitelijke gang van zaken.

1. In 2018 is het appartementsrecht, plaatselijk bekend [adresgegevens appartement] (hierna: het appartement), aan Stichting DNGB Fonds I (hierna: DNGB) geleverd. DNGB heeft vervolgens een recht van erfpacht verkocht en geleverd aan twee particuliere kopers (hierna: de toenmalige bewoners). Deze constructie wordt de Duokoop-constructie genoemd en houdt in dat de toenmalige bewoners het recht hadden om het appartement te mogen gebruiken en bewonen en de (bloot) eigendom van het appartement toebehoort aan DNGB (de erfverpachter).

2. Eind 2022 hebben de toenmalige bewoners het erfpachtrecht doorverkocht aan de klager voor € 210.000,-- kosten koper.

3. In de op 19/20 december 2022 door de klager en de toenmalige bewoners getekende koopovereenkomst is het erfpachtrecht als volgt omschreven:

“artikel 1 Verkoop en koop

1.1. Verkoper verkoopt aan koper, die van verkoper koopt, het voortdurend recht van erfpacht met betrekking tot het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de maisonnette op de eerste en tweede verdieping:

- plaatselijk bekend (incl. postcode): [adresgegevens appartement]

- (…)”

4. In artikel 29 van de koopovereenkomst staat vermeld: 

“artikel 29 Duokoop erfpachtrecht

Koper is ermee bekend dat het aangekochte registergoed een erfpachtrecht betreft. Op basis van artikel 9 van toepassing zijnde Algemene Erfpachtvoorwaarden 2017-1 is de erfpachter bevoegd de bloot eigendom van het registergoed te kopen. De bloot eigendom kan op elk gewenst moment worden gekocht tegen een terugkoopfactor van 32.5% vermenigvuldigd met de marktwaarde van de woning op het moment van de aanvraag (zie terugkoopvoorstel 31-10-2022). De waarde bedraagt op deze datum een bedrag van 80.000,- EURO. Dit bedrag kan in de toekomst wijzigen, maar kan nooit lager worden dan 55.200,- euro.”

5. In artikel 31 van de koopovereenkomst staat dat onder andere het “erfpachtcontract verkoper”, de “algemene erfpachtvoorwaarden 2017-1” en het “terugkoopvoorstel d.d. 31-10-2022” als bijlagen bij de koopovereenkomst horen.

6. De klager heeft de aankoop van het erfpachtrecht gefinancierd met een geldlening van zijn moeder, de klaagster.

7. De klagers hebben gebruik gemaakt van Nationale Notaris. Deze zelfstandige organisatie is gericht op het voorbereiden van notariële akten en staat los van het notariskantoor waar de kandidaat-notaris werkzaam is. Nationale Notaris werkt onder andere samen met notariskantoren, zoals het kantoor van de kandidaat-notaris. Dit kantoor draagt dan vervolgens zorg voor het passeren van de akten (dat is het formele moment waarop een notaris de akte geldig verklaart).

8. Nationale Notaris heeft de concept-leveringsakte en de concept-hypotheekakte opgemaakt.

9. Op 17 maart 2023 heeft de kandidaat-notaris, als waarnemer van notaris mr. drs. [naam notaris], de akte van levering gepasseerd, waarbij het erfpachtrecht is geleverd aan de klager (de erfpachter).

10. In de akte van levering wordt het erfpachtrecht op bladzijde 2 als volgt omschreven:

“NADERE OMSCHRIJVING VAN HET VERKOCHTE

De volledige omschrijving van het Verkochte luidt als volgt:

het voortdurend recht van erfpacht met betrekking tot het appartementsrecht, dat toebehoort aan de stichting: Stichting DNGB Fonds 1, dat recht geeft op het uitsluitend gebruik van de maisonnette op de eerste en tweede verdieping te [adresgegevens appartement] (…)”.

11. In de akte van levering worden de van toepassing zijnde erfpachtvoorwaarden genoemd en is conform die erfpachtvoorwaarden door de klager een pandrecht gevestigd ten behoeve van DNGB:

“ERFPACHTVOORWAARDEN

(…)

 De bijzondere erfpachtvoorwaarden zijn:

(…)

c.            de Grondquote is in verband met de vestiging van het erfpachtrecht vastgesteld op tweeëndertig vierenzeventig/honderdste procent (32,74%);

(…)

Vestiging pandrecht

Tot meerdere zekerheid voor de nakoming van de op erfpachter krachtens de Algemene Erfpachtvoorwaarden rustende verplichting tot herstel of wederopbouw van de opstal in geval van geheel of gedeeltelijk tenietgaan daarvan, verleent de erfpachter overeenkomstig de Algemene Erfpachtvoorwaarden bij dezen aan de erfverpachter, die aanvaardt, een pandrecht op zijn rechten jegens derden - waaronder begrepen verzekeraars terzake van alle door deze uit te keren verzekeringspenningen en andere uitkeringen terzake van verzekering - ter zake van dat gehele of gedeeltelijke teniet gaan. Dit pandrecht is van lagere rang dan het wettelijk pandrecht als bedoeld in artikel 3:229 van het Burgerlijk Wetboek.”

12. In de akte van levering staan bijzondere lasten en beperkingen vermeld die te maken hebben met de aansluiting van (onder andere) het appartement op een centrale verwarmingsinstallatie en een centraal antennesysteem. Voor zover er sprake is van verplichtingen die de oorspronkelijke bewoners verplicht zijn om aan de klager op te leggen, zijn die verplichtingen opgelegd en door de klager aanvaard.

13. Op de dag dat de leveringsakte is gepasseerd, heeft de kandidaat-notaris ook de hypotheekakte gepasseerd. In die hypotheekakte is de geldleningsovereenkomst tussen de klagers vastgelegd en heeft de klager ten behoeve van de klaagster een hypotheekrecht gevestigd op het erfrechtpachtrecht, tot zekerheid voor de betaling van wat hij op basis van de geldleningsovereenkomst aan de klaagster is verschuldigd.  

14. De aan een ander notariskantoor verbonden toegevoegd notaris mr. [naam toegevoegd notaris] (hierna: de toegevoegd notaris) is gestart met de voorbereidingen van een wijziging van de splitsing van het gebouw, waarvan ook het appartement deel uitmaakt. De echtgenoot van de klaagster, die de vader is van de klager (hierna: het familielid), is daarbij betrokken als beheerder van de vereniging van eigenaars. De toegevoegd notaris heeft op 26 juni 2025 onder andere het volgende aan het familielid bericht:

“We zijn nu al geruime tijd bezig om de splitsingsakte te wijzigen. (…) De notaris is vervolgens begonnen met het inzien van alle appartementsrechten. Daar deden zich de eerste verrassingen voor, waardoor het niet meer eenvoudigweg mogelijk is om de splitsing in appartementsrechten op te heffen. (…) Wat is er nl. aan de hand met [het appartement]: Dit appartementsrecht (…) behoort toe aan Stichting DNGB Fonds 1. Deze stichting heeft dit aangekocht op 10 december 2018 en heeft vervolgens een recht van erfpacht inzake een duokoop-regeling gevestigd tbv de toenmalige bewoners. Op 20 maart 2023 hebben die toenmalige bewoners (voor dit verhaal niet relevant want erfpachter af) dit erfpachtsrecht overgedragen aan [de klager]. Let op: [de klager] heeft het  erfpachtsrecht op het appartementsrecht. Dat is wat anders dan de verkrijging van het appartementsrecht. Dat appartementsrecht behoort nog altijd toe aan Stichting DNGB Fonds 1. Hef ik dus de splitsing in appartementsrechten op, dan verdwijnt daarmee ook het erfpachtsrecht en kan je heel simpelweg stellen dat [de klager] niets meer heeft.

Hoe is dit te repareren?

Ik doe alle werkzaamheden zoals afgesproken en geoffreerd, dus opheffen splitsing in appartementsrechten,  garageboxen toedelen aan degene die nu het appartementsrecht op die garagebox hebben, waarna ik het gebouw (zonder de garageboxen) opnieuw zal splitsen in appartementsrechten. Om te zorgen dat [de klager] gewoon weer heeft wat hij nu ook heeft moet Stichting DNGB Fonds 1 het erfpachtsrecht opnieuw vestigen ten behoeve van [de klager]. [De klager] zal ook zijn hypotheekrecht opnieuw moeten vestigen.”

15. Op dezelfde dag heeft het familielid aan de toegevoegd notaris geantwoord:

“Wij willen eerst “juridische” bijstand en duidelijkheid met betrekking tot deze onacceptabele en dwalende situatie. Zodat wij begrijpen wat er aan de hand is wij voelen ons willens en wetens opgelicht door de verkopende partij en zijn adviseur. Niemand heeft ons geïnformeerd of gewezen op de Duo hypotheek en het feit dat wij niet eens een appartementsrecht hebben gekocht! Maar een gebruikers recht terwijl mijn vrouw de hypotheek heeft verstrek. De notaris heeft mijn vouw doen voorkomen dat zij de eerste pand recht houder zou zijn. En nu horen wij dit. Als wij dit hadden geweten was de financiering en koop noooit tot stand gekomen. De verkopende partij en zijn adviseur hadden het over een grond canon met een door rol certificaat. Men heeft deze complexe situatie nooit verteld of toegelicht. En nu blijkt dat wij in een ordinaire beleggingsvorm te zijn verzeild geraakt met alle financiële gevolgen van dien. deze idiote situatie. Die door de verkopende partij en zijn adviseur die ons hebben Wat ons betreft wordt er niets gedaan tot duidelijk is hoe deze dwaling is ontstaan en wie aansprakelijk is voor”.

16. Op 27 november 2025 hebben de klagers een bericht gestuurd naar de kandidaat-notaris, waarna de kandidaat op 11 december 2025 een reactie heeft gestuurd naar de klaagster.

4.          De klachten

Klacht van de klager (SHE/2025/67)

4.1.      De klacht van de klager bestaat samengevat uit de volgende onderdelen.

1. De kandidaat-notaris heeft in strijd met zijn zorgplicht, onderzoeksplicht, informatie- en waarschuwingsplicht gehandeld rondom de totstandkoming van de koopovereenkomst en de akte van levering met betrekking tot het erfpachtrecht. Dit klachtonderdeel bestaat uit de volgende verwijten.

  1. De kandidaat-notaris heeft de concept-koopovereenkomst (meerdere malen) aangepast zonder uitleg te geven over (de gevolgen van) deze essentiële aanpassingen.
  2. De kandidaat-notaris heeft de klager voorafgaand aan het ondertekenen van de koopovereenkomst op 19 december 2022 niet voldoende voorgelicht over de complexe Duokoop-constructie en de aan deze constructie verbonden risico’s.
  3. De getekende koopovereenkomst bevat diverse slordigheidsfoutjes.
  4. De kandidaat-notaris heeft de klager voorafgaand aan het passeren van de leveringsakte op 17 maart 2023 niet voldoende voorgelicht over de complexe Duokoop-constructie en de aan deze constructie verbonden risico’s.
  5. De tekst in de leveringsakte sluit niet aan op de tekst in de koopovereenkomst.
  6. De kandidaat-notaris had - gelet op de WOZ-waarde en het achterstallig onderhoud van het appartement - onderzoek moeten doen naar de hoge koopprijs van het erfpachtrecht.

2. De kandidaat-notaris heeft de eerder door de klager kenbaar gemaakte klacht niet juist afgehandeld. Dit klachtonderdeel bestaat uit de volgende verwijten.

  1. Het kantoor van de kandidaat-notaris heeft geen formele klachtenregeling.
  2. De kandidaat-notaris heeft de klager niet uitgenodigd voor een gesprek, zoals de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) dat ook voorstaat.
  3. De kandidaat-notaris heeft de klager desgevraagd niet gewezen op de opties die de KNB voor klachten geeft.
  4. De veelal onbegrijpelijke juridische antwoorden op de door de klager gestelde vragen hebben zijn zorgen onvoldoende weggenomen.
  5. De brief van de klager van 27 november 2025 is niet beantwoord.

3. Op de factuur van het notariskantoor van 10 maart 2023 staat dat contante betalingen tot € 10.000,-- worden geaccepteerd. Dat is in strijd met artikel 1 van het Reglement contanten 2019.

Klacht van de klaagster (SHE/2026/25)

4.2.      De klacht van de klaagster bestaat samengevat uit de volgende onderdelen.

1. De kandidaat-notaris heeft in strijd met zijn zorgplicht, onderzoeksplicht, informatie- en waarschuwingsplicht gehandeld rondom de totstandkoming van de hypotheekakte. Dit klachtonderdeel bestaat uit de volgende verwijten.

  1. De kandidaat-notaris heeft de klaagster voorafgaand aan het passeren van de hypotheekakte op 17 maart 2023 niet voldoende voorgelicht over de complexe Duokoop-constructie en de aan deze constructie verbonden risico’s voor de klaagster als hypotheeknemer.
  2. De kandidaat-notaris had - gelet op de WOZ-waarde van het appartement - onderzoek moeten doen naar de hoge koopprijs van het erfpachtrecht.

2. De kandidaat-notaris heeft de eerder door de klaagster kenbaar gemaakte klacht niet juist afgehandeld. Dit klachtonderdeel bestaat uit de volgende verwijten.

  1. Het kantoor van de kandidaat-notaris heeft geen formele klachtenregeling.
  2. De kandidaat-notaris heeft de klaagster niet uitgenodigd voor een gesprek, zoals de KNB dat ook voorstaat.
  3. De kandidaat-notaris heeft de klaagster desgevraagd niet gewezen op de opties die de KNB voor klachten geeft.
  4. De veelal onbegrijpelijke juridische antwoorden op de door de klaagster gestelde vragen hebben haar zorgen onvoldoende weggenomen.
  5. De kandidaat-notaris heeft de brief van de klaagster van 27 november 2025 beantwoord alsof zij de koper is van het erfpachtrecht in plaats van de hypotheeknemer, waardoor de klaagster niets met dat antwoord kon.

Verweer

4.3.      De kandidaat-notaris heeft verweer gevoerd tegen de klachten. Voor zover dit verweer van belang is voor de beoordeling, wordt dit hierna besproken.

5.          De beoordeling

Kan de kamer de klachten behandelen?

5.1.      Voordat de kamer een klacht inhoudelijk kan beoordelen, moet de kamer eerst beoordelen of aan de voorwaarden is voldaan om de klacht te mogen behandelen (de ontvankelijkheid van de klacht).

Zo moet een klager “enig redelijk belang” hebben bij de klacht (artikel 99 lid 1 Wet op het notarisambt (Wna)).

5.2.      Het begrip “enig redelijk belang” moet ruim worden opgevat. Het kan een rechtstreeks belang zijn, maar ook een indirect of afgeleid belang.

Klachtonderdeel 3 klager SHE/2025/67 (contante betalingen): geen redelijk belang

5.3.      In klachtonderdeel 3 verwijt de klager de kandidaat-notaris dat op de factuur van het notariskantoor van 10 maart 2023 staat vermeld dat contante betalingen tot € 10.000,-- worden geaccepteerd. Dat is in strijd met artikel 1 van het Reglement contanten 2019, op grond waarvan maximaal € 2.500,-- in contanten aan een notaris mag worden betaald.

5.4.      De kamer is van oordeel dat de indiening van een klacht verband moet houden met het eigen belang van degene die de klacht indient. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van de klager verklaard dat de klacht met name ziet op het gebrek aan belehrung (informatie/voorlichting) en dat de rest erbij komt. De klager heeft verder met geen woord gerept over klachtonderdeel 3. Gesteld noch gebleken is dat de klager bij de transactie in 2023 een bedrag in contanten aan de kandidaat-notaris heeft betaald. Daarom is de kamer van oordeel dat de klager geen redelijk belang heeft bij de beoordeling van het derde klachtonderdeel. Dit klachtonderdeel zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Is tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld?

De maatstaf

5.5.      De maatstaf die de tuchtrechter hanteert, is of notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen (artikel 93 lid 1 Wna). De tuchtrechter toetst of:

  • hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en andere wet- en regelgeving die van toepassing is;
  • zij voldoende zorgvuldig hebben gehandeld ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden.

Zo moet een (kandidaat-)notaris het ambt in onafhankelijkheid uitoefenen en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken (rechts)personen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigen (artikel 17 lid 1 Wna). Hieruit vloeit voort dat een (kandidaat-)notaris geen akten opmaakt en laat inschrijven zonder voorafgaand deugdelijk onderzoek te verrichten.

Ook heeft een (kandidaat-)notaris een informatie-/voorlichtingsplicht, ook wel belehrungsplicht genoemd (artikel 43 lid 1 Wna).

Wat vindt de kamer?

5.6.      De kamer is van oordeel dat de kandidaat-notaris voor een deel niet aan deze maatstaf heeft voldaan (klachtonderdeel 1.d van de klager en klachtonderdeel 1.a van de klaagster) en voor het overige wel. De kamer zal dit oordeel hierna per klachtonderdeel uitleggen. De kamer houdt daarbij de volgende volgorde aan:

- klachtonderdelen 1.a tot en met 1.c en 1.e van de klager;

- klachtonderdeel 1.d van de klager en klachtonderdeel 1.a van de klaagster gezamenlijk;

- klachtonderdeel 1.f van de klager en klachtonderdeel 1.b van de klaagster gezamenlijk;

- klachtonderdeel 2.a van de klagers gezamenlijk;

- klachtonderdelen 2.b tot en met 2.e van de klagers gezamenlijk.

Klachtonderdelen 1.a tot en met 1.c klager SHE/2025/67 (koopovereenkomst): ongegrond

5.7.      De klachtonderdelen 1.a tot en met 1.c hebben betrekking op (het traject voorafgaande aan) de tussen de oorspronkelijke bewoners en de klager gesloten koopovereenkomst van het erfpachtrecht. De kamer zal deze drie klachtonderdelen - gelet op hun onderlinge samenhang - gezamenlijk behandelen.

5.8.      Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de kandidaat-notaris geen enkele bemoeienis heeft gehad met (de voorbereiding van) de koopovereenkomst van het erfpachtrecht. Zo heeft de klager verduidelijkt dat de adviseur van de oorspronkelijke bewoners de eerste concept-koopovereenkomst heeft opgesteld en dat een medewerker van Nationale Notaris het concept daarna heeft gewijzigd. De kandidaat-notaris heeft onweersproken aangevoerd dat hij pas in beeld is gekomen toen de koopovereenkomst al was getekend. Hij is niet werkzaam bij Nationale Notaris en kan daarom niet tuchtrechtelijk worden aangesproken voor de gang van zaken ten aanzien van (de totstandkoming van) de koopovereenkomst. De klachtonderdelen 1.a tot en met 1.c zullen ongegrond worden verklaard.

Klachtonderdeel 1.e klager SHE/2025/67 (inhoud leveringsakte): ongegrond

5.9.      De klager verwijt de kandidaat-notaris dat de leveringsakte op de volgende punten niet aansluit op de getekende koopovereenkomst van het erfpachtrecht.

  1. In de koopovereenkomst wordt het erfpachtrecht omschreven als “het voortdurend recht van erfpacht”, terwijl het woord “voortdurend” in de leveringsakte is weggelaten.
  2. In de leveringsakte is een nieuwe paragraaf “BIJZONDERE LASTEN EN BEPERKINGEN” opgenomen die in de koopovereenkomst niet staat vermeld.
  3. In de leveringsakte staat onder het kopje “ERFPACHTVOORWAARDEN” onder c dat de grondquote is vastgesteld op 32,74%, terwijl in artikel 29 van de koopovereenkomst een (onjuist) percentage van 32,5% wordt genoemd en op het Doorrol Certificaat Duokoop van DNGB met peildatum 12 januari 2023 een grondquote van 32,47% staat vermeld. 

5.10.     De kamer zal hierna op de door de klager genoemde drie punten ingaan.

  1. Op bladzijde 1 van de leveringsakte staat onder het kopje “OMSCHRIJVING REGISTERGOED” vermeld: “het hierna nader te omschrijven recht van erfpacht (…)”. Vervolgens wordt het erfpachtrecht op bladzijde 2 van de leveringsakte onder het kopje “NADERE OMSCHRIJVING VAN HET VERKOCHTE” omschreven als “het voortdurend recht van erfpacht (…)”. Daarmee mist het verwijt dat het woord “voortdurend” is weggelaten in de leveringsakte dus feitelijke grondslag.
  2. De kamer stelt voorop dat een (kandidaat-)notaris de plicht heeft om voor de overdracht van een onroerende zaak de openbare registers te raadplegen, om zeker te weten dat de te passeren akte de (beoogde) rechtsverhouding tussen partijen zo volledig mogelijk weergeeft. In dit geval is uit dat onderzoek gebleken dat in één van de voorgaande akten van levering verplichtingen zijn opgenomen voor de toenmalige koper. Die verplichtingen hebben te maken met de aansluiting van (onder andere) het appartement op een centrale verwarmingsinstallatie en een centraal antennesysteem. Ook is de toenmalige koper verplicht om bij doorverkoop deze verplichtingen bij wijze van kettingbeding weer op te leggen aan een volgende koper, zulks onder verbeurte van een boete: “De bepalingen (…) moeten bij elke vervreemding in eigendom en bij elke verlening of vervreemding van een zakelijk genotsrecht van het geheel of een gedeelte van het bij deze overgedragene in elke desbetreffende akte woordelijk worden opgenomen en aan de verkrijger in eigendom of van het zakelijk genotsrecht worden opgelegd (…)”.

De kandidaat-notaris heeft juist zorgvuldig gehandeld door bedoelde verplichtingen in de door hem gepasseerde leveringsakte te vermelden en verder op te nemen dat voor zover er sprake is van verplichtingen die de oorspronkelijke bewoners verplicht zijn om aan de klager op te leggen, die verplichtingen zijn opgelegd en door de klager zijn aanvaard. Dat deze verplichtingen niet in de koopovereenkomst staan vermeld, doet hier niets aan af.

  1. In artikel 29 van de koopovereenkomst wordt een terugkoopfactor van 32,5% genoemd. Op het Doorrol Certificaat Duokoop van DNGB met peildatum 12 januari 2023 staat een grondquote van 32,47% vermeld. In de leveringsakte wordt een grondquote van 32,74% genoemd. Aan de klager kan worden toegegeven dat deze verschillende percentages - hoewel de verschillen klein zijn - voor verwarring zorgen. Los van het antwoord op de vraag welk percentage juist is, is de vermelding van een mogelijk onjuist percentage in de leveringsakte echter van onvoldoende gewicht om de kandidaat-notaris hierover een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

Op grond van het voorgaande zal de kamer klachtonderdeel 1.e ongegrond verklaren.

Klachtonderdeel 1.d klager SHE/2025/67 (belehrung leveringsakte) en klachtonderdeel 1.a klaagster SHE/2026/25 (belehrung hypotheekakte): gegrond

5.11.     De kamer zal deze twee klachtonderdelen - gelet op hun onderlinge samenhang - gezamenlijk behandelen.

5.12.     De klagers verwijten de kandidaat-notaris dat hij hen voorafgaand aan het passeren van de leveringsakte en de hypotheekakte op 17 maart 2023 niet voldoende heeft voorgelicht over de complexe Duokoop-constructie en de aan deze constructie verbonden risico’s voor de klager als koper en de klaagster als hypotheeknemer. De klagers hadden geen enkele kennis over deze constructie. Na het bericht van de toegevoegd notaris van 26 juni 2025 aan het familielid is het de klagers pas duidelijk geworden dat de klager feitelijk geen appartement met een normale gemeentelijke erfpacht voor de grond heeft gekocht, maar dat de commerciële partij DNGB “het bloot eigendom” heeft op het geheel en een pandrecht. Ook is toen pas duidelijk geworden dat de klaagster slechts een hypotheekrecht op een erfpachtrecht heeft, dat haar als hypotheeknemer aanzienlijk andere en met name lagere zekerheden geeft dan als zij een hypotheekrecht had gehad op het appartement. De klagers zijn in het traject door (het kantoor van) de kandidaat-notaris of Nationale Notaris niet (voldoende) voorgelicht over de risico’s en de complexiteit van de transacties.

5.13.     De kamer overweegt het volgende. Op grond van artikel 43 lid 1 Wna moet een (kandidaat-) notaris de partijen bij een akte tijdig van tevoren gelegenheid geven om van de inhoud van de akte kennis te nemen. Voordat een akte wordt gepasseerd, moet een (kandidaat-)notaris de verschijnende personen bovendien informeren over de zakelijke inhoud van de akte en daarop een toelichting geven. Zo nodig moet een (kandidaat-)notaris daarbij wijzen op de gevolgen die voor (één of meer) partijen uit de inhoud van de akte voortvloeien.

5.14.     Een (kandidaat-)notaris kan niet volstaan met het geven van een algemene toelichting. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een (kandidaat-)notaris beroepshalve gehouden is tot het geven van verdergaande informatie en met name tot het wijzen op specifieke risico’s die aan de rechtshandeling zijn verbonden. Als er reden is voor twijfel of een partij een juiste voorstelling van zaken heeft, moet een (kandidaat-)notaris kritische vragen stellen om zich ervan te verzekeren of de wil van die partij overeenstemt met de rechtsgevolgen van de te passeren akte. In het bijzonder bij ongebruikelijke bepalingen, die eenzijdig in het voordeel zijn van één van de partijen, moet een (kandidaat-)notaris alert zijn. Als de (kandidaat-)notaris risico’s van financiële of andere aard opmerkt en reden heeft om te vermoeden dat een van de betrokken partijen die risico’s niet ziet of niet begrijpt, dan is de (kandidaat-)notaris verplicht om die partij te informeren en zo nodig te waarschuwen.De functie van een (kandidaat-)notaris in het rechtsverkeer brengt mee dat hij naar vermogen moet voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde en feitelijk overwicht. De verplichting om op de gevolgen te wijzen en zich ervan te vergewissen dat de partij(en) die gevolgen begrijpt/begrijpen, wint aan gewicht naarmate die gevolgen voor partijen of een van hen nadeliger of riskanter zijn.

5.15.     Hierbij mag van een (kandidaat-)notaris een actieve rol worden verwacht. Een (kandidaat-) notaris mag aannemen dat hij op de juiste wijze aan de voorlichtingsplicht heeft voldaan als hij ervan overtuigd is dat de verschijnende personen hebben begrepen wat de inhoud van de akte is. Het vervullen van de voorlichtingsplicht behoort volgens vaste rechtspraak tot de essentie van het notariële ambt en dient als een integraal onderdeel van het passeren van de akte te worden beschouwd.

5.16.     Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de klagers in de veronderstelling lijken te verkeren dat als sprake was geweest van gemeentelijke erfpacht de klager 100% eigenaar was geworden van het appartement(srecht). Dat is niet juist. Anders dan de klagers lijken te menen, maakt het voor de eigendoms-/gebruiksverhoudingen niet uit of de erfverpachter (degene die eigenaar is van het appartementsrecht) een gemeente is of een (andere) (rechts)persoon (in dit geval: DNGB).

5.17.     De kamer oordeelt dat de kandidaat-notaris met betrekking tot zijn voorlichtende taak ten aanzien van de leveringsakte en de hypotheekakte is tekortgeschoten. Bij dit oordeel betrekt de kamer de volgende aspecten.

  • Anders dan de kandidaat-notaris meent, is sprake van een niet alledaagse en moeilijke constructie: een recht van erfpacht met betrekking tot een appartementsrecht en een hypotheekrecht op dat recht van erfpacht.
  • De klagers zijn leken. Voor de klager was het zijn eerste woningaankoop en ook de klaagster had geen ervaring met deze (specifieke) onroerend goed transacties. Voor zover de kandidaat-notaris stelt dat het familielid wél (enige) expertise had, brengt dat geen wijziging in de op de kandidaat-notaris rustende informatieplicht. De kandidaat-notaris heeft zich er voorafgaand aan het passeren van de leveringsakte en de hypotheekakte namelijk niet van verzekerd dat het familielid de klagers ook daadwerkelijk voldoende had geïnformeerd over de gevolgen van de voorgenomen rechtshandelingen en de specifieke risico’s die daaraan verbonden waren, nog daargelaten dat hij dit niet over kan laten aan een derde.
  • De omstandigheid dat de kandidaat-notaris niet bij de totstandkoming van de koopovereenkomst, de concept-leveringsakte en de concept-hypotheekakte betrokken is geweest, laat onverlet dat het tot zijn taak behoort de klagers voldoende voor te lichten en zich ervan te vergewissen dat de klagers op de hoogte waren van de inhoud en de gevolgen van de Duokoop-constructie. De kandidaat-notaris heeft tijdens de mondelinge behandeling ook met zoveel woorden erkend dat hij eindverantwoordelijk is voor het vervullen van de informatieplicht jegens de klagers. De kandidaat-notaris mocht er dus niet zonder meer op vertrouwen dat de klagers - als gevolg van de betrokkenheid van Nationale Notaris, die de concept-leveringsakte en de concept-hypotheekakte had opgemaakt en deze concepten naar de klagers had toegezonden - konden overzien wat de Duokoop-constructie (het erfpachtrecht met betrekking tot het appartementsrecht) en het hypotheekrecht op het erfpachtrecht inhielden en welke gevolgen hieraan waren verbonden voor de klager als koper en de klaagster als hypotheeknemer.

De kandidaat-notaris had het op voorhand door Nationale Notaris aan hem gezonden dossier moeten doornemen vóór het passeren van de akten en moeten verifiëren of door Nationale Notaris bij het toezenden van de concept-akten aan de klagers een toelichting op de concept-akten was meegestuurd en zo ja, wat die toelichting dan inhield. De kandidaat-notaris heeft erkend dat hij dat niet heeft gedaan. Ook in deze klachtprocedure is niet duidelijk geworden of en zo ja welke toelichting de klagers van Nationale Notaris hebben ontvangen. Voor de hier aan de orde zijnde problematiek is een uitleg die pas tijdens het passeren wordt gegeven in beginsel niet tijdig en niet afdoende.

  • De kandidaat-notaris heeft tijdens de mondelinge behandeling in zijn algemeenheid toegelicht dat bij elke aktepassering de betreffende partijen de tijd hebben om aan te geven wat hen bezighoudt en om vragen te stellen. Als partijen geen bezwaren aan de orde stellen en de transactie helder is, is er volgens de kandidaat-notaris geen reden om aan partijen te vragen of zij zeker weten dat zij met de transactie willen doorgaan. De kandidaat-notaris kan zich niet herinneren dat de klagers bezwaren, problemen of prangende vragen aan de orde hebben gesteld en gaat die bij afwezigheid van bijzondere omstandigheden ook niet zelf opwerpen. Hij heeft naar eigen zeggen geen gespreksaantekeningen gemaakt van de passeerafspraak, omdat er geen bijzonderheden waren. Volgens de kandidaat-notaris kon hij zich daarom ook beperken tot een zakelijke opgaaf en beperkte voorlezing van de akten.

De kamer stelt vast dat de kandidaat-notaris niet concreet heeft toegelicht welke informatie en uitleg hij aan de klagers heeft gegeven over (het hypotheekrecht op) het erfpachtrecht met betrekking tot het appartementsrecht. De kamer oordeelt dat juist bij een constructie als de onderhavige van de kandidaat-notaris mocht worden verwacht dat alle haken en ogen zouden zijn benoemd en met name dat gewezen zou zijn op zekerheden en mogelijke onzekerheden. De kandidaat-notaris had niet mogen volstaan met het geven van een algemene toelichting. Hij was in dit geval gehouden tot het geven van verdergaande informatie en met name tot het wijzen op specifieke risico’s die aan de rechtshandelingen waren verbonden (bijvoorbeeld indien de splitsing van een gebouw in appartementsrechten zou worden opgeheven). Bovendien mocht van de kandidaat-notaris worden verwacht dat tenminste de tijdens het passeren gegeven uitleg zou zijn vastgelegd in het dossier.

In het licht van het voorgaande moet naar het oordeel van de kamer worden aangenomen dat de klagers onvoldoende zijn geïnformeerd over de niet alledaagse en moeilijke Duokoop-constructie, het hypotheekrecht op het erfpachtrecht en de hieraan verbonden specifieke gevolgen en risico’s, die anders zijn dan ingeval de klager een appartementsrecht zou hebben verkregen en hij op dat appartementsrecht een hypotheekrecht ten behoeve van de klaagster zou hebben gevestigd. De kamer vindt een bevestiging van haar oordeel in het volgende.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben de klagers gesteld dat de eerste concept-koopovereenkomst door de adviseur van de oorspronkelijke bewoners is opgesteld en dat dat concept uitging van gemeentelijke erfpacht. Volgens de klagers is de concept-koopovereenkomst daarna aangepast door de Nationale Notaris. In de aangepaste en uiteindelijk getekende koopovereenkomst is de Duokoop-constructie opgenomen. Deze gang van zaken is door de kandidaat-notaris niet (voldoende) weersproken. Wel heeft hij aangevoerd dat hij niet wist dat er door Nationale Notaris aan de koopovereenkomst was gesleuteld. Volgens de kandidaat-notaris is hij niet op die wijziging geattendeerd. De kandidaat-notaris heeft erkend dat het om een wezenlijke wijziging gaat en dat als hij daarvan had geweten hij die wijziging tijdens het passeren had moeten aankaarten. Los van de vraag of de kandidaat-notaris met deze relevante wijziging wel bekend had kunnen zijn, indien hij het dossier van de Nationale Notaris had doorgenomen, is aannemelijk geworden dat de kandidaat-notaris de Duokoop-constructie bij het passeren van de akten onvoldoende aan de orde heeft gesteld en toegelicht.

5.18.     Klachtonderdeel 1.d van de klager en klachtonderdeel 1.a van de klaagster zullen gegrond worden verklaard.

Klachtonderdeel 1.f klager SHE/2025/67 en klachtonderdeel 1.b klaagster SHE/2026/25 (koopprijs erfpachtrecht): ongegrond

5.19.     Klachtonderdeel 1.f van de klager en klachtonderdeel 1.b van de klaagster zijn (grotendeels) gelijkluidend en lenen zich daarom voor een gezamenlijke beoordeling.

5.20.     De klagers verwijten de kandidaat-notaris dat hij geen onderzoek heeft gedaan naar de hoge koopprijs van het erfpachtrecht van € 210.000,--. De WOZ-waarde 2023 (met als peildatum 1 januari 2022) van het appartement en vergelijkbare appartementen in hetzelfde gebouw was namelijk € 193.000,--. De klagers gingen ervan uit dat bij alle vergelijkbare appartementen in hetzelfde gebouw ook sprake was van een (gemeentelijke) erfpachtconstructie en dat de koopprijs van € 210.000,-- niet uitzonderlijk was in de toenmalige marktomstandigheden. Later is gebleken dat bij de andere appartementen geen sprake was van een erfpachtconstructie. De kandidaat-notaris heeft niet aan de klager gevraagd waarom hij zoveel geld zou willen betalen voor het erfpachtrecht, terwijl het appartement achterstallig onderhoud had. En aan de klaagster heeft de kandidaat-notaris niet gevraagd waarom zij zoveel geld zou willen uitlenen aan de klager voor de aankoop van het erfpachtrecht. De kandidaat-notaris heeft de klagers evenmin gewezen op het risico dat het erfpachtrecht bij een (gedwongen) doorverkoop (in de eerste jaren) een lagere opbrengst zou opleveren dan € 210.000,--.

5.21.     De kamer stelt voorop dat de onderzoeksplicht en de zorgplicht van een (kandidaat-)notaris meebrengen dat hij met inachtneming van de belangen van alle betrokken partijen de rechtszekerheid dient te waarborgen. Hieruit vloeit voort dat een (kandidaat-)notaris geen akten opmaakt (en laat inschrijven) zonder voorafgaand deugdelijk onderzoek te verrichten. De klagers zijn van mening dat de kandidaat-notaris onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de (volgens hen te hoge) koopprijs van het erfpachtrecht. De kamer deelt die mening niet. De kandidaat-notaris is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de koopovereenkomst en stond in zoverre buiten de gemaakte afspraken tussen twee particuliere partijen (de oorspronkelijke bewoners en de klager). Niet gebleken is dat er destijds voor de kandidaat-notaris kenbare indicatoren aanwezig waren die voor hem aanleiding hadden moeten vormen om nader onderzoek te doen naar de waarde van het erfpachtrecht. De klagers hadden er voor kunnen kiezen om vóór de kooptransactie en de geldleningstransactie een taxatierapport van het erfpachtrecht op te laten maken. Dat zij dat niet hebben gedaan komt voor hun eigen rekening en risico. De klagers stellen dat het erfpachtrecht nu moeilijk te verkopen is, omdat potentiële kopers niet in aanmerking komen voor Nationale Hypotheek Garantie. Dat kan de kandidaat-notaris echter niet worden verweten.

Op grond van het voorgaande zullen klachtonderdeel 1.f van de klager en klachtonderdeel 1.b van de klaagster ongegrond worden verklaard.

Klachtonderdeel 2.a klagers SHE/2025/67 en SHE/2026/25 (formele klachtenregeling): ongegrond

5.22.     Klachtonderdeel 2.a van de klager en klachtonderdeel 2.a van de klaagster zijn gelijkluidend en lenen zich daarom voor een gezamenlijke beoordeling.

5.23.     De klagers verwijten de kandidaat-notaris dat zijn kantoor geen formele klachtenregeling heeft.

5.24.     De kamer oordeelt dat dit klachtonderdeel ongegrond is en licht dit oordeel als volgt toe.

Artikel 55 lid 2 Wna bepaalt dat bij verordening regels worden gesteld over de inrichting van een algemene klachten- en geschillenregeling voor het notariaat. In artikel 2 van de Verordening Klachten- en geschillenregeling (hierna: de Verordening) staat vervolgens: “De notaris draagt zorg voor een kantoorklachtenregeling.” Los van de vraag of het kantoor van de kandidaat-notaris een kantoorklachtenregeling heeft zoals hiervoor bedoeld, is de kamer van oordeel dat de kandidaat-notaris op het eventueel ontbreken van een kantoorklachtenregeling niet tuchtrechtelijk is aan te spreken. In artikel 1 van de Verordening staat namelijk dat in die verordening onder “notaris” wordt verstaan: “de notaris, genoemd in artikel 1 onder a. van de Wet op het notarisambt alsmede de kandidaat-notaris, genoemd in artikel 1 onder b.”. In artikel 1 lid 1 onder a Wna wordt de notaris genoemd en onder b de toegevoegd notaris. De kandidaat-notaris valt niet onder één van deze twee categorieën. Hij is een kandidaat-notaris als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder c Wna. Op hem rust daarom niet de in artikel 2 van de Verordening genoemde verplichting om voor een kantoorklachtenregeling te zorgen.

Klachtonderdelen 2.b tot en met 2.e klagers SHE/2025/67 en SHE/2026/25 (afhandeling klachten): ongegrond

5.25.     De klachtonderdelen 2.b tot en met 2.e van de klagers hebben betrekking op de klachtenafhandeling. De kamer zal deze klachtonderdelen - gelet op hun onderlinge samenhang - gezamenlijk behandelen.

5.26.     De klagers verwijten de kandidaat-notaris - kort gezegd - dat hij de eerder door hen kenbaar gemaakte klachten niet juist heeft afgehandeld. Zo verwijten zij de kandidaat-notaris dat hij:

  • hen niet heeft uitgenodigd voor een gesprek;
  • hen desgevraagd niet heeft gewezen op de opties die de KNB voor klachten geeft;
  • hun zorgen onvoldoende heeft weggenomen door zijn veelal onbegrijpelijke juridische antwoorden op hun vragen;
  • de brief van de klager van 27 november 2025 niet heeft beantwoord en de brief van de klaagster van dezelfde datum heeft beantwoord alsof zij de klager (en dus de koper van het erfpachtrecht) was, waardoor de klaagster niets met het antwoord kon.

5.27.     De kamer vindt deze verwijten onterecht. Indien de klagers behoefte hadden aan een gesprek, een toelichting op de door de kandidaat-notaris gegeven antwoorden of een (nadere) reactie op hun vragen en op hun brieven van 27 november 2025, had het op hun weg gelegen om de kandidaat-notaris hiervan in kennis te stellen of een reminder te sturen, alvorens een klacht in te dienen. Gesteld noch gebleken is dat de klagers dat hebben gedaan. De kamer is van oordeel dat de klagers met het indienen van de klachtonderdelen 2.b tot en met 2.e voorbarig zijn. Deze klachtonderdelen zullen dus ongegrond worden verklaard.

Conclusie en maatregel

ten aanzien van de klacht van de klager (SHE/2025/67)

5.28.     Van deze klacht wordt klachtonderdeel 1.d gegrond verklaard. De klacht wordt voor het overige niet-ontvankelijk dan wel ongegrond verklaard.

5.29.     De kandidaat-notaris heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door de leveringsakte te passeren zonder hierbij jegens de klager te voldoen aan de op hem rustende informatieplicht (artikel 43 lid 1 Wna). De kandidaat-notaris had de klager moeten uitleggen wat de levering van het erfpachtrecht met betrekking tot het appartementsrecht precies inhield en welke specifieke gevolgen en risico’s hieraan zijn verbonden (bijvoorbeeld indien de splitsing van een gebouw in appartementsrechten wordt opgeheven), die anders zijn dan ingeval de klager een appartementsrecht zou hebben verkregen. Deze informatieplicht hoort tot de kerntaken van een (kandidaat-)notaris en is onderdeel van de zorgplicht van een (kandidaat-)notaris zoals die in artikel 17 lid 1 van de Wna is opgenomen. De kandidaat-notaris heeft onvoldoende invulling gegeven aan deze kerntaak en daarom kan niet worden volstaan met een lichtere maatregel dan die van berisping.

ten aanzien van de klacht van de klaagster (SHE/2026/25)

5.30.     Van deze klacht wordt klachtonderdeel 1.a gegrond verklaard. De klacht wordt voor het overige ongegrond verklaard.

5.31.     De kandidaat-notaris heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door de hypotheekakte te passeren zonder hierbij jegens de klaagster te voldoen aan de op hem rustende informatieplicht (artikel 43 lid 1 Wna). De kandidaat-notaris had de klaagster moeten uitleggen wat het hypotheekrecht op het erfpachtrecht met betrekking tot het appartementsrecht precies inhield en welke specifieke gevolgen en risico’s hieraan zijn verbonden (bijvoorbeeld indien de splitsing van een gebouw in appartementsrechten wordt opgeheven), die anders zijn dan in het geval de klaagster een hypotheekrecht zou hebben verkregen op een appartementsrecht. Deze informatieplicht hoort tot de kerntaken van een (kandidaat-)notaris en is onderdeel van de zorgplicht van een (kandidaat-)notaris zoals die in artikel 17 lid 1 van de Wna is opgenomen. De kandidaat-notaris heeft onvoldoende invulling gegeven aan deze kerntaak en daarom kan niet worden volstaan met een lichtere maatregel dan die van berisping.

ten aanzien van beide klachten (SHE/2025/67 en SHE/2026/25)

5.32.     Dat de kandidaat-notaris eerder maatregelen opgelegd heeft gekregen, weegt de kamer niet als verzwarende omstandigheid mee, aangezien die eerdere tuchtzaken meer dan tien jaar geleden speelden.

Proceskosten

Terugbetaling griffierecht

5.33.     Omdat de kamer de klachten gedeeltelijk gegrond verklaart, moet de kandidaat-notaris op grond van artikel 99 lid 5 Wna het door de klager betaalde griffierecht van € 50,00 en het door de klaagster betaalde griffierecht van € 50,00 aan hen vergoeden.

Kostenveroordeling ten behoeve van de klager en de klaagster

5.34.     De kamer zal de kandidaat-notaris op grond van artikel 103b lid 1 aanhef en onder a Wna en de Richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 veroordelen in de kosten die de klagers in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs hebben moeten maken: deze kosten zijn vastgesteld op een bedrag van € 50,00 per persoon.

5.35.     De kandidaat-notaris moet het griffierecht en de hiervoor genoemde kosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden aan de klagers betalen. De klagers moeten daarvoor tijdig hun rekeningnummers schriftelijk doorgeven aan de kandidaat-notaris.

Kostenveroordeling ten behoeve van de kamer

5.36.     Verder ziet de kamer aanleiding om de kandidaat-notaris op grond van artikel 103b lid 1 aanhef en onder b Wna en de Richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Deze kosten worden in beginsel vastgesteld op een bedrag van € 2.000,00 per klacht, met een wegingsfactor 1. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot het hanteren van een andere wegingsfactor. Omdat de klachten van de klagers (voor een groot deel) gelijkluidend zijn, met elkaar samenhangen en de klachten gecombineerd mondeling zijn behandeld, ziet de kamer aanleiding om de kosten van deze procedure vast te stellen op een totaalbedrag van  € 2.000,00. De kandidaat-notaris moet dus in iedere zaak een bedrag van € 1.000,00 aan de kamer betalen. De kamer bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan de kamer moeten worden betaald. De kandidaat-notaris zal hiervoor een nota ontvangen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) in Utrecht.

6.          De beslissing

De kamer:

klacht SHE/2025/67 van de klager

6.1.      verklaart klachtonderdeel 3 niet-ontvankelijk;

6.2.      verklaart klachtonderdeel 1.d gegrond;

6.3.      verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

6.4.      legt aan de kandidaat-notaris de tuchtmaatregel van berisping op;

6.5.      veroordeelt de kandidaat-notaris tot betaling aan de klager van een bedrag van:

  • € 50,00 in verband met het genoemde griffierecht;
  • € 50,00 in verband met de genoemde kosten van de klager,

en bepaalt dat het totaalbedrag moet worden betaald op de wijze en binnen de termijn die hiervoor onder 5.35. is omschreven;

6.6.      veroordeelt de kandidaat-notaris tot betaling aan de kamer van een bedrag van € 1.000,00 in verband met de genoemde kosten van behandeling van de zaak en bepaalt dat dit bedrag moet worden betaald op de wijze en binnen de termijn die hiervoor onder 5.36. is omschreven.

klacht SHE/2026/25 van de klaagster

6.7.      verklaart klachtonderdeel 1.a gegrond;

6.8.      verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

6.9.      legt aan de kandidaat-notaris de tuchtmaatregel van berisping op;

6.10.     veroordeelt de kandidaat-notaris tot betaling aan de klaagster van een bedrag van:

  • € 50,00 in verband met het genoemde griffierecht;
  • € 50,00 in verband met de genoemde kosten van de klaagster,

en bepaalt dat het totaalbedrag moet worden betaald op de wijze en binnen de termijn die hiervoor onder 5.35. is omschreven;

6.11.     veroordeelt de kandidaat-notaris tot betaling aan de kamer van een bedrag van € 1.000,00 in verband met de genoemde kosten van behandeling van de zaak en bepaalt dat dit bedrag moet worden betaald op de wijze en binnen de termijn die hiervoor onder 5.36. is omschreven.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.H.L.M. Snijders, voorzitter, mr. H. van Waterschoot-van der Linden en mr. H.M.A. Albicher, leden.

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026 door mr. T. Zuidema, fungerend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Hoger beroep:
 

U kunt hoger beroep instellen tegen deze beslissing door een verzoekschrift in te dienen bij het gerechtshof in Amsterdam (postadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam). Dit kunt u doen binnen dertig dagen na de datum (dagtekening) van de aangetekende brief waarbij de kamer deze beslissing aan u heeft toegestuurd.