ECLI:NL:TAHVD:2026:317 Hof van Discipline 's Gravenhage 260192
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:317 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-10-2026 |
| Datum publicatie: | 02-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260192 |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Beroep tegen beslissing op verzet. Appelverbod. De gronden van klager zien op schending verschillende internationaalrechtelijke beginselen. Het hof verwijst naar zijn vaste rechtspraak waarin reeds is beslist dat de tuchtrechtrechtspraak zoals die voor advocaten is georganiseerd niet in strijd is met het EVRM (zie Hof van Discipline, 8 april 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:87 en Hof van Discipline, 26 augustus 2016, ECLI:NL:TAHVD:2016:164 en de rechtspraak waarna in die laatste uitspraak wordt verwezen). De gronden raken niet aan de fundamentele rechtsbeginselen die mogelijk grond opleveren voor doorbreking van het appelverbod, zoals schending van hoor en wederhoor, (vergelijk: HvD 28 augustus 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:168, ECLI:NL:TAHVD:2017:169 en HR 23 juni 1995, NJ 1995/661). |
Beslissing van 2 oktober 2026
in de zaak 260192
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerder
1 DE PROCEDURE
Bij de raad
1.1 Het hof verwijst naar de beslissing van 19 november 2025 van de voorzitter
van de Raad van Discipline (hierna: de raad) in het ressort Den Haag. De voorzitter
heeft met die beslissing (zaaknummer: 25-626/DH/DH) de klacht van klager over verweerder
kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:237 op
tuchtrecht.nl gepubliceerd.
1.2 Klager heeft tegen deze beslissing verzet ingesteld. De raad heeft in een beslissing van 28 april 2026 het verzet van klager ongegrond verklaard (hierna: de beslissing op verzet). De beslissing op verzet is onder ECLI:NL:TADRSGR:2026:91 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof
1.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing op verzet is op 20 mei 2026
ontvangen door de griffie van het hof. Verder bevat het dossier van het hof de stukken
van de raad.
1.4 Het hof heeft het beroep schriftelijk behandeld op basis van de stukken in het dossier.
2 BEROEPSGRONDEN
2.1 Het beroep van klager is gericht tegen de beslissing op verzet.
2.2 Klager stelt dat sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen bij de behandeling van de zaak door de raad. Ter onderbouwing van zijn beroep heeft (de A.I. van) klager het volgende aangevoerd:
“1. Uitzonderlijke omstandigheden
In dit geval is sprake van uitzonderlijke omstandigheden waarbij:
• fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden;
• effectieve rechtsbescherming ontbreekt;
• essentiële Unierechtelijke gronden onbehandeld zijn gebleven;
• en het nationale appelverbod buiten toepassing dient te blijven wegens strijd
met hoger Unierecht.
Dit beroepschrift dient derhalve mede te worden aangemerkt als een beroep op:
• artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;
• het Unierechtelijke effectiviteitsbeginsel;
• het beginsel van voorrang van Unierecht;
• alsmede artikel 6 EVRM
2. Kern van de klacht
De klacht zag op het handelen van verweerder als cassatieadvocaat, in het bijzonder:
• het nalaten onderzoek te verrichten naar dwingend Europees recht van openbare
orde;
• het nalaten cassatieklachten te formuleren omtrent Richtlijn 2003/88/EG;
• het niet onderzoeken van implementatiegebreken met betrekking tot artikel 2
van Richtlijn 2003/88/EG;
• het niet onderzoeken van de betekenis van arbeidstijd in relatie tot de Arbeidstijdenwet;
• het niet onderzoeken van ambtshalve toe te passen Unierechtelijke normen;
• het niet onderzoeken van fundamentele arbeidsveiligheidsnormen voortvloeiende
uit Richtlijn 89/391/EEG;
• en het niet onderzoeken van de gevolgen van het ontbreken van volledige implementatie
van Europees arbeidsomstandighedenrecht.
De Raad van Discipline heeft expliciet vastgesteld dat de klacht zag op:
“geen onderzoek te doen naar, en geen cassatieklachten te formuleren over, dwingend Europees recht van openbare orde.”
3. Doorbreking van het appelverbod
3.1 Geen daadwerkelijke inhoudelijke beoordeling
Hoewel de raad erkent dat de klacht betrekking had op dwingend Europees recht van openbare orde, volgt geen enkele inhoudelijke beoordeling van:
• Richtlijn 2003/88/EG;
• artikel 2 van die richtlijn;
• Richtlijn 89/391/EEG;
• de artikelen 3, 5 en 6 van Richtlijn 89/391/EEG;
• het effectiviteitsbeginsel;
• openbare orde;
• ambtshalve toepassing;
• artikel 47 EU-Handvest;
• implementatiegebreken;
• of relevante rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
De raad volstaat met de overweging:
“niet is gebleken dat het gegeven cassatieadvies onjuist of kwalitatief onvoldoende is.”
Daarmee ontbreekt een daadwerkelijke inhoudelijke beoordeling van de kern van het geschil.
3.2 Strijd met artikel 47 Handvest EU
Indien een nationale procedure:
• geen inhoudelijke beoordeling biedt van fundamentele Unierechtelijke gronden;
• én vervolgens ieder rechtsmiddel uitsluit,
ontstaat strijd met:
• artikel 47 Handvest EU;
• het beginsel van effectieve rechtsbescherming;
• en het Unierechtelijke effectiviteitsbeginsel.
Ondergetekende beroept zich hierbij mede op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder C-367/23, waaruit volgt dat nationale procesregels de effectieve werking van fundamentele Unierechtelijke normen niet illusoir mogen maken.
3.3 Openbare orde en ambtshalve toetsing
De klacht zag uitdrukkelijk op normen van openbare orde.
Juist bij:
• arbeidstijden;
• arbeidsveiligheid;
• implementatie van Richtlijn 2003/88/EG;
• implementatie van Richtlijn 89/391/EEG;
• en fundamentele sociale beschermingsnormen,
geldt dat nationale instanties gehouden kunnen zijn ambtshalve toetsing toe te passen.
Door dit niet inhoudelijk te beoordelen, terwijl tevens ieder hoger beroep wordt uitgesloten, ontstaat een situatie waarin:
• fundamenteel Unierecht feitelijk aan rechterlijke toetsing wordt onttrokken.
Dat is onverenigbaar met:
• de voorrang van Unierecht;
• het effectiviteitsbeginsel;
• en artikel 47 Handvest EU.
4. Motiveringsgebrek
De beslissing ontbeert een draagkrachtige motivering.
De raad motiveert niet:
• waarom de aangevoerde Unierechtelijke gronden juridisch onjuist zouden zijn;
• waarom het ontbreken van onderzoek daarnaar niet tuchtrechtelijk relevant is;
• waarom openbare-orde-gronden geen nadere beoordeling behoefden;
• waarom Richtlijn 89/391/EEG geen rol zou spelen;
• of waarom het effectiviteitsbeginsel niet van toepassing zou zijn.
Voorts wordt niet gemotiveerd:
• waarom de overlegde e-maillogboeken geen relevante betekenis hebben;
• noch waarom artikel 46c Advocatenwet correct zou zijn toegepast.
Daarmee voldoet de beslissing niet aan:
• de eisen van een inzichtelijke motivering;
• artikel 6 EVRM;
• artikel 47 Handvest EU;
• en fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging.
5. Geen beoordeling van essentiële klachtgronden
Ondergetekende heeft aangevoerd dat verweerder heeft nagelaten onderzoek te doen naar de gevolgen van het ontbreken van implementatie van artikel 2 van Richtlijn 2003/88/EG, waaronder de betekenis van arbeidstijd binnen de Arbeidstijdenwet en de gevolgen daarvan voor de juridische beoordeling van de onderliggende zaak.
Daarnaast is aangevoerd dat verweerder geen onderzoek heeft gedaan naar fundamentele arbeidsveiligheidsnormen voortvloeiende uit Kaderrichtlijn 89/391/EEG, waaronder:
• artikel 3;
• artikel 5;
• en artikel 6 van deze richtlijn.
Deze bepalingen zien rechtstreeks op:
• bescherming van veiligheid en gezondheid van werknemers;
• preventieplichten;
• organisatie van arbeid;
• risicobeheersing;
• en werkgeversverantwoordelijkheid.
Ondergetekende heeft aangevoerd dat deze normen:
• samenhangen met Richtlijn 2003/88/EG;
• fundamentele veiligheidsnormen betreffen;
• en mede van openbare orde kunnen zijn.
De Raad van Discipline noemt Richtlijn 89/391/EEG nergens in zijn beoordeling en motiveert niet:
• waarom deze normen niet relevant zouden zijn;
• waarom het ontbreken van onderzoek daarnaar niet tuchtrechtelijk relevant zou
zijn;
• of waarom een cassatieadvocaat deze normen niet behoefde te onderzoeken.
Daarmee ontbreekt een inhoudelijke beoordeling van essentiële klachtgronden.
6. Fundamentele aard van het geschil
De raad overweegt:
“Klager lijkt de onderliggende arbeidszaak inhoudelijk over te willen doen. Daar is het tuchtrecht echter niet voor bedoeld.”
Deze overweging miskent de kern van de klacht.
Ondergetekende heeft immers niet slechts aangevoerd dat verweerder een andere processtrategie had moeten volgen, maar dat:
• essentiële rechtsgronden geheel onbesproken zijn gebleven;
• fundamenteel Europees recht niet is onderzocht;
• fundamentele veiligheidsnormen niet zijn onderzocht;
• en ambtshalve relevante normen van openbare orde niet zijn betrokken.
Dat betreft geen gewone inhoudelijke herbeoordeling van de arbeidszaak, maar de vraag of verweerder heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mocht worden verwacht.
7. Effectieve rechtsbescherming
Indien:
• fundamentele Unierechtelijke gronden niet inhoudelijk worden beoordeeld;
• en tegelijk ieder hoger rechtsmiddel categorisch wordt uitgesloten, wordt effectieve
rechtsbescherming illusoir.
Een nationale bepaling zoals artikel 46h lid 7 Advocatenwet dient buiten toepassing te blijven indien deze in concrete omstandigheden strijd oplevert met:
• artikel 47 Handvest EU;
• de voorrang van Unierecht;
• of het effectiviteitsbeginsel.”
3 BEOORDELING
maatstaf
3.1 Artikel 46h lid 7 van de Advocatenwet bepaalt dat geen beroep kan worden
ingesteld tegen een beslissing van de raad waarbij het verzet tegen een voorzittersbeslissing
niet-ontvankelijk of ongegrond is verklaard. Er kan een uitzondering op deze regel
worden gemaakt, als de procedure bij de raad geen eerlijk proces betrof doordat bij
de behandeling van het verzet door de raad een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden.
Dan kan het appelverbod worden doorbroken. Het hof zal onderzoeken of daarvan sprake
is.
beoordeling
3.2 De gronden van klager zien op schending verschillende internationaalrechtelijke
beginselen. Het hof verwijst naar zijn vaste rechtspraak waarin reeds is beslist dat
de tuchtrechtrechtspraak zoals die voor advocaten is georganiseerd niet in strijd
is met het EVRM (zie Hof van Discipline, 8 april 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:87 en Hof
van Discipline, 26 augustus 2016, ECLI:NL:TAHVD:2016:164 en de rechtspraak waarna
in die laatste uitspraak wordt verwezen).
3.3 De gronden raken niet aan de fundamentele rechtsbeginselen die mogelijk grond opleveren voor doorbreking van het appelverbod, zoals schending van hoor en wederhoor, (vergelijk: HvD 28 augustus 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:168, ECLI:NL:TAHVD:2017:169 en HR 23 juni 1995, NJ 1995/661).
3.4 Ook gaat klager in zijn gronden nader in op de inhoud van de onderliggende zaak. Daarvoor is echter pas ruimte als het hof zou bepalen dat er grond is voor doorbreking van het appelverbod (zie HvD 20 september 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:183). Zolang er het appelverbod geldt, is er geen ruimte om in te gaan op de inhoud.
slotsom
3.5 De slotsom is dat het in deze zaak toepasselijke appelverbod niet wordt doorbroken en dat klager niet-ontvankelijk is in zijn beroep.
4 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het beroep van klager niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren
en F.C. van der Jagt-Vink, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en
in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 2 oktober 2026.