ECLI:NL:TADRAMS:2026:212 Raad van Discipline Amsterdam 26-077/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:212 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-09-2026 |
| Datum publicatie: | 02-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-077/A/NH |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 28 september 2026 in de zaak 26-077/A/NH
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad
van discipline van 2 maart 2026 (bij vervroeging) op de klacht van:
klager
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 28 november 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
Op verzoek van de deken heeft klager zijn klager bij brief van 16 december 2026 nader
onderbouwd. Bij niet gedateerde brief (door de deken ontvangen op 3 maart 2025) heeft
klager opnieuw een klacht over verweerster ingediend.
1.2 Op 29 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk re/ss/25-118/2476112
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 2 maart 2026 heeft de voorzitter van de raad (hierna ook:
de voorzitter) de klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Deze beslissing is
op dezelfde datum verzonden aan partijen.
1.4 Op 9 maart 2026 heeft de raad het verzetschrift van klager ontvangen.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 14 augustus 2026. Daarbij
waren klager en verweerster aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift. Ook heeft de raad kennisgenomen van de stukken van klager,
ontvangen op 1 en 20 april 2026, voor zover die zien op het verzet.
1.7 Na de zitting van de raad heeft klager de voorzitter van de raad gewraakt
in een ongedateerde brief, die klager op 14 augustus 2026 bij de Centrale Balie van
de rechtbank Amsterdam heeft afgegeven. Bij beslissing van 11 september 2026 heeft
de wrakingskamer van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag als plaatsvervanger
van de Raad van Discpline in het ressort Amsterdam het verzoek tot wraking kennelijk
ongegrond verklaard en bepaald dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin
deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.
1.8 De raad doet heden uitspraak als na te melden.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in.
2.2 Volgens klager heeft de voorzitter niet in het juiste toetsingskader geoordeeld
en zijn vele relevante feiten en omstandigheden niet in de beoordeling meegenomen.
Er zijn te veel ingekaderde/beperkende (daarmee opsluitende) voorwaarden (tegen het
gehele leven gericht) ten koste van een eerlijk proces. Dat volgt uit de door klager
overgelegde producties. Ook de hantering van het begrip (termijn) tijd is evident
onjuist toegepast. Het is (relatief) gemakkelijk vanuit een bepaald georganiseerd
(in een bepaalde beroepsgroep met vakjargon/vooringenomen betekenissen/context) proces
formeel te handelen. De beoordelaar maakt echter zelf juiste informatie/feiten (om
beter (levend) te kunnen oordelen) onmogelijk/ tot desinformatie, zoals in deze zaak
het geval is geweest. De rechtspraak in zijn geheel faalt. Klager is door deze termijnhantering
van de voorzitter ten onrechte buitengesloten en al te lang te weinig gehoord. Wat
betreft de termijnverschoning recente periode is het (vertrouwelijke/overname) verzoek
door de raad naar zijn postbus gestuurd. Welke juist (om omkoopredenen/te hoge huur)
is/wordt verhuisd, naar een slechtere locatie, waardoor de sensitieve signaalcode
afstemming van klager gestoord werd.
2.3 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet
niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar
de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee
hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter
juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, voorzitter, mrs. P.J. Mijnssen en M.J.E. van den Bergh, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 28 september 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 28 september 2026