ECLI:NL:TAHVD:2026:316 Hof van Discipline 's Gravenhage 260200
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:316 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-10-2026 |
| Datum publicatie: | 02-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260200 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Het aanwijzingsverzoek heeft betrekking op een procedure die zou moeten dienen buiten Nederland en dus buiten het arrondissement Amsterdam. De deken beschikt gelet op de formulering van artikel 13 Advocatenwet uitsluitend over de bevoegdheid een advocaat aan te wijzen voor het verlenen van bijstand in het arrondissement van die deken. Deze beperking tot het eigen arrondissement sluit aan bij de bevoegdheidsverdeling van de organen van de Nederlandse orde van advocaten en van de orden in de arrondissementen zoals geregeld in artikelen 17 tot en met 36 van de Advocatenwet. De deken beschikt gelet hierop niet over de bevoegdheid een advocaat aan te wijzen voor het verlenen van bijstand in de door klaagster gewenste procedure. |
Beslissing van 2 oktober 2026
in de zaak 260200
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klaagster
tegen:
mrs. E.J.M. van Rijckevorsel-Teeuwen en J.H. Stek
Deken en waarnemend deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klaagster heeft op 18 februari 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot
aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 19 mei 2026. De
deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de door klaagster
genoemde gedaagden niet zijn
gevestigd in Nederland.
Bij het hof
1.3 Klaagster heeft op 21 mei 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken
ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
1.5 Het hof heeft het beklag van klager schriftelijk behandeld op basis van de
stukken in het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klaagster heeft de deken verzocht om voor verschillende geschillen met (een persoon die zich uitgeeft voor) de acteur Leonardo DiCaprio, door klaagster aangeduid als haar “ex-man”, hierna (DiCaprio) en zijn vermeende management een advocaat aan te wijzen. De deken heeft uit de stukken opgemaakt dat klaagster een vordering tot schadevergoeding/miljoenenclaim meent te hebben DiCaprio en op Sony/DiCaprio/Appian Way Productions.
2.2 Nu de door klaagster genoemde gedaagden niet in Nederland zijn gevestigd en een eventuele procedure niet in Nederland zou plaatsvinden, heeft de deken haar verzoek tot aanwijzing van een advocaat afgewezen.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klaagster heeft in eerste instantie aangevoerd dat er sprake is van obstructie
en belangenverstrengeling door de Amsterdamse orde van Advocaten. Klaagster heeft
op 1 juni 2026 gesteld dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Zij
wijst erop dat zij een relatie had met DiCaprio die zij afgelopen jaar heeft beëindigd.
Hij heeft tijdens deze relatie gebruik gemaakt van klaagsters creativiteit en contacten.
DiCaprio heeft toegezegd in een schadevergoeding te zullen voorzien en hij heeft ook
gezegd dat hij geld naar klaagster terug zou sturen wat betreft de kosten die klaagster
in die tijd heeft gemaakt. Deze zaak betreft een privé aangelegenheid.
3.2 Klaagster verzoekt de voorzitter haar bij te staan in een zaak tegen DiCaprio die haar veel geld schuldig is en steeds verzuimt om klaagster haar geld te sturen. Klaagster stelt dat zij niet zijn advocaat wil betalen (zijn verzoek) om haar geld van hem/zijn management te krijgen. Dat is volgens klaagster de omgekeerde wereld. Klaagster geeft aan dat DiCaprio een filmproductiebedrijf, te weten Appian Way Producties heeft waarvan Sony partner is. Hier is volgens klaagster zeker geld te halen. DiCaprio kan dus niet zeggen dat hij geen geld heeft want er is voldoende geld bij zijn zakelijk partners beschikbaar om klaagster haar het geld te sturen waar zij recht op heeft.
Verweer
3.3 De deken heeft aangevoerd dat het beklag geen gronden bevat die een andere
beslissing dan afwijzing van het artikel 13-verzoek rechtvaardigen.
3.4 Voor zover klaagsters beklaggrond luidt dat er sprake is van obstructie en belangenverstrengeling door de Amsterdamse orde van Advocaten, kan de deken klaagster niet goed volgen. Uit het bericht van klaagster van 1 juni 2026 maakt de deken op dat klaagster volhardt in haar standpunt dat DiCaprio heeft toegezegd in een schadevergoeding te voorzien en het geld aan haar terug te sturen. Klaagster stelt dat dit een privé aangelegenheid betreft. Klaagster zoekt een advocaat om haar bij te staan in een procedure tegen DiCaprio omdat zij van mening is dat er genoeg geld te halen valt bij hem dan wel zijn management
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
4.2 Het aanwijzingsverzoek heeft betrekking op een procedure die zou moeten dienen buiten Nederland en dus buiten het arrondissement Amsterdam. De deken beschikt gelet op de formulering van artikel 13 Advocatenwet uitsluitend over de bevoegdheid een advocaat aan te wijzen voor het verlenen van bijstand in het arrondissement van die deken. Deze beperking tot het eigen arrondissement sluit aan bij de bevoegdheidsverdeling van de organen van de Nederlandse orde van advocaten en van de orden in de arrondissementen zoals geregeld in artikelen 17 tot en met 36 van de Advocatenwet. De deken beschikt gelet hierop niet over de bevoegdheid een advocaat aan te wijzen voor het verlenen van bijstand in de door klaagster gewenste procedure. De deken mocht het verzoek daarom afwijzen.
4.3 Gelet op het voorgaande zal het beklag ongegrond worden verklaard.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 19 mei 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en F.C. van der Jagt – Vink, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 2 oktober 2026.