ECLI:NL:TNORSHE:2026:26 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2025/59

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2026:26
Datum uitspraak: 28-09-2026
Datum publicatie: 05-10-2026
Zaaknummer(s): SHE/2025/59
Onderwerp: Personen- en Familierecht, subonderwerp: Nalatenschap
Beslissingen:
  • Klacht niet-ontvankelijk
  • Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: De zaak gaat over de afwikkeling van de nalatenschap van klagers moeder. Op grond van haar testament zijn klager en zijn zus de enige erfgenamen. Moeder heeft in haar testament de kandidaat-notaris met de meeste werkjaren binnen het kantoor van een andere notaris benoemd tot executeur/afwikkelingsbewindvoerder in haar nalatenschap. De betreffende kandidaat-notaris heeft die benoeming aanvaard en meteen daarna het kantoor van de beklaagde notaris in haar plaats gesteld. Klager is ontevreden over de manier waarop (de medewerkers van) de notaris hun/zijn werkzaamheden hebben/heeft verricht en hij heeft bezwaar tegen (de hoogte van) de kosten die voor die werkzaamheden in rekening zijn gebracht.De klacht wordt voor een deel niet-ontvankelijk verklaard (te laat ingediend) en de klacht wordt voor het overige ongegrond verklaard.

Klachtnummer    : SHE/2025/59

Datum uitspraak : 28 september 2026

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van:


[de klager] (hierna: klager)

wonende in [woonplaats], Verenigd Koninkrijk

tegen

[de notaris] (hierna: de notaris)

gevestigd in [vestigingsplaats]

gemachtigde: mevrouw mr. G.J. van den Adel, advocaat in Hendrik-Ido-Ambacht

1.         De zaak in het kort

De zaak gaat over de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van de klager. Op grond van haar testament zijn de klager en zijn zus de enige erfgenamen. Moeder heeft in haar testament de kandidaat-notaris met de meeste werkjaren binnen het kantoor van een andere notaris benoemd tot executeur/afwikkelingsbewindvoerder in haar nalatenschap. De betreffende kandidaat-notaris heeft die benoeming aanvaard en meteen daarna het kantoor van de beklaagde notaris in haar plaats gesteld. De klager is ontevreden over de manier waarop (de medewerkers van) de notaris hun/zijn werkzaamheden hebben/heeft verricht en hij heeft bezwaar tegen (de hoogte van) de kosten die voor die werkzaamheden in rekening zijn gebracht.

2.          Het verloop van de procedure

De beslissing van de kamer is gebaseerd op:

  • de klacht (met bijlagen), door de kamer ontvangen op 20 oktober 2025;
  • de reactie van de notaris op de klacht (met bijlagen);
  • de twee e-mails (met bijlagen) van 17 juni 2026, de e-mail (met bijlage) van 19 juni 2026, de e-mail van 22 juni 2026 (met bijlage), de e-mail van 23 juni 2026 (met bijlage), de twee e-mails van 25 juni 2026 (met bijlagen), de vier e-mails van 26 juni 2026 (met bijlagen) van de klager;
  • de e-mail van 25 juni 2026 (met bijlagen) van de gemachtigde van de notaris;
  • de toelichting die partijen op hun standpunt hebben gegeven bij de mondelinge behandeling van de klacht op 6 juli 2026: die toelichting is vastgelegd in het proces-verbaal (verslag) van die behandeling.

3.          De feiten

De feiten die de kamer van belang vindt voor de beoordeling van de klacht, worden hierna verkort weergegeven. Als dat nodig is, gaat de kamer onder “5. De Beoordeling” verder in op de feitelijke gang van zaken.

1. De moeder van de klager, mevrouw [naam moeder] (hierna: moeder), heeft op 26 oktober 2011 een testament gemaakt. In dit testament heeft moeder (voor zover van belang) het volgende bepaald.

  • Moeder heeft de klager en zijn zus, mevrouw [naam zus] (hierna: de zus), tot haar enige erfgenamen benoemd.
  • Moeder heeft haar sieraden en een schilderij gelegateerd aan de zus.
  • Moeder heeft haar inboedel, auto en een bedrag van € 9.000,-- gelegateerd aan de klager.
  • Moeder heeft aan de klager het recht toegekend om het aan haar in eigendom toebehorende appartement aan [adresgegevens appartement] (hierna: het appartement) over te nemen, onder de last om de waarde van het appartement in contanten in de nalatenschap te brengen.
  • Moeder heeft een afwikkelingsbewind ingesteld over haar nalatenschap en de kandidaat-notaris met de meeste werkjaren binnen het kantoor van (onder andere) notaris mr. [naam betreffende notaris] (hierna: mr. [X]) benoemd tot executeur/afwikkelingsbewindvoerder in haar nalatenschap. Moeder heeft aan de executeur/afwikkelingsbewindvoerder de bevoegdheid gegeven om een andere executeur/afwikkelingsbewindvoerder in zijn/haar plaats te stellen.

2. In 2016 heeft moeder het appartement verkocht aan drie kopers.

3. De juridische levering van het appartement aan de kopers heeft in 2017 plaatsgevonden.

4. Moeder is naar een verzorgingshuis verhuisd. Haar inboedel en enkele spullen van de klager werden sindsdien extern opgeslagen.

5. Op 21 maart 2017 heeft de notaris van een ander kantoor, mr. [naam betreffende notaris] (hierna: mr. [Y]), het levenstestament van moeder gepasseerd, waarbij moeder aan de zus een algemene volmacht heeft verleend.

6. Op 9 december 2018 heeft de zus aan de klager laten weten dat zij geen belangstelling heeft voor moeders inboedel en dat de klager de inboedel van moeder mag hebben. De zus heeft de klager gevraagd om hierin een keuze te maken. Verder heeft zij hem verzocht om de opslagkosten te betalen als hij de opslag wil continueren.

7. Moeder is op [datum] 2021 overleden.

8. Vanaf 1 januari 2022 is de klager de opslagkosten van moeders inboedel en zijn eigen spullen gaan betalen.

9. Begin januari 2022 hebben de klager en de zus afstand gedaan van moeders auto. De auto is vervolgens op naam van de dochter van de zus (hierna: de nicht) gesteld, die de auto al sinds 2016 van moeder leende.

10. De door moeder benoemde executeur/afwikkelingsbewindvoerder (de kandidaat-notaris met de meeste werkjaren binnen het kantoor van mr. [X]) bleek kandidaat-notaris mr. [naam betreffende kandidaat-notaris] (hierna: mr. [Z]) te zijn. Bij onderhandse akte van 19 mei 2022 heeft zij haar benoeming tot executeur/afwikkelingsbewindvoerder in moeders nalatenschap aanvaard en heeft zij het kantoor van de notaris, [naam kantoor] (hierna: [A B.V.]), in haar plaats gesteld.

11. Namens de notaris hebben met name twee van zijn medewerkers, mevrouw mr. [naam medewerker] (hierna: [B]) en mevrouw mr. [naam medewerker] (hierna: [C]), werkzaamheden verricht in het dossier.

12. Op 25 mei 2022 heeft [B] aan de klager bericht dat [A B.V.] als executeur in de plaats is gesteld en dat na bestudering van de ontvangen stukken contact met de klager zal worden opgenomen over de vervolgstappen.    

13. Op 24 juni 2022 heeft de notaris een “verklaring van executele/afwikkelingsbewindvoerder” opgemaakt, waarin staat dat [A B.V.] de executele heeft aanvaard en [A B.V.] dus zelfstandig, met uitsluiting van ieder ander, bevoegd is om de goederen van moeders nalatenschap te beheren en daarover te beschikken.

14. Op 5 augustus 2022 heeft [B] aan de klager bericht dat er in zijn Online Dossier een informatiebrief en andere documenten klaarstaan. In de brief wordt de klager onder andere geïnformeerd over:

  • de inhoud van moeders testament;
  • de keuzemogelijkheden die de klager heeft (de nalatenschap zuiver aanvaarden, beneficiair aanvaarden of verwerpen) en de gevolgen daarvan;
  • de samenstelling van de nalatenschap;
  • het door [A B.V.] in rekening te brengen uurtarief en de tot dan toe gefactureerde behandelingskosten. 

In de informatiebrief wordt ook een aantal geschilpunten tussen de klager en de zus uitgelicht.

15. Nadat de klager telefonisch contact had opgenomen met [B], heeft zij hem op 8 augustus 2022 de informatiebrief per mail toegezonden en hem onder andere meegedeeld:

“U gaf aan nog geen Online Dossier aan te wensen maken en wenst de eerste brief graag per mail te ontvangen, deze doe ik u in de bijlage toekomen.”.

16. Op 9 augustus 2022 heeft de klager de ontvangst van de informatiebrief bevestigd en op 10 augustus 2022 heeft hij inhoudelijk op de informatiebrief gereageerd.  

17. Tussen de klager en de zus bleek discussie te bestaan over:

  • de gang van zaken rondom de totstandkoming van de koopovereenkomst en de levering van het appartement, waardoor het in moeders testament aan de klager toegekende recht tot overname van het appartement niet meer aan de orde is;
  • de gang van zaken rondom de totstandkoming van moeders levenstestament, op grond waarvan de zus gevolmachtigde was van moeder;
  • de vraag of moeder haar inboedel al tijdens leven had geschonken aan de klager en daarmee het legaat aan de klager is komen te vervallen;
  • de vraag wie de vóór en na moeders overlijden gemaakte opslagkosten van moeders inboedel en de spullen van de klager moet voldoen;
  • een door moeder rond de jaarwisseling van 2018/2019 gedane schenking aan de klager, waarop de zus een bedrag van € 5.000,-- had ingehouden voor de opslagkosten van moeders inboedel en de spullen van de klager;
  • de vraag aan wie (de waarde van) moeders auto toekomt. 

18. Over de hiervoor genoemde discussiepunten is veel gecorrespondeerd tussen (de medewerkers van) de notaris en de klager. Zoals gezegd worden hierna alleen de voor de beoordeling van de klacht van belang zijnde e-mails genoemd.

19. Op 7 september 2022 heeft [C] aan de klager bericht dat zij - gelet op de samenstelling van moeders nalatenschap, de opgevraagde informatie bij het BKR, het feit dat de zus op de hoogte is van de financiële situatie en de zus moeders nalatenschap zuiver heeft aanvaard - geen reden ziet om verder onderzoek te doen naar mogelijke andere vorderingen en/of schulden van moeders nalatenschap. Zij heeft over de tussen de klager en de zus bestaande geschilpunten onder andere het volgende meegedeeld:

“Legaat auto

(…) Onlangs zijn wij in bezit gekomen van het document: “Afstandsverklaring van [moeders auto]”.

U en uw zus hebben hiermee afstand gedaan van alle (eventuele) aanspraken op de auto, dit ongeacht uw positie als erfgenaam of legataris.

Het legaat heeft u dus reeds niet aanvaard en u kunt het legaat ook niet meer aanvaarden. Daarnaast is in de afstandsverklaring opgenomen dat de auto op naam van [de nicht] gezet mag worden, dit is zo geschiedt reeds voordat wij als executeur bij de afwikkeling van de nalatenschap zijn betrokken.

Gezien het vorenstaande, het feit dat de auto op naam van [de nicht] is gezet, de kosten (wegenbelasting en verzekering) met ingang van de datum tenaamstelling door haar zijn voldaan en [de nicht]’s eigen mededeling, zou verondersteld kunnen worden dat zij eigenaar van de auto is geworden. Als executeur kan ik het legaat niet meer afgeven, aangezien de auto niet (meer) tot de nalatenschap behoort.

[het appartement]

Uw vragen ten aanzien van [het appartement] hebben wij eveneens voorgelegd aan uw zus. Zij heeft aangegeven dat zij daar niet op wenst te reageren

Opslagkosten/inboedel

Zonder reeds nu al een standpunt in te nemen voor wiens rekening de opslagkosten komen die zijn gemaakt voor het overlijden van moeder verzoeken wij u aan te geven welk deel van de kosten betrekking heeft op uw eigen spullen in de opslag en welk deel aan de inboedel van moeder.

Ten aanzien van de opslagkosten die u volledig voor uw rekening heeft genomen met ingang van 1 januari 2022 en die enkel betrekking hebben op goederen die van uzelf zijn danwel voor u bestemd zijn (en waarbij uw zus geen enkel belang heeft en derhalve ook niet gebaat is met de kosten die daarop betrekking hebben) is het niet wenselijk dat deze nu weer voor rekening van de nalatenschap zullen komen, mede gelet op de kosten van ons kantoor die daarmee gepaard gaan. Indien later blijkt dat een verrekening aan de orde is zullen de kosten alsdan verrekend worden.”

[C] heeft de klager erop geattendeerd dat de declaratie van de maand augustus klaarstaat in het Online Dossier en dat de behandelingskosten zijn opgelopen tot ongeveer € 12.500,--.

20. Op 8 september 2022 heeft de klager gereageerd en heeft hij onder andere het volgende gevraagd aan [B]:

“Zou u aan uw kantoor kunnen vragen of het mij een gedetailleerde uren- en kostenspecificatie zou kunnen doen toekomen?”

21. Op 13 september 2022 heeft [B] onder andere het volgende geantwoord:

“Zoals mevrouw [C] heeft vermeld staan alle nota’s voor u klaar in uw Online Dossier. Bij de nota zit uiteraard ook een urenspecificatie. U kunt inloggen in uw Online Dossier via de link op onze website of op de volgende link (…)”.

22. Op 29 september 2022 heeft de klager aan [B] en de zus bericht dat hij de door hem getekende verklaring - waarin hij afstand doet van moeders auto - herroept op grond van dwaling, misbruik van omstandigheden en mogelijk bedrog. Volgens de klager heeft hij kort na moeders overlijden afstand gedaan van de auto, omdat hij toen nog niet bekend was met de inhoud van moeders testament en het daarin opgenomen autolegaat. Bovendien ging hij er naar eigen zeggen van uit dat de auto was afgeschreven. 

23. Naar aanleiding van een vraag van de klager over de inboedelverzekering voor de opgeslagen inboedel en spullen heeft [B] op 3 oktober 2022 het volgende aan de klager bericht:

“In tegenstelling tot u, heeft de andere erfgenaam geen interesse in de opgeslagen spullen, dit heeft zij reeds voor het overlijden van uw moeder kenbaar gemaakt. In de opslag bevinden zich daarnaast geen privé spullen van de andere erfgenaam. De andere erfgenaam heeft er derhalve ook geen enkel belang bij dat er ten aanzien van de spullen in de opslag kosten, van welke aard dan ook, worden gemaakt.

Gelet op het vorenstaande alsmede vertrouwende op de mededelingen van u en de andere erfgenaam met betrekking tot de economische waarde van de opgeslagen spullen, die volgens u beide nagenoeg nihil is, kan ik het begrijpen als u de verzekering gaat beëindigen”

24. Op 5 oktober 2022 heeft [B] aan de klager onder andere het volgende meegedeeld over de auto:

“Los van het feit dat de erfgenamen tijdens de executele niet zelfstandig over de nalatenschap mogen beschikken, is de afstandsverklaring door u en uw zus ondertekend voordat wij als executeur in de plaats zijn gesteld. U en uw zus zijn echter de enige gerechtigden tot de nalatenschap en bij deze beschikkingshandeling zijn geen belangen van derden geschaad.

Over de totstandkoming van de afstandsverklaring en een beroep op dwaling, misbruik van omstandigheden en/of bedrog kunnen wij niet oordelen. Dit is iets tussen de betrokken partijen, die hun geschil te allen tijde kunnen voorleggen aan de rechter.

Bovenal zal een afweging tussen de kosten en de baten leren dat de betrokkenheid van ons kantoor in deze kwestie niet in het belang van de nalatenschap is. De kosten van onze tussenkomst met betrekking tot dit onderwerp zullen immers in geen verhouding staan tot de waarde van de auto.

Ik verzoek u om mij op de hoogte te houden van eventuele ontwikkelingen rondom deze kwestie, aangezien dit van belang kan zijn voor de verdere afwikkeling van de nalatenschap.”

25. Op 24 oktober 2022 heeft [B] aan de klager het volgende meegedeeld ten aanzien van moeders levenstestament:

“Uw vragen met betrekking tot de totstandkoming van het levenstestament zullen wij niet voorleggen aan uw zus. Reden hiervoor is dat wij dit als executeur thans niet van belang achten in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap. Uiteraard kunt u dit in eigen naam vragen aan uw zus, danwel de passerend notaris.”

26. Op 26 oktober 2022 heeft [B] na een reactie van de klager verduidelijkt waarom geen onderzoek wordt gedaan naar de totstandkoming van moeders levenstestament:

“Reeds meerdere malen hebben wij aangegeven dat het de afwikkeling van de nalatenschap ten goede zou komen als u zelf gegevens aanlevert. Ik herhaal hierbij nogmaals uitdrukkelijk dat wij graag zouden zien welke concrete zaken dan wel grieven u kunt aandragen welke dit onderzoek zou rechtvaardigen. Dit heeft u niet gedaan en zonder deze door u aangedragen informatie is er voor ons geen aanleiding. Het achterhouden van informatie zal de nalatenschap enkel vertragen.

Dit temeer in het kader van zorgvuldigheid van een executeur ten aanzien van de door hem gemaakte kosten in de uitvoering van zijn beleid. Wij moeten de genomen beslissingen en de te volgen koers tijdens een afwikkeling objectief kunnen rechtvaardigen.

Wij dienen als executeur een gedegen kosten/baten analyse te maken! Uw vragen hierbij meegenomen leidt dit voor ons tot het hierboven vermelde standpunt.

Bovendien spreekt u in uw mail over benadeling van uzelf, een executeur is de vertrouwenspersoon van de erflater en kan niet opkomen voor privé belangen van individuele erfgenamen. De executeur dient ervoor te zorgen dat de nalatenschap niet geschaad wordt, hiermee kom ik weer terug bij de kosten/baten analyse.”

27. Op 28 november 2022 heeft [C] aan de klager uitgelegd dat de opslagkosten van moeders inboedel en de spullen van de klager in ieder geval vanaf de overlijdensdatum van moeder voor rekening van de klager komen. Zij heeft dit als volgt toegelicht:

“Wij zijn van mening dat de opslagkosten vanaf datum overlijden volledig voor uw rekening dienen te komen aangezien uzelf heeft medegedeeld dat u (geruime tijd) voor het overlijden al door moeder zelf op de hoogte bent gesteld dat haar inboedel voor u bestemd was. Tevens blijkt dit ook uit uitvoerige correspondentie tussen u en uw zus in de jaren voorafgaande aan het overlijden van moeder. Temeer daar deze communicatie juist betrekking had op de opslagkosten gepaard gaande met die inboedel. U was ervan op de hoogte dat die kosten werden gemaakt voor inboedel van uzelf en voor u bestemde inboedel. Er zijn zelfs in de loop der jaren op uw verzoek spullen toegevoegd aan de opslag, ook toen de opslagkosten al aan de orde waren. Na overlijden zijn de kosten aanzienlijk gestegen, enkel voor inboedel die voor u bestemd is. Voor uw zus was/is er geen enkel belang bij continuering van opslag na overlijden. Tot op heden is er nog geen enkele actie ondernomen ten aanzien van de opslag.

Door de kosten van de opslag voor overlijden is het vermogen van moeder reeds verminderd en derhalve ook de omvang van de nalatenschap. Bij de kosten van de opslag had uw moeder geen belang en de nalatenschap ook niet.”

28. Op 5 december 2022 heeft de klager aan [C] onder andere meegedeeld dat hij al in augustus 2022 had aangegeven dat hij geen gebruik wenst te maken van het Online Dossier en dat hij alle informatie per mail wenst te ontvangen.

29. Op 13 december 2022 heeft [B] de geschilpunten tussen de klager en de zus uiteengezet en heeft zij voorgesteld de geschillen te beslechten door middel van een vaststellingsovereenkomst. Aan de klager is hierover het volgende meegedeeld:

“Vaststellingsovereenkomst

Om te kunnen komen tot afwikkeling van de nalatenschap en de thans bestaande onzekere situatie te beëindigen willen wij de geschillen als volgt beslechten, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat het een totaalpakket betreft en dus niet een beslechting per geschilpunt. Er zal een vaststellingsovereenkomst worden opgemaakt met de volgende inhoud:

  • Auto: [de klager] (in hoedanigheid van zowel erfgenaam als van legataris) en [de zus] (in hoedanigheid van erfgenaam) hebben afstand gedaan van de auto en deze geschonken aan [de nicht];
  • Opslagkosten voor overlijden [moeder]: alle kosten van de opslag voor het overlijden, alsmede opslagkosten december 2021 en de nota voor de extra opslaghandelingen in december 2021, komen volledig voor rekening van [moeder], dat wil zeggen dat [de klager] nog een bedrag van € 5.000,00 ontvangt;
  • Opslagkosten na overlijden [moeder]: de kosten vanaf 1 januari 2022 komen volledig voor rekening van [de klager], er vindt derhalve geen verrekening van kosten meer plaats.

De beoordeling van de rechtsgeldigheid van het levenstestament en de verkoop van [het appartement] behoren in casu niet tot de taak van de executeur en blijven daarom buiten beschouwing.

(…)

Graag vernemen wij binnen twee weken na heden of u kunt instemmen met het opmaken van een vaststellingsovereenkomst. De vaststellingsovereenkomst zullen wij vervolgens opmaken, waarna ook de aangifte erfbelasting opgesteld en ingediend kan worden en de nalatenschap verder afgewikkeld kan worden.”

[B] heeft de klager verder alle in het Online Dossier geplaatste stukken toegezonden en toegezegd dat voortaan alles naar hem zal worden gemaild.

30. Op 15 december 2022 heeft de klager geantwoord dat hij akkoord gaat met “de inhoud van de vaststellingsovereenkomst zoals verwoord in uw e-mail van 13 december jl.”. 

31. Op 21 december 2022 heeft [B] aan de klager laten weten dat ook de zus een akkoord heeft gegeven en dat de vaststellingsovereenkomst zo spoedig mogelijk wordt opgesteld.

32. Op 27 januari 2023 heeft [B] een concept-akte van de vaststellingsovereenkomst aan de klager toegezonden.

33. Op 28 februari 2023 heeft [B] de klager gevraagd wanneer zij een reactie op de concept-akte van de vaststellingsovereenkomst kan ontvangen.

34. Op 7 maart 2023 heeft de klager onder andere het volgende laten weten:

“Ik had nog niet gereageerd op uw e-mail want het was niet opportuun om dit te doen. Een reactie van mij op dit moment heeft nog steeds geen zin en zou alleen tot overbodig werk leiden en dat is zonde van de tijd en moeite. Mijn reactie t.a.v. de conceptakte zou overigens negatief van aard zijn. Mijn aandacht is nog steeds gericht op de gang van zaken rond en na de verkoop van het huis van mijn moeder. Zoals ik reeds afgelopen zomer aangaf was de voorlopige koopovereenkomst m.b.t. haar huis verkeerd opgesteld en misleidend. Deze mening wordt door verscheidene experts gedeeld. Ik zal in het belang van gerechtigheid nu geen verdere mededelingen over deze kwestie doen. Ik wil niet op zaken vooruitlopen. Mijn antwoord op uw vraag is daarom: "vooralsnog geduld a.u.b." Er is daarom tot nader bericht geen werk voor uw kantoor in deze zaak behalve, zoals gestipuleerd in het testament van mijn moeder, het beheer van de nalatenschap van mijn moeder.”

Verder heef de klager gevraagd wanneer de inboedel aan hem wordt afgegeven, waar een gouden horloge van hem is en heeft hij gevraagd om de maandelijkse overzichten van de door [A B.V.] gemaakte kosten in de maanden december 2022, januari en februari 2023 toe te zenden.

35. Op 24 maart 2023 heeft [B] de opgevraagde stukken aan de klager toegezonden en onder andere het volgende aan de klager meegedeeld:

“Thans geeft u aan dat een reactie op de vaststellingsovereenkomst uwerzijds geen zin zou hebben en dat een reactie negatief van aard zou zijn. Dit in tegenstelling tot uw eerdere akkoord op 15 december 2022. Het moge duidelijk zijn dat als u toen reeds op voorhand had aangegeven dat u niet akkoord zou gaan met de vaststellingsovereenkomst, wij de conceptakte niet hadden opgemaakt. Dit had een hoop tijd en moeite bespaard.

Zoals in mijn eerdere mail aangegeven blijven de beoordeling van de rechtsgeldigheid van het levenstestament en de verkoop van [het appartement] buiten beschouwing. Uw opmerking omtrent de verkoop van [het appartement] van uw moeder in het kader van de vaststellingsovereenkomst kan ik daarom niet plaatsen.

Met betrekking tot de inboedel is ons standpunt hieromtrent meermaals duidelijk gemaakt. Bovendien hebben wij nimmer het beheer over de inboedel c.q. de opslag en sieraden gehad, dit is door de erfgenamen geregeld voordat de executeur zijn werkzaamheden heeft gestart. Tot de opslag hebben wij nooit toegang gehad. Wij hebben aan uw zus voorgelegd of zij weet waar het horloge zich bevindt en zullen u hierover berichten zodra wij meer weten.

Verder willen wij partijen nog 3 weken de kans geven om tot overeenstemming te komen met betrekking tot de afwikkeling van de nalatenschap. Indien wij op 14 april a.s. niet van beide partijen een akkoord hebben ontvangen op de vaststellingsovereenkomst en daarmee de verdere afwikkeling van de nalatenschap zullen wij overgaan tot afwikkeling van de nalatenschap als afwikkelingsbewindvoerder. Dat wil zeggen dat wij een verdelingsakte (conform de inhoud van de vaststellingsovereenkomst) laten opmaken bij een andere notaris ([de notaris] mag deze akte niet zelf passeren aangezien hij partij is in deze akte) met alle kosten van dien.”

36. Op dezelfde dag heeft de zus aan de notaris laten weten dat zij vanwege de opstelling van de klager afziet van resterende aanspraken. Volgens de zus kunnen de nog overblijvende gelden toekomen aan de klager.

37. Op 13 april 2023 heeft de klager een uitgebreide reactie naar [B] gestuurd en die reactie heeft hij een dag later taalkundig gecorrigeerd. De klager heeft daarin uitgelegd waarom hij het niet eens is met de concept-akte van de vaststellingsovereenkomst. In de reactie staat onder andere:

“In uw e-mail van 13 december heeft u helaas niet uitgelegd wat met een vaststellingsovereenkomst bedoeld wordt en al helemaal niet duidelijk gemaakt dat het gaat om een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW. Ik ben geen jurist en woon al meer dan 24 jaar buiten Nederland en was niet bekend met dit juridisch jargon. Ik heb het woord letterlijk geïnterpreteerd als een overeenkomst waarin wordt vastgesteld dat partijen met nader omgeschreven zaken akkoord gaan. Dus in tegenstelling tot uw bewering in uw e-mail van 24 maart heeft u onduidelijk gecommuniceerd. Ik ben op 15 december akkoord gegaan met het opstellen van een “vaststellingsovereenkomst” (in de zin van mijn begrip van het woord) op basis van de inhoud van de drie bullet points onder het kopje vaststellingsovereenkomst. Dit blijkt ook uit mijn formulering “zoals verwoord in uw e-mail van 13 december jl.” Daar horen dus bijvoorbeeld niet de Overige Bepalingen uit de concept-overeenkomst van 27 januari bij. Ik ben dan ook nooit akkoord gegaan met die extra bepalingen.”

38. Op 26 mei 2023 heeft de klager gevraagd om een reactie op zijn e-mail van 13 april 2023. Volgens de klager kan moeders nalatenschap niet worden afgewikkeld als daarin niet de kwestie van de verkoop van moeders appartement wordt meegenomen. De klager stelt zich op het standpunt dat moeder destijds is opgelicht, dat de zus daarbij een cruciale rol heeft gespeeld en dat mr. [Y] ernstige fouten heeft gemaakt bij de levering van het appartement.  

39. Op 5 juni 2023 heeft de klager een reminder naar [B] gestuurd.

40. Op 8 juni 2023 heeft [B] geantwoord dat zij een paar dagen afwezig zal zijn en dat [C] daarom met een reactie zal komen.

41. Op 14 juni 2023 heeft [C] een reactie gestuurd naar de klager. In die reactie staat onder andere:

“Uit uw e-mail de dato 14 april jongstleden concluderen wij dat uw struikelpunt is de finale kwijting opgenomen in het concept van de vaststellingsovereenkomst.

(…)

In het concept van de vaststellingsovereenkomst is inderdaad opgenomen dat er finale kwijting wordt verleend. Dit ziet echter enkel op de genoemde punten in de vaststellingsovereenkomst.

Juist omwille van het feit dat wij terdege op de hoogte zijn dat [het appartement] en het levenstestament voor u belangrijke punten zijn werden deze niet in de vaststellingsovereenkomst opgenomen.

Wij hebben aan de beide erfgenamen een concept van de vaststellingsovereenkomst toegezonden waarbij de erfgenamen de gelegenheid hebben gekregen om ieder hun opmerkingen dan wel vragen kenbaar te maken. U had hier heel kort en duidelijk op kunnen reageren met de mededeling dat u duidelijk vermeld wilde hebben in de akte dat de twee genoemde punten nimmer onderdeel mochten uitmaken van de finale kwijting.

Vervolgens komt u echter weer terug op de gehele geschiedenis van zowel de auto, inboedel en zelfs onze bevoegdheid als opvolgende executeur. Dit zijn allemaal onderwerpen van discussie die uitvoerig de revue zijn gepasseerd.

Juist om uit gemelde discussie te komen en de nalatenschap voortvarend en kostenbesparend af te wikkelen zijn wij gekomen tot de punten in de vaststellingsovereenkomst.

Wij willen thans niet meer inhoudelijk reageren op al uw punten uit uw e-mails, mede gezien de hoge kosten die een ander met zich meebrengt.

Uw zus heeft reeds verklaard om af te zien van de haar nog resterende aanspraken uit de nalatenschap oftewel afstand te doen. Dit is haar reactie naar aanleiding van onze mededeling aan haar dat u wenste terug te komen op de vaststellingsovereenkomst en dat zij wilde voorkomen dat mede hierdoor de gehele nalatenschap op zou gaan aan kosten.

Voor de goede orde vermelden wij hier wellicht ten overvloede dat deze reactie harerzijds op dezelfde dag volgde nadat zij van onze zijde in kennis was gesteld dat u wilde terugkomen op gemelde vaststellingsovereenkomst.

Wij hadden partijen de kans gegeven tot 14 april jongstleden om alsnog overeenstemming te bereiken over de afwikkeling van de nalatenschap.

(…)

Helaas zijn we tot de conclusie gekomen dat een voortvarende afhandeling tussen de erfgenamen niet tot de mogelijkheden behoort gezien de inhoud van uw acht pagina’s tellende e-mail.

Onlangs hebben wij aan uw zus medegedeeld dat het onze insteek is om thans tot een snelle en slagvaardige afhandeling te komen hetgeen inhoudt dat wij nu de bevoegdheid als afwikkelingsbewindvoerder alsnog zullen inzetten.

Dit heeft erin geresulteerd dat wij als afwikkelingsbewindvoerder de afstand van uw zus indien en voorzover noodzakelijk hebben aanvaard.

Wij zullen het resterend saldo na aftrek van onze nog op te maken slotnota overmaken naar uw rekening. Volgende week zullen wij aan u de bankafschriften vanaf datum overlijden doen toekomen zodat u daaruit het kostenverloop gedurende de afwikkeling kunt afleiden. Hiermede beschouwen wij onze gevoerde correspondentie, onze nota’s en de ter beschikking te stellen bankafschriften als de rekening en verantwoording, een en ander om verdere kosten te besparen.

Wij vernemen graag uw bankrekeningnummer met juiste tenaamstelling.”

42. Op 21 juni 2023 heeft de klager een aantal vragen gesteld aan [C].

43. Op 22 juni 2023 heeft [B] - onder verwijzing naar de e-mail van [C] van 14 juni 2023 - de bankafschriften van moeders betaal- en spaarrekening vanaf de overlijdensdatum en het saldi-overzicht per overlijdensdatum aan de klager gestuurd. 

44. Op 23 juni 2023 heeft [C] de vragen van de klager beantwoord en onder andere het volgende meegedeeld:

“Tot en met heden bedraagt het resterend saldo bij benadering € 10.000,00 euro. Mijn collega mevrouw [B] heeft u inmiddels reeds de bankafschriften en onze nota’s toegezonden. Onze slotnota zal nog opgemaakt worden voor de restant en nog te besteden uren, beantwoorden e-mails en afsluiting/archivering dossier.

Het resterend bedrag zal aan u worden overgemaakt waarbij wij reeds thans aan u kenbaar maken dat de helft van gemeld bedrag mogelijk onderhevig kan zijn aan schenkbelasting voor zover dit meer bedraagt dan het vrijgesteld bedrag.

Wij vernemen graag uw bankrekening met juiste tenaamstelling.”

45. Op 28 juni 2023 heeft de klager zijn visie gegeven op de samenstelling van moeders nalatenschap en bezwaar gemaakt tegen de door [A B.V.] in rekening gebrachte kosten. Volgens de klager zijn deze kosten onnodig hoog, omdat er ondoelmatig is gewerkt bij de afwikkeling van moeders nalatenschap.

46. Op 10 juli 2023 heeft [B] aan de klager meegedeeld dat zij zijn visie op de samenstelling van moeders nalatenschap niet onderschrijft. Over de in rekening gebrachte kosten heeft [B] het volgende laten weten:

“De gefactureerde uren worden voor het opmaken van de factuur reeds bekeken. We zullen de facturen dan ook niet aanpassen.

U geeft aan dat het hier gaat om een eenvoudige nalatenschap. Zoals in onze eerste brief reeds aangegeven zijn er veel factoren die invloed hebben op de afwikkeling van een nalatenschap. Daarom kan er vooraf ook geen kostenindicatie worden afgegeven en werken wij op basis van een uurtarief. Hierbij merk ik op dat dit reeds een gematigd uurtarief is. De tarieven van een door de rechtbank benoemde vereffenaar, welke benoeming in casu niet ver weg was gelet op de onenigheid tussen de erfgenamen, liggen vele malen hoger.

Bovendien zijn de facturen u regelmatig aangeboden in het Online Dossier (helaas heeft u geen account aangemaakt). Later zijn de facturen per mail aan u toegestuurd.

Ook bent u vele malen gewezen op onze kosten en hebben wij voortvarend, constructief en kostenbesparend gehandeld.

Onze slotnota zal opgemaakt worden en van het resterende banksaldo worden afgeboekt. Het restant saldo zal worden overgemaakt naar het door u opgegeven rekeningnummer en vervolgens zal ik de bankrekening(en) laten opheffen. Hierna zullen wij het dossier sluiten.”

47. Op 19 juli 2023 heeft [B] de laatste bankafschriften van moeders betaal- en spaarrekening aan de klager gestuurd en heeft zij hem bericht dat het restantsaldo op de ervenrekening naar de rekening van de klager is overgemaakt. Verder heeft [B] de slotnota’s meegestuurd en heeft zij meegedeeld dat het dossier zal worden gesloten.

48. Nadat de klager had gevraagd om de urenspecificaties over de maanden juni en juli 2023 toe te zenden, heeft [B] die urenspecificaties op dezelfde dag aan de klager gestuurd met de volgende toelichting:

“Op de slotnota met nummer 462 is tevens een forfaitair bedrag opgenomen (ter hoogte van 3 werkuren) in verband met nog te verrichten werkzaamheden, zoals onder andere de correspondentie, de uitkering van de bedragen en administratie hiervan, het opheffen van de bankrekening(en) en archivering van het dossier. Indien er naast deze werkzaamheden nog andere niet ingecalculeerde werkzaamheden verricht dienen te worden zullen deze werkzaamheden separaat gefactureerd dienen te worden.”

49. Op 29 augustus 2023 heeft de klager de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) gevraagd om te bemiddelen tussen hem en de notaris. 

50. Op 18 januari 2024 heeft de KNB aan de klager laten weten dat de bemiddeling niet effectief is geweest en dat het dossier zal worden gesloten.

4.          De klacht

4.1.      Samengevat bestaat de klacht uit de volgende onderdelen, waarbij de klager heeft benadrukt dat met name de klachtonderdelen 1.a en 2.a met elkaar samenhangen.

1. De wijze waarop de werkzaamheden zijn verricht (de op bladzijde 7 van het klaagschrift genoemde klachtonderdelen 4 tot en met 8)

  1. De medewerkers van de notaris, met name [B], zijn onvoldoende deskundig (4).
  2. De medewerkers van de notaris zijn niet transparant geweest over de (inhoud van de) vaststellingsovereenkomst en de daaraan verbonden kosten (5 en 6).
  3. Aan de zus is wel het sierradenlegaat afgegeven, maar aan de klager is niet het inboedellegaat afgegeven en bovendien zijn de fouten rond de overdracht van de auto (die aan de klager is gelegateerd) niet gecorrigeerd (8).
  4. De nalatenschap is slecht beheerd (7).

2. De declaraties (de op bladzijde 7 van het klaagschrift genoemde klachtonderdelen 1 tot en met 3)

  1. De declaraties van in totaal bijna € 34.000,-- zijn exorbitant, omdat er ondoelmatig is gewerkt, er onnodig extra is gewerkt en er werk onnodig is gedupliceerd (1).
  2. De urenspecificaties zijn niet transparant (2).
  3. Er zijn te hoge uurtarieven gerekend voor sommige medewerkers, er zijn kosten gedeclareerd voor het factureren en er zijn niet-verrichte werkzaamheden gedeclareerd (3).

4.2.      De notaris heeft verweer gevoerd tegen de klacht. Voor zover dit verweer van belang is voor de beoordeling, wordt dit hierna besproken.

5.          De beoordeling

Kan de kamer de klacht behandelen?

5.1.      Voordat de kamer een klacht inhoudelijk kan beoordelen, moet de kamer eerst beoordelen of aan de voorwaarden is voldaan om de klacht te mogen behandelen (de ontvankelijkheid van de klacht). De kamer oordeelt dat klachtonderdeel 2.c voor een deel niet-ontvankelijk is en dat de klacht voor het overige wel ontvankelijk is. De kamer zal dit oordeel hierna toelichten.

Geen misbruik van klachtrecht

5.2.      De notaris stelt dat de klacht niet-ontvankelijk is. Volgens de notaris maakt de klager namelijk misbruik van klachtrecht, omdat hij eigenlijk een schadevergoeding verlangt. De tuchtrechter kan een notaris echter niet veroordelen om een schadevergoeding te betalen.

5.3.      De kamer overweegt dat de notaris terecht heeft geconstateerd dat de kamer een notaris op grond van de Wet op het notarisambt (Wna) niet kan veroordelen om een schadevergoeding aan een klager te betalen. De klager heeft in zijn klaagschrift overigens dezelfde constatering gedaan.

5.4.      Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is sprake van misbruik van procesrecht als het instellen van een vordering, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Dit is pas aan de orde als een eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen, of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden, aldus de Hoge Raad (zie onder meer Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516). Ook het gerechtshof Amsterdam - de hoogste notariële tuchtrechter - hanteert deze maatstaf (zie gerechtshof Amsterdam 26 juli 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2050). Daarvan is in dit geval geen sprake.

5.5.      Aan de notaris kan worden toegegeven dat het tuchtrecht andere doeleinden dient dan het civiele recht. Met het tuchtrecht wordt beoogd in het algemeen belang de kwaliteit van de beroepsuitoefening binnen het notariaat te bewaken en te bevorderen. De klachten dienen door de tuchtrechter te worden beoordeeld in het licht van deze doeleinden van het tuchtrecht. Dit betekent niet dat ook de motieven van een klager om tot het indienen van een klacht over te gaan in dat licht moeten worden beoordeeld. De kamer gaat daarom voorbij aan de stelling van de notaris dat de klacht van de klager wegens zijn motieven niet-ontvankelijk moet worden verklaard (vergelijk gerechtshof Amsterdam 12 mei 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BI4240). Daarbij wordt opgemerkt dat de kamer als tuchtrechter bij de beoordeling van de klacht als maatstaf neemt of de verweten gedraging in strijd is met de voor het notariaat geldende normen en regels. Als de kamer oordeelt dat de verweten gedraging in strijd is met die normen en regels kan daaraan niet zonder meer de gevolgtrekking worden verbonden dat dan ook sprake is van een civielrechtelijke aansprakelijkheid wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm (zie Hoge Raad 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2452).

Klachtonderdeel 2.c niet op tijd ingediend voor zover dit ziet op de hoogte van het uurtarief

5.6.      De notaris voert aan dat de klacht voor een gedeelte te laat is ingediend.  

5.7.      De kamer overweegt dat een klacht in principe slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop een klager kennis heeft genomen van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven. Als de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop een klager kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van een notaris waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht niet-ontvankelijk verklaard (artikel 99 lid 21 Wna).

5.8.      Het is vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dat de wettelijke driejaarstermijn begint te lopen op de dag na de dag waarop een klager daadwerkelijk bekend is met het verweten handelen of nalaten van de notaris.

5.9.      De klacht is op 20 oktober 2025 bij de kamer ingediend en dat is te laat voor zover die betrekking heeft op handelen of nalaten van de notaris waarmee de klager vóór 20 oktober 2022 bekend was.

5.10.     De kamer is van oordeel dat klachtonderdeel 2.c te laat is ingediend voor zover dat betrekking heeft op de hoogte van het door de notaris in rekening gebrachte uurtarief. De klager denkt dat het gehanteerde uurtarief van € 195,-- exclusief btw voor sommige medewerkers veel te hoog is. De kamer oordeelt dat de klager al in augustus 2022 redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het door de notaris in rekening te brengen uurtarief. Bij dit oordeel weegt de kamer het volgende mee.

  • [B] heeft het in rekening te brengen uurtarief in de informatiebrief van 5 augustus 2022 aan de klager meegedeeld: “Voor de te verrichten werkzaamheden van ons kantoor zullen wij een tarief van € 235,95 (inclusief BTW) per uur in rekening brengen en 6% dossierkosten (exclusief BTW) met een minimum van € 50,00 (exclusief BTW).”
  • De klager heeft de ontvangst van de informatiebrief op 9 augustus 2022 bevestigd en hij heeft op 10 augustus 2022 inhoudelijk op de informatiebrief gereageerd.  

Gelet op het feit dat in de informatiebrief maar één uurtarief wordt genoemd en wordt gesproken over “Voor de te verrichten werkzaamheden van ons kantoor” en “wij”, blijkt duidelijk dat er één (gemiddeld) uurtarief in rekening zou worden gebracht: € 235,95 inclusief btw ofwel € 195,-- exclusief btw. De klager mocht er, anders dan hij meent, dus niet vanuit gaan dat het meegedeelde uurtarief alleen voor [B] zou gelden. De wettelijke klachttermijn is rond 9 augustus 2022 ingegaan en is rond 9 augustus 2025 verstreken. De klager heeft de klacht na het verstrijken van de driejaarstermijn, op 20 oktober 2025, bij de kamer ingediend. Dat is te laat en daarom is klachtonderdeel 2.c in zoverre niet-ontvankelijk. Voor zover klachtonderdeel 2.c betrekking heeft op gedeclareerde kosten voor het factureren en voor niet-verrichte werkzaamheden, zal de kamer klachtonderdeel 2.c hierna inhoudelijk beoordelen.

5.11.     De kamer oordeelt dat alle andere klachtonderdelen wel op tijd zijn ingediend. Dat geldt dus ook voor de klachtonderdelen 2.a en 2.b, die betrekking hebben op de declaraties. Vast staat namelijk dat de klager de eerste declaraties op 13 december 2022 per mail heeft ontvangen, nadat hij [B] op 8 augustus 2025 had bericht dat hij (nog) geen gebruik wenste te maken van het Online Dossier en hij [C] daaraan vervolgens op 5 december 2022 had herinnerd en haar had gevraagd om alle stukken per mail te versturen. De kamer neemt van de klager aan dat hij pas op 13 december 2022 bekend is geworden met de eerste declaraties en hij geen kennis heeft genomen van de eerder in het Online Dossier geplaatste declaraties. De klacht is vervolgens binnen de driejaarstermijn ingediend.  

Is tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld?

Notaris als executeur-afwikkelingsbewindvoerder

5.12.     Voorop staat dat een notaris tuchtrechtelijk aansprakelijk kan zijn voor handelen in een andere hoedanigheid dan notaris, mits dat voldoende verband houdt met zijn hoedanigheid van notaris in relatie tot het daarbij passende gedragsniveau, zonder dat het handelen uitsluitend aan een notaris is voorbehouden.

5.13.     In deze zaak heeft de notaris gehandeld in de hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder. De gedragingen van een executeur-afwikkelingsbewindvoerder houden voldoende verband met het daarbij passende gedragsniveau van een notaris, zodat de notaris zich voor zijn handelen als executeur-afwikkelingsbewindvoerder tuchtrechtelijk moet verantwoorden (zie gerechtshof Amsterdam 20 augustus 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3271).

Notaris tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor behandeling van dossier

5.14.     Uitgangspunt is dat klachten over/tegen medewerkers van een (kandidaat-)notaris worden geacht te zijn gericht tegen de (kandidaat-)notaris die voor de medewerker verantwoordelijk is. Indien de handelwijze van een medewerker is toe te rekenen aan een bepaald dossier, dat onder de verantwoordelijkheid van een specifieke (kandidaat-)notaris valt, dan dient de klacht te worden beschouwd als te zijn gericht tegen die betrokken (kandidaat-)notaris (zie gerechtshof Amsterdam 13 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:17). De klachtonderdelen over het handelen van [B] en/of [C] moeten als gericht tegen de notaris worden beschouwd, omdat hun handelwijze is toe te rekenen aan het dossier dat onder verantwoordelijkheid van de notaris viel.

De maatstaf

5.15.     De maatstaf die de tuchtrechter hanteert, is of notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen (artikel 93 lid 1 Wna). De tuchtrechter toetst of:

  • hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en andere toepasselijke wet- en regelgeving;
  • zij voldoende zorgvuldig hebben gehandeld ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden.

Zo moet een notaris het ambt in onafhankelijkheid uitoefenen en de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken (rechts)personen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigen (artikel 17 lid 1 Wna).

Wat vindt de kamer?

5.16.     De kamer is van oordeel dat de notaris aan deze maatstaf heeft voldaan en zal dit oordeel  hierna per klachtonderdeel uitleggen.

5.17.     De kamer zal eerst de klachtonderdelen 1.b tot en met 1.d behandelen. Vervolgens zal de kamer de klachtonderdelen 1.a en 2.a - gelet op hun onderlinge samenhang - gezamenlijk behandelen. Ten slotte zal de kamer ingaan op de klachtonderdelen 2.b en 2.c.

Klachtonderdeel 1.b (niet transparant over vaststellingsovereenkomst): ongegrond

5.18.     De klager verwijt de medewerkers dat zij niet transparant zijn geweest over (de inhoud van) de vaststellingsovereenkomst en de daaraan verbonden kosten. Hij licht dit verwijt als volgt toe.

  • Er is niet uitgelegd wat een vaststellingsovereenkomst inhoudt.
  • De vaststellingsovereenkomst was onnodig, omdat de daarin genoemde drie geschilpunten ook (tijdens bijvoorbeeld een gesprek) eerder, beter en goedkoper opgelost hadden kunnen worden. De klager en de zus zijn met de in het voorstel van 13 december 2022 genoemde oplossingen voor de betreffende drie punten akkoord gegaan.
  • De concept-akte van de vaststellingsovereenkomst bleek, naast de drie punten, ook andere bepalingen te bevatten, zoals bijvoorbeeld de in artikel 5 onder het kopje “OVERIGE BEPALINGEN” opgenomen kwijtingsclausule. Met die bepaling was de klager het niet eens, omdat de zus betrokken is geweest bij de verkoop van het appartement. Bij die verkoop is moeder opgelicht. [B] en [C] hadden de kwijtingsclausule met de klager moeten bespreken.

5.19.     De kamer oordeelt dat dit verwijt onterecht is en dat de notaris zijn taak zorgvuldig heeft uitgevoerd. In de eerste plaats moet niet uit het oog worden verloren dat er tussen de klager en de zus al verschillen van mening bestonden op het moment dat het kantoor van de notaris als executeur/afwikkelingsbewindvoerder in moeders nalatenschap in de plaats werd gesteld van mr. [Z]. De notaris heeft vervolgens zijn best gedaan om een oplossing te bereiken tussen moeders erfgenamen. Met de suggestie om een vaststellingsovereenkomst te sluiten, wilde de notaris begrijpelijkerwijs bereiken dat de afwikkeling van moeders nalatenschap voor zowel de klager als de zus bevredigend kon worden afgerond. Het stond de klager uiteraard vrij om het met deze oplossing niet eens te zijn. Dat volgt ook uit de e-mail van [B] van 13 december 2022. In die e-mail heeft zij het voorstel om een vaststellingsovereenkomst te sluiten, toegelicht en gemotiveerd. In het voorstel staat uitdrukkelijk vermeld dat de “beoordeling van de rechtsgeldigheid van het levenstestament en de verkoop van [het appartement] (…) in casu niet tot de taak van de executeur” behoren en daarom “buiten beschouwing” blijven. In het voorstel staat verder vermeld dat een vaststellingsovereenkomst zal worden “opgemaakt” en: “Graag vernemen wij (…) of u kunt instemmen met het opmaken van een vaststellingsovereenkomst. De vaststellingsovereenkomst zullen wij vervolgens opmaken (…)”. Ook is de klager gewezen op het kostenaspect: “Nogmaals attenderen wij u op de verhouding tussen de kosten van de afwikkeling van de nalatenschap voor de verrichte werkzaamheden ten aanzien van de discussiepunten en de kostenposten/waarde ten aanzien van deze discussiepunten.” Dit voorstel is naar het oordeel van de kamer niet te beschouwen als een voorstel dat niet voldoet aan redelijke kwaliteitseisen. Nadat de klager akkoord is gegaan met het voorstel, heeft [B] op 21 december 2022 aan de klager doorgegeven dat de zus ook akkoord was en heeft zij meegedeeld: “De vaststellingsovereenkomst gaan wij zo spoedig mogelijk opstellen.” Anders dan de klager meent, had hij uit de bewoordingen in beide mails moeten opmaken dat er na akkoord van hem en de zus nog een document (een akte) zou worden opgemaakt, waarin de vaststellingsovereenkomst zou worden neergelegd. De kamer vindt dat de klager niet had mogen aannemen dat de kwestie met de akkoordmailtjes van hem en de zus was afgedaan. Als de klager het er niet mee eens was dat er een akte zou worden opgemaakt, had in ieder geval laatstgenoemde e-mail van 21 december 2022 voor de klager voldoende aanleiding moeten zijn om op dat moment zijn bedenkingen - over de vorm van de vaststellingsovereenkomst en de daarmee gepaard gaande kosten - kenbaar te maken aan [B]. De klager heeft dat nagelaten. [B] heeft dus conform haar voorstel en het akkoord van de klager en de zus een concept-vaststellingsovereenkomst opgemaakt en zij heeft dit concept op 27 januari 2023 aan de klager toegezonden. [B] heeft in de begeleidende e-mail meegedeeld dat de klager bij vragen over de concept-vaststellingsovereenkomst contact kon opnemen. Op 28 februari 2023 heeft [B] aan de klager gevraagd wanneer zij een reactie op de concept-vaststellingsovereenkomst kan ontvangen. De klager heeft geen gebruik gemaakt van de aan hem geboden mogelijkheid om concrete aanvullingen/wijzigingen te suggereren (bijvoorbeeld ten aanzien van de kwijtingsclausule). Dat de klager zich uiteindelijk niet in de concept-vaststellingsovereenkomst kon vinden, betekent niet dat:

  • het voorstel van [B] van 13 december 2022 of de nadien door haar opgemaakte concept-vaststellingsovereenkomst onjuist, onredelijk of onnodig was;
  • de daarmee gepaard gaande werkzaamheden niet mochten worden gedeclareerd; of
  • [B] hierover niet transparant zou hebben gecommuniceerd.

Klachtonderdeel 1.b zal daarom ongegrond worden verklaard.

Klachtonderdeel 1.c (fouten rondom legaten): ongegrond

5.20.     De klager verwijt de notaris dat hij het sierradenlegaat wel aan de zus heeft afgegeven, terwijl hij het inboedellegaat niet aan de klager heeft afgegeven. Op grond van moeders testament had het inboedellegaat binnen 6 maanden na overlijden moeten worden afgegeven.

Bovendien heeft de notaris de fouten rondom de overdracht van moeders auto niet gecorrigeerd. Moeder had haar auto aan de klager gelegateerd. Kort na moeders overlijden hebben de klager en de zus een verklaring getekend, waarin zij afstand deden van moeders auto. De auto is vervolgens op naam van de nicht gesteld. Volgens de klager heeft hij afstand gedaan van de auto, omdat hij toen nog niet bekend was met de inhoud van moeders testament en het daarin opgenomen autolegaat, de auto al sinds 2016 door zijn nicht werd geleend en hij ten onrechte dacht dat de auto niets meer waard was. Later heeft hij [B] en de zus bericht dat hij de afstandsverklaring herroept op grond van dwaling, misbruik van omstandigheden en mogelijk bedrog. De notaris had hier werk van moeten maken.   

5.21.     De kamer oordeelt dat de klager onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de notaris een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Bij dit oordeel betrekt de kamer het volgende.

  • De klager heeft niet weersproken dat hij als enige toegang had tot de opslag, waarin zijn spullen en moeders inboedel stonden. Evenmin staat ter discussie dat de waarde van moeders inboedel nihil was. Ten slotte heeft de klager niet weersproken dat moeders inboedel aan hem toekomt. Of moeders inboedel aan de klager toekomt op basis van een door moeder gedane schenking of op basis van haar testament, doet tegen deze achtergrond niet zozeer ter zake. De notaris heeft wel meerdere pogingen gedaan om hierover duidelijkheid te krijgen van de klager. Nu hij die duidelijkheid niet van de klager heeft gekregen, heeft hij zorgvuldig gehandeld door zich over de inboedel niet verder te bekommeren. De inboedel stond immers al ter beschikking van de klager en hoefde dus niet meer aan hem te worden afgegeven. Bovendien zouden de boedelkosten anders onnodig zijn opgelopen.
  • De klager heeft onvoldoende weersproken dat de zus de aan haar gelegateerde sieraden al in handen had, voordat het kantoor van de notaris executeur/afwikkelingsbewindvoerder werd in moeders nalatenschap. De notaris heeft dus geen rol gehad in het verstrekken van de sieraden aan de zus.   
  • Vast staat dat de klager en de zus begin januari 2022 afstand hebben gedaan van moeders auto en dat zij de auto hebben overgedragen aan de nicht. Dit is gebeurd, voordat het kantoor van de notaris in mei 2022 executeur/afwikkelingsbewindvoerder werd. De klager heeft afstand gedaan van moeders auto, zonder zich te verdiepen in de waarde van de auto en voordat hij kennis had genomen van moeders testament, waarin moeder de auto aan hem had gelegateerd. Dit kan de notaris echter niet worden aangerekend. De klager heeft later spijt gekregen van de overdracht aan de nicht, omdat hij zich bedrogen en benadeeld voelde door de zus. De notaris werd echter geconfronteerd met een voldongen feit en zag onvoldoende aanleiding om de overdracht van de auto aan de nicht aan te vechten. De notaris heeft zorgvuldig gehandeld door bij zijn beslissing om niet te procederen de mogelijke risico’s en gevolgen van een gerechtelijke procedure (zoals de onzekere uitkomst van een procedure en een verhoging van de boedelkosten) mee te wegen. Het stond de notaris, die als executeur/afwikkelingsbewindvoerder zelfstandig bevoegd was om moeders nalatenschap af te wikkelen, vrij om die keuze te maken. Als de klager het niet eens was met de keuze van de notaris, had hij zelf een oordeel kunnen vragen aan de civiele rechter, zoals de notaris de klager ook heeft meegedeeld in zijn mail van 5 oktober 2022. De kamer vindt dat de notaris op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.

Klachtonderdeel 1.d (nalatenschap slecht beheerd): ongegrond

5.22.     De klager stelt dat de nalatenschap slecht is beheerd.

5.23.     De kamer is het met de notaris eens dat de klager in zijn klaagschrift slechts in algemene zin stelt dat moeders nalatenschap slecht is beheerd zonder zijn stelling voldoende te concretiseren en toe te lichten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de klager enigszins verduidelijkt dat dit verwijt er onder meer op ziet dat de notaris:

- niet heeft gecontroleerd of er iets van de opgeslagen goederen ontbrak;

- geen actie heeft ondernomen tegen de overdracht van moeders auto aan de nicht.

Naar het oordeel van de kamer borduurt klachtonderdeel 1.d daarmee voort op de verwijten van klachtonderdeel 1.c., waarop zal worden beslist. Aangezien klachtonderdeel 1.d geen zelfstandige betekenis heeft, heeft het geen nadere bespreking nodig.

Klachtonderdelen 1.a en 2.a (ondeskundige medewerkers en exorbitante declaraties door ondoelmatig, onnodig en dubbel werken): ongegrond

5.24.     De klager verwijt de notaris dat zijn medewerkers - en dan met name [B] - onvoldoende deskundig zijn en dat hij excessief heeft gedeclareerd, doordat ondoelmatig, onnodig en dubbel is gewerkt. De klager heeft zijn verwijten toegelicht.

5.25.     De kamer zal hierna ingaan op de vermeende onvolkomenheden waar het de klager in de kern om lijkt te gaan. Voor zover er volgens de klager nog andere onvolkomenheden zouden zijn geslopen in het handelen van de notaris, zijn deze onvolkomenheden van onvoldoende gewicht om de notaris daarover een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

            1) ingehouden schenking van € 5.000,--

5.26.     De klager stelt dat de zus als gevolmachtigde van moeder rond de jaarwisseling van 2018/2019 een schenking heeft gedaan aan de klager, waarop de zus ten onrechte een bedrag van € 5.000,-- heeft ingehouden wegens de opslagkosten van moeders inboedel. De notaris had al in de zomer van 2022 kunnen nagaan dat dit bedrag ten onrechte door de zus was ingehouden.

5.27.     De kamer vindt dit verwijt onterecht en licht dat hierna toe. De notaris was in de zomer van 2022 nog onderzoek aan het verrichten naar mogelijke bezittingen/schulden van moeder. De klager heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hem in augustus 2022 door (de medewerkers van) de notaris is gevraagd naar de schulden van moeder en dat hij toen niet heeft gedacht aan de ingehouden schenking van € 5.000,--. De klager heeft erkend dat hij hiervan voor het eerst in oktober 2022 melding heeft gemaakt. De kamer kan op basis van de grote hoeveelheid door de klager toegestuurde en veelal ongenummerde bijlagen niet beoordelen:

  • of deze ingehouden schenking desondanks eerder duidelijk had moeten zijn voor de notaris; laat staan
  • of voor de notaris duidelijk had moeten zijn dat deze schenking ten onrechte zou zijn ingehouden door de zus.

Daar komt bij dat de notaris heeft toegelicht dat over de ingehouden schenking en de opslagkosten van moeders inboedel een discussie tussen de klager en de zus speelde. Op 13 december 2022 heeft [B] de klager en de zus voorgesteld om (onder andere) hun geschil hierover te beslechten door middel van een vaststellingsovereenkomst. De klager is aanvankelijk akkoord gegaan met dit voorstel, maar heeft zijn akkoord later weer ingetrokken. Uiteindelijk heeft de zus op 24 maart 2023 aan de notaris doorgegeven dat zij vanwege de opstelling van de klager afziet van resterende afspraken. De kamer volgt de notaris dan ook in zijn verweer dat het onzorgvuldig was geweest om het bedrag van € 5.000,-- eerder aan de klager uit te betalen. De notaris heeft het dossier in juli 2023 gesloten en het restantsaldo op de ervenrekening naar de klager overgemaakt. In de gegeven omstandigheden acht de kamer het tijdsverloop sinds de mededeling van de zus op 24 maart 2023 niet zo groot dat dit tuchtrechtelijk verwijtbaar is.

            2) e-mail van [B] van 26 oktober 2022

5.28.     De klager stelt dat [B] in haar e-mail van 26 oktober 2022 agressief en overgevoelig heeft gereageerd op de e-mail van de klager van 24 oktober 2022. Haar reactie heeft geleid tot vertraging en extra werk.

5.29.     De kamer ziet niet in waarom de notaris een tuchtrechtelijk verwijt zou kunnen worden gemaakt over de inhoud van de e-mail van 26 oktober 2022. De kamer vindt dat deze e-mail niet agressief of overgevoelig is. Dat de klager zich niet kan vinden in de inhoud van de e-mail doet hier niets aan af. Van vertraging of extra werk is evenmin gebleken.

            3) vaststellingsovereenkomst

5.30.     De klager stelt dat het opstellen van de concept-vaststellingsovereenkomst onnodig was.

5.31.     De kamer oordeelt dat dit verwijt voortborduurt op klachtonderdeel 1.c., waarop zal worden beslist. Aangezien punt 3 dus geen zelfstandige betekenis heeft, heeft het geen nadere bespreking nodig.

            4) late reactie op e-mails van de klager van 13/14 april 2023  

5.32.     De klager verwijt de notaris dat hij pas na twee maanden op de e-mails van de klager van 13/14 april 2023 heeft gereageerd. De notaris heeft toen echter nog steeds geen inhoudelijke reactie gegeven in verband met kostenbesparing. Bovendien vraagt de klager zich af waarom de notaris hem pas op 14 juni 2023 heeft bericht dat de zus afziet van verdere aanspraken en de overblijvende gelden wat haar betreft aan de klager toekomen.

5.33.     De kamer vindt dat de notaris niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en licht dit hierna toe. Op 15 december 2022 heeft de klager groen licht gegeven voor een door (de medewerkers van) de notaris op te maken vaststellingsovereenkomst. Op 27 januari 2023 heeft [B] de concept-akte van de notariële vaststellingsovereenkomst aan de klager toegezonden. Op 28 februari 2023 heeft [B] aan de klager gevraagd wanneer zij een reactie van hem kan ontvangen. Op 7 maart 2023 heeft de klager - kort gezegd - aan [B] geantwoord: “Mijn antwoord op uw vraag is daarom: “vooralsnog geduld a.u.b.””. Op 24 maart 2023 heeft [B] hem meegedeeld dat hij en de zus drie weken de tijd krijgen om tot overeenstemming te komen over de afwikkeling van moeders nalatenschap. Ook heeft [B] meegedeeld dat als de klager en de zus op 14 april 2023 geen akkoord hebben gegeven op de concept-vaststellingsovereenkomst, [A B.V.] moeders nalatenschap als afwikkelingsbewindvoerder zelfstandig zal afwikkelen conform de concept-vaststellingsovereenkomst. Op dezelfde dag heeft de zus aan de notaris laten weten af te zien van verdere aanspraken. Op 13 april 2023 heeft de klager een uitgebreide reactie naar [B] gestuurd (die hij op 14 april 2023 taalkundig heeft aangepast), waaruit volgt dat hij niet akkoord gaat met de concept-vaststellingsovereenkomst en hij ingaat op de al meerdere malen door hem opgeworpen discussies en geschilpunten met de zus. Na een reminder van de klager op 26 mei en 5 juni 2023 heeft [B] op 8 juni 2023 laten weten dat zij een paar dagen afwezig zal zijn en dat [C] met een reactie zal komen. [C] heeft vervolgens op 14 juni 2023 een reactie naar de klager gestuurd. In die e-mail werd de klager ook voor het eerst op de hoogte gesteld van het feit dat de zus geen verdere aanspraken meer maakte op moeders nalatenschap. Aan de klager kan worden toegegeven dat het lang heeft geduurd, voordat hij een reactie ontving op zijn e-mails van 13/14 april 2023 en hij werd geïnformeerd over het standpunt van de zus. In de gegeven omstandigheden acht de kamer de door (de medewerkers van) de notaris gehanteerde termijn echter van onvoldoende gewicht om hem hierover een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Bovendien stond het (de medewerkers van) de notaris vrij om niet meer inhoudelijk te reageren op de door de klager aangehaalde discussiepunten. De kamer betrekt bij dit oordeel het volgende:

  • de klager heeft zelf ruim anderhalve maand gewacht met het geven van een definitieve reactie op de concept-vaststellingsovereenkomst;
  • gelet op de inhoud van de zeer uitgebreide e-mail van de klager van 13 april 2023 met bijlagen, waaruit volgt dat de klager niet akkoord ging met de concept-vaststellingsovereenkomst, is de door (de medewerkers van) de notaris gehanteerde antwoordtermijn niet onbegrijpelijk;
  • de klager was ermee bekend dat [A B.V.] op grond van moeders testament de exclusieve afwikkelingsbevoegdheid had en dat zij van die bevoegdheid gebruik zou maken als de klager en de zus geen overeenstemming zouden hebben bereikt op 14 april 2023;
  • de klager was al bekend met het standpunt van de notaris over de door de klager opgeworpen discussies en geschilpunten met de zus (waarbij de kamer wijst op de e-mails van de notaris van 5, 24 en 26 oktober 2022, 28 november 2022, 13 december 2022 en 24 maart 2023). 
  • [B] en [C] hebben de klager in de periode vóór 13/14 april 2023 en na 14 juni 2023 steeds voortvarend geantwoord.

            5) onnodig overleg, miscommunicatie, werk uitgevoerd door niet-notarissen, teveel uren

5.34.     De klager verwijt de notaris dat de werkzaamheden voornamelijk zijn uitgevoerd door niet-notarissen. Volgens hem is er veel onnodig intern overleg geweest tussen [B] en [C], is sprake geweest van miscommunicatie tussen hen, hebben zij niet efficiënt gewerkt en zijn hun werkzaamheden regelmatig dubbel gedeclareerd. Een voorbeeld van miscommunicatie is dat [C] het in haar e-mail van 7 september 2022 heeft over ”mr. [X] heeft naar aanleiding van uw verzoek voor een gedetailleerd verslag van het videogesprek", terwijl [B] op 26 oktober 2022 aangeeft dat zij een “algemeen gespreksverslag” heeft opgevraagd bij mr. [X]. Een ander voorbeeld is dat de klager op 22 juni 2023 een telefoongesprek heeft gehad met de telefoniste van 5:59 minuten, omdat hij wilde checken of zijn e-mail aan de ene medewerker van de notaris was gezien door de andere medewerker. Voor dit gesprek zijn 18 minuten à € 195,-- per uur in rekening  gebracht. Voor het gesprek had helemaal niets gerekend mogen worden, omdat het gesprek het gevolg was van het verdelen van de werkzaamheden over meerdere werknemers.

De klager stelt dat de afwikkeling van moeders nalatenschap in veel minder uren uitgevoerd had kunnen worden. De nalatenschap had eind 2022 al afgewikkeld kunnen zijn.

5.35.     De kamer stelt voorop dat de tuchtrechter een geschil over (de hoogte van) een declaratie slechts marginaal kan toetsen in het licht van de al eerder genoemde algemene tuchtnorm, die is neergelegd in artikel 93 lid 1 Wna. Dat betekent dat pas sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de wijze van declareren excessief en/of onbetamelijk is. Van een notaris wordt enerzijds verwacht dat hij de vereiste zorgvuldigheid in acht neemt, maar anderzijds ook dat hij de aan zijn werkzaamheden verbonden kosten afweegt tegen de noodzaak die de gedeclareerde werkzaamheden voor de nalatenschap hebben.

5.36.     De kamer oordeelt dat de notaris geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Daarbij is het volgende van belang.

1. Een notaris mag werkzaamheden laten uitvoeren door zijn medewerkers. Die medewerkers handelen dan echter wel onder zijn (eind)verantwoordelijkheid. In dit dossier is dat niet anders. De werkzaamheden zijn vooral uitgevoerd door twee juridisch gekwalificeerde medewerkers: [B] en [C]. De notaris heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij steeds de regie en het toezicht heeft gehouden en dat gerichte beslissingen onder zijn supervisie zijn genomen. Volgens de notaris heeft hij - conform de NOVEX- en Recofa-richtlijnen - afgewogen welke werknemer welke werkzaamheden diende te verrichten. De kamer heeft geen aanleiding om aan dit betoog van de notaris te twijfelen.

2. Van miscommunicatie tussen [B] en [C] is niet gebleken. De daartoe door de klager aangehaalde voorbeelden zijn in ieder geval onvoldoende om dat te kunnen vaststellen. Zo heeft de notaris toegelicht waarom er meer tijd is geschreven voor het telefoongesprek tussen de klager en de telefoniste op 22 juni 2023 dan de duur van het telefoongesprek. De telefoniste heeft de inhoud van het telefoongesprek namelijk direct teruggekoppeld aan [B] en [C], die daarvoor zelf geen tijd hebben geschreven.

3. De kamer kan de klager volgen in zijn stelling dat [B] en [C], die samen aan het dossier hebben gewerkt en overleg met elkaar hebben gevoerd, deze overleggen vaak allebei hebben gedeclareerd. De kamer is van oordeel dat de klager ervan uit mocht gaan dat voldoende gekwalificeerde medewerkers hun werkzaamheden in beginsel zelfstandig zouden verrichten. De notaris voert ter rechtvaardiging van het dubbel declareren aan dat het een gevoelige zaak betrof, waarbij het bovendien mede aan het gedrag van de klager te wijten is dat die gevoeligheid bestond. Intern overleg tussen de medewerkers was volgens hem onontkoombaar, gelet op de onenigheid tussen de klager en de zus, de langdurige discussies met de klager, de druk die de klager uitoefende en de wijze waarop hij communiceerde. Volgens de notaris heeft hij steeds beoordeeld of het verrichten van de werkzaamheden (van de medewerkers) en de daarmee verbonden kosten voldoende opwogen tegen de noodzaak voor het verrichten daarvan. De kamer neemt van de notaris aan dat hij deze eigen afweging heeft gemaakt. Uit de overgelegde stukken volgt dat het juist de klager is geweest die veel discussies heeft opgeworpen en door zijn bewerkelijke manier van communiceren veel tijdsbeslag heeft gelegd op (de medewerkers van) de notaris. Dat staat hem uiteraard vrij, maar dan kan vervolgens niet aan de notaris worden tegengeworpen dat er teveel uren aan de afwikkeling van de nalatenschap zijn besteed en de notaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Zo stuurde de klager uitgebreide e-mails, correcties op die e-mails, was hij eerst akkoord met het opstellen van een vaststellingsovereenkomst en trok hij dat akkoord na de door [B] opgemaakte vaststellingsovereenkomst weer in, wierp hij steeds opnieuw discussies op over onder meer de overdracht van moeders appartement in 2016, moeders levenstestament, moeders inboedel, de legaten en de overdracht van moeders auto na haar overlijden. In dit krachtenveld, waarbij er ook nog onenigheid was tussen de klager en de zus, moest de notaris voorzichtig te werk gaan. Dat in de gegeven omstandigheden structureel intern overleg nodig was (over met name de communicatie van en met de klager) om de zaak op een zorgvuldige manier tot een goed einde te brengen, is voldoende aannemelijk geworden. Bovendien heeft de notaris de klager op verschillende momenten geattendeerd op de (oplopende) kosten. De kamer wijst onder andere op de e-mails van (de medewerkers van) de notaris van:

  • 5 augustus 2022: “De tot op heden gefactureerde nota’s bedragen een bedrag ad € 6.280,14. De van 1 augustus tot en met heden geschreven maar nog niet gedeclareerde tijd bedraagt 8 uur en 48 minuten.

(…) Bij benadering duurt de afwikkeling van een nalatenschap één tot anderhalf jaar, maar dat is een gemiddelde. De tijd die nodig is om een nalatenschap af te wikkelen hangt af van de omvang en de samenstelling van de nalatenschap, het aantal en de medewerking van de erfgenamen. (…)

Ook als er onenigheid tussen de erfgenamen ontstaat of de erfgenamen niet meewerken, kan de afwikkeling (veel) langer duren.

Bij deze wil ik u er dan ook op attenderen dat de kosten van de afwikkeling van een nalatenschap niet zijn te meten aan de omvang van een nalatenschap. Een nalatenschap met een totale omvang van € 1.000.000,- kan eenvoudiger af te wikkelen zijn dan een nalatenschap met een totale omvang van € 10.000,-.”;

  • 7 september 2022: “In uw Online Dossier hebben wij onze nota betreffende de verrichte werkzaamheden in de maand augustus klaargezet.

De totale kosten vanaf het in behandeling nemen van het dossier bedragen reeds bij benadering € 12.500,00.”;

  • 26 oktober 2022: “Reeds meerdere malen hebben wij aangegeven dat het de afwikkeling van de nalatenschap ten goede zou komen als u zelf gegevens aanlevert. Ik herhaal hierbij nogmaals uitdrukkelijk dat wij graag zouden zien welke concrete zaken dan wel grieven u kunt aandragen welke dit onderzoek zou rechtvaardigen. Dit heeft u niet gedaan en zonder deze door u aangedragen informatie is er voor ons geen aanleiding. Het achterhouden van informatie zal de nalatenschap enkel vertragen.

Dit temeer in het kader van zorgvuldigheid van een executeur ten aanzien van de door hem gemaakte kosten in de uitvoering van zijn beleid. Wij moeten de genomen beslissingen en de te volgen koers tijdens een afwikkeling objectief kunnen rechtvaardigen.”;

  • 13 december 2022: “Nogmaals attenderen wij u op de verhouding tussen de kosten van de afwikkeling van de nalatenschap voor de verrichte werkzaamheden ten aanzien van de discussiepunten en de kostenposten/waarde ten aanzien van deze discussiepunten.”
  • 14 juni 2023: “Juist om uit gemelde discussie te komen en de nalatenschap voortvarend en kostenbesparend af te wikkelen zijn wij gekomen tot de punten in de vaststellingsovereenkomst.

Wij willen thans niet meer inhoudelijk reageren op al uw punten uit uw e-mails, mede gezien de hoge kosten die een ander met zich meebrengt. (…)

Wij hadden partijen de kans gegeven tot 14 april jongstleden om alsnog overeenstemming te bereiken over de afwikkeling van de nalatenschap.

Wij hadden alsnog hoop dat de nalatenschap voorspoedig en met zo weinig mogelijk kosten afgewikkeld kon worden aangezien we ons in de afrondende fase van afwikkeling bevonden.

Helaas zijn we tot de conclusie gekomen dat een voortvarende afhandeling tussen de erfgenamen niet tot de mogelijkheden behoort gezien de inhoud van uw acht pagina’s tellende e-mail.”

4. Moeders nalatenschap is door de notaris afgewikkeld binnen de door hem op 5 augustus 2022 aangekondigde gemiddelde termijn van één tot anderhalf jaar.

Op basis van het voorgaande is het de kamer niet gebleken dat [B] en [C] onzorgvuldig hebben gehandeld, zodat dit ook de notaris niet kan worden aangerekend. Ook oordeelt de kamer dat in dit geval niet excessief of onbetamelijk is gedeclareerd (door interne overleggen dubbel te declareren).

            6) declaraties laat ontvangen per mail

5.37.     De klager verwijt de notaris dat hij de declaraties van de notaris pas vanaf 13 december 2022 per e-mail heeft ontvangen. Ondanks het feit dat de klager al in augustus 2022 had aangegeven geen gebruik te willen maken van het Online Dossier, zijn de eerste declaraties in eerste instantie alleen in het Online Dossier geplaatst en zijn deze declaraties pas op 13 december 2022 alsnog per e-mail naar de klager verzonden.

5.38.     De kamer oordeelt dat de notaris geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken en betrekt hierbij het volgende.

  1. Op 5 augustus 2022 heeft [B] aan de klager meegedeeld welke documenten - waaronder de informatiebrief - in zijn Online Dossier klaarstonden. Nadat de klager hierover telefonisch contact had gehad met [B], heeft [B] hem op 8 augustus 2022 bevestigd dat hij “nog geen” Online Dossier wenste aan te maken en dat hij “de eerste brief” (de informatiebrief) graag per mail wenste te ontvangen. [B] heeft de informatiebrief aan de klager meegezonden. De klager heeft [B] er vervolgens niet op gewezen dat hij ook op een later moment geen Online Dossier wenste aan te maken en dat hij de andere klaargezette en in de e-mail van 5 augustus 2022 genoemde documenten eveneens per mail wilde ontvangen.
  2. [C] heeft de klager er op 7 september 2022 op geattendeerd dat er een “nota betreffende de verrichte werkzaamheden in de maand augustus” klaarstond in het Online Dossier. Op 8 september 2022 heeft de klager aan [B] gevraagd of hij een gedetailleerde uren- en kostenspecificatie zou kunnen ontvangen. De klager heeft wederom niet aangegeven dat hij in het geheel geen gebruik wenste te maken van het Online Dossier en hij heeft evenmin expliciet gevraagd om de declaratie over de maand augustus en de urenspecificaties naar hem te mailen.
  3. Ook nadat [B] de klager op 13 september 2022 had geantwoord dat “alle nota’s” en urenspecificaties klaarstonden in het Online Dossier, heeft de klager niet aan de bel getrokken en [B] niet gevraagd alle documenten voortaan naar hem te mailen. De klager heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat hij op 13 september 2022 op vakantie was en dat hij de e-mail van die datum daarom niet helemaal had gelezen. Dat kan de notaris echter niet worden aangerekend.
  4. De klager heeft pas op 5 december 2022 expliciet aan [C] te kennen gegeven dat hij geen gebruik wilde maken van het Online Dossier en dat hij alle informatie per mail wenste te ontvangen.

Tegen deze achtergrond neemt de kamer van de notaris aan dat het zijn medewerkers pas op 5 december 2022 duidelijk is geworden op welke manier de klager alle documenten wilde ontvangen. [B] is vervolgens voortvarend te werk gegaan door de klager op 13 december 2022 alle documenten - waaronder de declaraties en urenspecificaties - te mailen die inmiddels in het Online Dossier klaarstonden. Vanaf die tijd zijn ook nieuwe documenten conform het verzoek van de klager steeds naar hem gemaild.

Klachtonderdeel 2.b (urenspecificaties niet transparant): ongegrond

5.39.     De klager verwijt de notaris dat hij geen duidelijke specificatie heeft gegeven van de werkzaamheden die hij in rekening heeft gebracht. Uit de urenspecificaties wordt evenmin duidelijk of de bestede tijd noodzakelijk was.

5.40.     De kamer vindt, net als de notaris, dat dat dit verwijt niet terecht is en licht dit als volgt toe. Op grond van artikel 55 lid 1 Wna moet een notaris op verzoek van zijn cliënt een rekening van zijn honorarium (financiële vergoeding) voor ambtelijke werkzaamheden en de overige aan de zaak verbonden kosten opstellen. Daaruit moet duidelijk blijken hoe het bedrag is berekend dat in rekening wordt gebracht. De notaris heeft telkens urenspecificaties met de declaraties meegestuurd. In deze urenspecificaties is vermeld op welke datum en door wie werkzaamheden zijn verricht, hoeveel tijd aan die werkzaamheden is besteed en welk uurtarief daarvoor in rekening is gebracht. De urenspecificaties bevatten ook een omschrijving van de werkzaamheden, zoals het opstellen van mailberichten en brieven, inkomende of uitgaande telefoongesprekken, het voeren van besprekingen, het houden van overleg en het beoordelen van stukken. In het algemeen is ook vermeld met wie contact is geweest en/of waar de werkzaamheden mee te maken hadden. Al met al oordeelt de kamer dat de urenspecificaties voldoende inzichtelijk en controleerbaar maken waar de tijd aan is besteed die (aan moeders erfgenamen) in rekening is gebracht. Klachtonderdeel 2.b is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel 2.c (factureren en niet-verricht werk is gedeclareerd): ongegrond

5.41.     Zoals de kamer (in 5.10.) heeft overwogen, wordt klachtonderdeel 2.c slechts inhoudelijk beoordeeld voor zover dit klachtonderdeel betrekking heeft op het declareren van het factureren en op niet verrichte werkzaamheden.

5.42.     De klager verwijt de notaris dat er kosten in rekening zijn gebracht voor het factureren. Ook verwijt de klager de notaris dat in de declaratie over de maand juli 2023 een forfaitair bedrag is opgenomen voor drie werkuren van € 195,-- per uur excl. dossierkosten en btw. Dit lijkt een onredelijk hoog bedrag, gelet op de in de e-mail van 19 juli 2023 door [B] opgesomde werkzaamheden. Daarnaast lijken in die declaratie kosten te zijn opgenomen die te maken hebben met het beantwoorden van de e-mail van de klager van 28 juni 2023 met betrekking tot de rekening en verantwoording. Volgens de klager schijnt het in het notariaat geen gebruik te zijn om werkzaamheden die samenhangen met het afleggen van de rekening en verantwoording bij de erfgenamen te declareren.

5.43.     Zoals al eerder benoemd (in 5.35.), kan de kamer een geschil over (de hoogte van) een declaratie slechts marginaal toetsen in het licht van de al eerder genoemde algemene tuchtnorm, die is neergelegd in artikel 93 lid 1 Wna. De kamer is, mede gelet op het gemotiveerde verweer van de notaris, van oordeel dat uit de overgelegde urenspecificaties niet blijkt dat er ongebruikelijke of niet-verrichte werkzaamheden zijn gedeclareerd. Ook de hoogte van de op de laatste declaratie in rekening gebrachte forfaitaire kosten voor de afrondende werkzaamheden in het dossier komt de kamer niet excessief en dus niet onbetamelijk voor. Klachtonderdeel 2.c zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard.

6.          De beslissing

De kamer:

6.1.      verklaart klachtonderdeel 2.c niet-ontvankelijk voor zover dit klachtonderdeel betrekking heeft op de hoogte van het door de notaris in rekening gebrachte uurtarief;

6.2.      verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

Deze beslissing is gegeven door mr. A.G.M.H. Bennenbroek, voorzitter, mr. H. van Waterschoot-van der Linden en mr. H.M.A. Albicher, leden.

Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026 door mr. T. Zuidema, fungerend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Hoger beroep:
 

U kunt hoger beroep instellen tegen deze beslissing door een verzoekschrift in te dienen bij het gerechtshof in Amsterdam (postadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam). Dit kunt u doen binnen dertig dagen na de datum (dagtekening) van de aangetekende brief waarbij de kamer deze beslissing aan u heeft toegestuurd.