Zoekresultaten 22351-22400 van de 46800 resultaten

  • ECLI:NL:TADRSGR:2017:165 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-533/DH/A-a

    Voorzittersbeslissing. Klacht niet-ontvankelijk wegens overschrijding driejaarstermijn.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2017:146 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-533/DH/A-b

    Voorzittersbeslissing. Klacht niet-ontvankelijk wegens overschrijding driejaarstermijn.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2017:159 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-459/DH/DH

    Voorzittersbeslissing. Klacht van de ene tegen de andere advocaat kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:135 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-070

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen eigen advocaat kennelijk ongegrond. Verweerster heeft klaagster niet onterecht gedagvaard. Dat verweerster geen vordering (meer) had, was verweerster op het moment van dagvaarden onbekend. Niet is gebleken dat klaagster zelf voldoende actie heeft ondernomen om de dagvaardingsprocedure (tijdig) af te wenden.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:136 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 16-780

    Klacht over voorlichting aan cliënt. De advocaat is daarin niet tekort geschoten maar heeft de cliënt voldoende geïnformeerd over het procesverloop, de kansen en de risico's van de procedure. Ook heeft de advocaat gewezen op de mogelijkheid van gefinancierde rechtsbijstand en vooraf een inschatting gemaakt van de verwachte tijdsbesteding en de cliënt hierover gedurende de procedure op de hoogte gehouden. Verder mocht de advocaat aankondigen dat de rechtsbijstand zou worden opgeschort als betaling van de declaraties uitbleef. De klacht is ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2017:143 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-365/DH/RO

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen eigen advocaat in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:137 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 16-1007

    Verzet tegen voorzittersbeslissing betreffende het optreden van de deken. Klacht heeft betrekking op het handelen van verweerder, als deken, bij de aanwijzing van een advocaat aan klager ex art.13 Advocatenwet. Het verzet is ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:138 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 16-412

    Verzet tegen voorzittersbeslissing. De klacht betrof miscommunicatie tussen klager, de cliënt, en verweerder. De voorzitter heeft een juist oordeel gegeven. Het verzet is ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:132 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-543

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen voormalig eigen advocaat. Niet is komen vast te staan dat verweerder zijn declaraties heeft ‘opgeschroefd’ van € 9.000,- naar € 17.500,-. Wegens niet-betaling van de declaraties heeft verweerder klager gedagvaard. Het oplopen van de oorspronkelijke hoofdsom is te wijten aan de bijgekomen incasso-, proces-, executie- en veilingkosten. Dat verweerder deze kosten onvoldoende gespecificeerd heeft is niet gebleken.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:133 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 16-1150

    Verzet tegen voorzittersbeslissing. De voorzitter is niet van onjuiste of onvolledige feiten uitgegaan waardoor hij tot een ander oordeel had moeten komen. Het verzet is ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2017:18 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2016/122

    Kinderen klagen dat notaris onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van hun 54-jarige moeder, die (onder meer) haar testament heeft gewijzigd. Zij had uitzaaiingen in de hersenen en binnen een week na het passeren van de akten heeft een onafhankelijk arts geoordeeld dat zij blijvend niet in staat werd geacht haar financiële en persoonlijke zaken en belangen naar behoren te behartigen. Bij gebrek aan achterliggende informatie was de notaris, die enkel wist dat moeder terminaal ziek was, bij de beoordeling van haar wilsbekwaamheid aangewezen op de indruk die zij op hem maakte en de wijze waarop zij zich tijdens het gesprek presenteerde. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2017:134 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-030

    Ongegronde klacht tegen een fysiotherapeut. Nu de lezingen van partijen uiteen lopen, kan het College grensoverschrijdend gedrag door de fysiotherapeut jegens klager niet vaststellen. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2017:143 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-043

    Ongegronde klacht tegen een fysiotherapeut. De fysiotherapeut is wegens praktijk- en persoonlijke omstandigheden niet in staat geweest om aan het verzoek van klaagster tot verstrekking van medische informatie te voldoen. Het had de voorkeur gehad indien duidelijker en sneller was gecommuniceerd over de reden van het uitblijven van informatie. Inmiddels is aan het verzoek voldaan. Geen tuchtrechtelijk verwijt. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2017:144 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-024

    Ongegronde klacht tegen een fysiotherapeut. De fysiotherapeut heeft lichamelijk (her)onderzoek verricht alvorens deze manipulaties in het midden/laag cervicaal gebied bij klager uit te voeren. Niet is gebleken dat de klachten onvoldoende zijn uitgevraagd. De uitleg door de fysiotherapeut was weliswaar beperkt, maar niet onvoldoende nu er geen indicaties waren dat bij manipulatie van de nekwervels op midden/laag cervicaal niveau sprake was van een verhoogd risico op complicaties. Alle klachtonderdelen ongegrond. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2017:17 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2016/54, 55, 56 en 57

    Klachten over afgifte van verklaringen van erfrecht, waarin staat vermeld dat de ouders van klager beiden laatstelijk woonplaats hadden in Nederland. Zij hadden beiden een Spaans en een Nederlands testament en lieten bezittingen na in beide landen. Deze klachten zijn niet-ontvankelijk in verband met overschrijding van de klachttermijn. Klacht over misleiding van klager bij legaliseren van verklaring van zuivere aanvaarding op zelfde grond niet-ontvankelijk (zie ook: ECLI:NL:TNORSHE:2016:4)

  • ECLI:NL:TGZREIN:2017:91 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1752

    Klaagster verwijt oogarts dat er geen sprake is van informed consent aangezien zij over de lenskeuze ten behoeve van een staaroperatie minimaal is ingelicht door een optometrist en niet door de oogarts zelf. De werkwijze in het ziekenhuis van verweerder, waarbij een patiënt na het consult bij de oogarts nog door de optometrist wordt gezien voor een oogmeting en herhaling van voorlichting, is naar het oordeel van het college een gebruikelijke en aanvaardbare werkwijze en evenmin strijdig met de Richtlijn Cataract. Klaagster is voldoende voorgelicht. Voor de stelling van klaagster dat de optometrist haar minimaal heeft voorgelicht, heeft het college geen aanwijzingen in het dossier gevonden. Het standpunt van verweerder wordt, ondanks zijn summiere verslaglegging, door het dossier ondersteund. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2017:143 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 148/2017

    Klacht tegen psychiater/psychotherapeut betreffende seksueel grensoverschrijdend gedrag en inadequate behandeling. Geen overtuiging dat verweerder voldoende inzicht heeft in het grensoverschrijdende van zijn handelen en zijn eigen rol daarin; recidivekans. Doorhaling inschrijving en schorsing bij wijze van voorlopige voorziening.

  • ECLI:NL:TACAKN:2017:51 Accountantskamer Zwolle 16/2578 Wtra AK

    Accountant wiens kantoor de deponering van publicatiestukken verzorgt had moeten bewaken dat de cijfers in die publicatiestukken op juiste wijze zijn ontleend aan de opgemaakte en vastgestelde jaarrekening en de verschillen daartussen hadden hem niet mogen ontgaan. Dat geldt te meer als het gaat om het deponeren van cijfers die afwijken van de cijfers in een conceptjaarrekening die nog niet is vastgesteld. Strijd met deskundigheid en zorgvuldigheid.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2017:144 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 118/2017

    Klacht tegen psychiater/psychotherapeut betreffende seksueel grensoverschrijdend gedrag en inadequate behandeling. Geen overtuiging dat verweerder voldoende inzicht heeft in het grensoverschrijdende van zijn handelen en zijn eigen rol daarin; recidivekans. Doorhaling inschrijving en schorsing bij wijze van voorlopige voorziening.

  • ECLI:NL:TACAKN:2017:52 Accountantskamer Zwolle 16/2595 Wtra AK

    Betrokkene heeft niet gereageerd op verzoeken per brief en per e-mail van klager om een eerder afgesproken vrijwaring te bevestigen/na te komen. De advocaat van betrokkene heeft na verloop van tijd wel gereageerd. Het had verre de voorkeur verdiend dat betrokkene wel had gereageerd gezien het belang van klager bij de vrijwaring maar het niet reageren is van onvoldoende tuchtrechtelijk gewicht om te oordelen dat betrokkene in strijd met enige gedrags- of beroepsregel heeft gehandeld.

  • ECLI:NL:TNORARL:2017:36 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/318691 / KL RK 17/43

    De kamer overweegt dat een notaris, alvorens hij een akte passeert, moet controleren of de tekst daarvan de instemming heeft van alle partijen bij de akte. Vastgesteld wordt dat in dit geval de notaris zich onvoldoende heeft overtuigd dat klager instemde met de tekst van de akte. Ook heeft de notaris niet tijdig een afschrift van de akte aan klager verzonden en de koopsom aan hem overgemaakt en is hij in gebreke gebleven helder met klager te communiceren. De klacht wordt gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel.

  • ECLI:NL:TNORARL:2017:37 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/317787 / KL RK 17/36

    De kamer stelt vast dat de kandidaat-notaris – als executeur/afwikkelingsbewindvoerder – niet onzorgvuldig heeft gehandeld bij de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van klager.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:28 Kamer voor het notariaat Amsterdam 624264 NT RK 17/16

    De kamer acht, gelet op de beschreven handelwijze en de aanwezigheid van verschillende indicatoren zoals hiervoor genoemd, de handelwijze van de notaris om zowel de voorbespreking met erflaatster als het passeren van het testament in dezelfde ruimte waar ook genoemde derden aanwezig waren te doen plaatsvinden, niet begrijpelijk. Zoals ter zitting uiteengezet, was deze ruimte erg klein en stond erflaatster bij het passeren in ieder geval in voortdurend visueel contact met de beide (F en H). Niet gebleken is dat de notaris hen heeft verzocht de kamer te verlaten, terwijl dit eenvoudig te realiseren was geweest. Het is de verantwoordelijkheid van de notaris om te waken voor een vrije en onafhankelijke wilsvorming. Het feit dat de notaris hierin onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht acht de kamer dan ook klachtwaardig.

  • Anders dan de notarissen, is de kamer van oordeel dat met de enkele mededeling dat de notarissen geen werkzaamheden voor klager wilden verrichten sprake is van ministerieweigering. Hieraan doet niet af dat klager formeel nog geen opdracht had verstrekt, omdat hij eerst een offerte wilde ontvangen. Ook het opstellen van een offerte valt onder de verlangde werkzaamheden als bedoeld in artikel 21 lid 1 Wna en bovendien impliceert de weigering om een offerte op te stellen de weigering om de notariële dienst te verlenen. Evenmin doet aan het oordeel van de kamer af dat de weigering in eerste instantie tijdelijk, namelijk voor de duur van de ontslagprocedure, zou zijn. Vast staat immers dat de op dat moment door klager verlangde werkzaamheden door de notarissen werden geweigerd. De kamer oordeelt evenwel dat de ontslagprocedure voor de echtgenote van klager en de (vanzelfsprekende) nauwe betrokkenheid van klager daarbij op zich een gegronde reden vormde als bedoeld in artikel 21 lid 2 Wna voor het opschorten van hun ministerie gedurende de ontslagprocedure. De gang van zaken in de ontslagprocedure zou immers zijn weerslag kunnen hebben op de relatie tussen klager en de notarissen met mogelijke gevolgen voor de notariële dienstverlening. Toen vervolgens na het telefoongesprek van 20 mei 2015 mede door uitlatingen van klager jegens het notariskantoor een ernstige vertrouwensbreuk tussen de notarissen en klager is ontstaan, vormde dit naar het oordeel van de kamer een gegronde reden als hiervoor bedoeld voor de notarissen om hun ministerie definitief te weigeren. De kamer acht dit klachtonderdeel jegens mr. (B) en mr. (E) dan ook ongegrond en, voor zover dit klachtonderdeel de overige notarissen mrs. (A), (C) (hierna: mr. (C)) en (D) betreft, niet ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:237 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.009

    De klacht is gericht tegen een huisarts. Klager verwijt de huisarts, kort gezegd, dat patiënte, klagers moeder, zonder toestemming naar het ziekenhuis is meegenomen, dat de huisarts het dossier niet heeft gelezen, een foute diagnose heeft gesteld en geen goed onderzoek heeft gedaan. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en een waarschuwing opgelegd. Beroep klager verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:248 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.474

    De klacht betreft de opname en heropname van de echtgenote van klager, patiënte, op de gesloten opnameafdeling. Verweerder, psychiater, was de supervisor van de behandelaar van patiënte, destijds een co-assistent aan het einde van haar medische opleiding. Klager verwijt verweerder het volgende: 1. tijdens de eerste opname is behoudens gesprekken met de verpleging geen en/of verkeerde en/of te late behandeling geboden; 2. tijdens deze opname is een verkeerde en/of te laat een diagnose gesteld; 3. op een bepaalde datum is patiënte sterk suïcidaal en verplicht met ontslag gestuurd; 4. tijdens de heropname is geen behandeling geboden. Afbouw van Prozac en starten met een vervangend middel is niet uitgevoerd; 5. patiënte is ondanks toezegging niet doorverwezen naar een collega beroepsbeoefenaar. Een dringend verzoek om behandeling door een andere psychiater is wel ingewilligd, maar niet uitgevoerd; 6. op een bepaalde datum is patiënte sterk suïcidaal verplicht met ontslag gestuurd als “uitbehandeld”; 7. de psychiater had een onverschillige en niet geïnteresseerde opstelling ten opzichte van patiënte. Het RTG Den Haag verklaart de klachtonderdelen 1 t/m 3 ongegrond en 4 t/m 7 gegrond en legt de psychiater de maatregel van berisping op (met publicatie). Het CTG vernietigt deze beslissing voor zover de klachtonderdelen 4 t/m 6 gegrond werden verklaard. Klacht 7 is gegrond. CTG volstaat met een waarschuwing, omdat is gebleken dat de psychiater nog relatief onervaren was, daarna zijn werkwijze heeft aangepast, en hij heeft aangegeven te hebben geleerd van deze kwestie.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:242 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.335

    Klacht tegen huisarts. De aangeklaagde arts was sinds 2006 de huisarts van klaagster en haar gezin, bestaande uit de echtgenote van klaagster en hun drie kinderen. In 2013 stelde klaagster de arts op de hoogte van haar genderdysforie. Klaagster is een jaar later apart gaan wonen van haar partner. Volgens Jeugdzorg was er sprake van een zeer onrustige thuissituatie. De Raad voor de Kinderbescherming heeft een onderzoek ingesteld. De arts heeft op verzoek van de echtgenote van klaagster een kinderarts verzocht onderzoek te verrichten naar het vermoeden van kindermisbruik en informatie verstrekt aan de Raad voor de Kinderbescherming en de politie. De klacht houdt in: 1) afgifte van een onjuiste verklaring en een onjuist rapport aan derden, 2) het verstrekken van bedrieglijke informatie zonder toestemming, 3) het schenden van het beroepsgeheim, 4) grensoverschrijdend gedrag, 5) discriminatie, 6) het opzettelijke schade toebrengen aan drie minderjarige kinderen en 7) schending van de privacy. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht voor wat betreft de onderdelen 1 tot en met 3, 6 en 7 gegrond verklaard en de arts ter zake daarvan de maatregel van berisping opgelegd. Voor het overige is de klacht afgewezen. Nadat de arts beroep heeft ingesteld tegen deze beslissing, uiteindelijk beperkt tot de opgelegde maatregel, en klaagster incidenteel beroep, heeft het Centraal Tuchtcollege de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege vernietigd, doch uitsluitend voor zover daarin de maatregel van berisping is opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat in het onderhavige geval kan worden volstaan met oplegging van de maatregel van waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:236 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.037

    Klacht tegen een CIZ-arts. Klager verwijt de CIZ-arts dat de medewerkers van CIZ onbevoegd de geneeskunde uitoefenen, dat de artsen van CIZ uitspraken doen die niet onderbouwd zijn door medisch (eigen) onderzoek en afwijken van de rapporten van artsen en gedragsdeskundigen die wel onderzoek hebben gedaan. De privacy wordt geschonden door CIZ door verkeerde gegevens door te sturen zonder dat klager weet wat er is doorgestuurd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege komt omtrent het handelen van de arts tot dezelfde bevindingen als het Regionaal Tuchtcollege en neemt hetgeen het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De beoordeling’ heeft overwogen over de handelwijze van de arts hier over. Daarmee onderschrijft het Centraal Tuchtcollege het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de arts met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. Het beroep wordt verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:243 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.001

    Klacht tegen huisarts. Klagers zijn de kinderen van een patiënte, die in 2014 is overleden aan een aortadissectie. Gedurende de periode van 11 april 2014 tot 30 april 2014 is patiënte door drie andere huisartsen gezien, waarbij geen aortadissectie is geconstateerd. Op 6 mei 2014 heeft patiënte de (vaste) huisarts gezien. Klagers verwijten de huisarts dat zij de diagnose aortadissectie heeft gemist en onvoldoende heeft gedaan om deze diagnose te stellen, zodat een adequate behandeling is uitgebleven. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht van klagers afgewezen. In hoger beroep hebben klagers de huisarts gesteld dat door het Regionaal Tuchtcollege niet is ingegaan op de essentie van hun klacht, inhoudende dat zij de huisarts verwijten dat zij patiënte niet heeft doorverwezen. Het Centraal Tuchtcollege heeft het beroep verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:244 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.005

    De klacht is gericht tegen een huisarts. Klaagster verwijt de huisarts dat deze nalatig is geweest door patiënt - haar broer - niet voor nader onderzoek in te sturen. Patiënt is enkele dagen later overleden aan de gevolgen van een hartinfarct. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gegrond verklaard en de maatregel van berisping opgelegd. Beroep huisarts verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:238 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.100

    Klacht tegen een bedrijfsarts. Klager verwijt de be drijfsarts dat zij niet heeft gehandeld als een redelijk bekwaam bedrijfsarts. De klacht is opgebouwd uit tien onderdelen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft geconcludeerd dat de bedrijfsarts met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt en heeft de klacht in al haar onderdelen afgewezen. Omtrent het handelen van de bedrijfsarts komt het Centraal Tuchtcollege tot dezelfde bevindingen als het Regionaal Tuchtcollege en neemt hetgeen het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De beoordeling’ heeft overwogen over de handelwijze van de bedrijfsarts hier over. Daarmee onderschrijft het Centraal Tuchtcollege het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de bedrijfsarts met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. Het beroep wordt verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:245 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.084

    De klacht is gericht tegen een huisarts. Klager verwijt de huisarts dat zij de situatie van patiënte, klagers echtgenote, verkeerd heeft ingeschat tijdens een oproep van klager naar de spoedlijn van de praktijk. Patiente is later die dag overleden. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Beroep klager verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:239 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.494

    Klacht tegen HAP arts. Klaagster is echtgenote van een inmiddels overleden hoog bejaarde patiënt met Alzheimer. Patient is op zijn rug gevallen. De arts heeft hem in de nacht op de HAP gezien en geconcludeerd dat sprake was van een kneuzing van de rug. Een dag later zijn in het ziekenhuis, na verwijzing door de huisarts, verschillende fracturen in de wervelkolom, waaronder een instabiele halswervelfractuur, gediagnostiseerd. Klaagster verwijt de arts onder meer dat zij het lichamelijk onderzoek onvoldoende adequaat, onvoldoende zorgvuldig en ondeskundig heeft uitgevoerd. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht op dit punt gegrond en legt de maatregel van berisping op. Het Centraal Tuchtcollege komt tot de conclusie dat aannemelijk is dat het onderzoek van de arts te summier is geweest, in het bijzonder waar het gaat om de aantasting van het loopvermogen van patiënt. Dat geen sprake was van krachtverlies of andere door het trauma veroorzaakte motorische beperking, heeft de arts niet op basis van het verrichte onderzoek kunnen vaststellen. Het Centraal Tuchtcollege volstaat met een waarschuwing .

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:246 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.105

    Klacht tegen een bedrijfsarts. Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat zij een niet volledig ingevulde en niet correcte probleemanalyse heeft ingevuld en dat de probleemanalyse niet tijdig is opgesteld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het tijdig (binnen zes weken na de eerste ziektedag) opstellen, ondertekenen en toesturen van de probleemanalyse een eigen verantwoordelijkheid van de bedrijfsarts is. Het feit dat de arbodienst fouten heeft gemaakt of dat de gehanteerde werkwijze van de arbodienst tot gevolg heeft gehad dat er vier versies van de probleemanalyse in omloop zijn gekomen, doet aan deze eigen (tuchtrechtelijke) verantwoordelijkheid van de bedrijfsarts niet af. Het Centraal Tuchtcollege constateert dat de bedrijfsarts haar verantwoordelijkheid met betrekking tot het tijdig opstellen en ondertekenen van de probleemanalyse in het geval van klaagster niet heeft genomen. O ok het juist en volledig invullen van een probleemanalyse is een eigen verantwoordelijkheid van de bedrijfsarts. Het kan de bedrijfsarts dan ook worden aangerekend dat dit in het geval van klaagster niet is gebeurd. Het feit dat er foutieve antwoorden door het systeem zijn ingevuld die de bedrijfsarts niet kan wijzigen (wat daar verder ook van zij) doet daaraan niet af. Het voorgaande betekent dat het Centraal Tuchtcollege de klacht in al haar onderdelen gegrond acht. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende, verklaart de klacht alsnog gegrond en legt aan de bedrijfsarts de maatregel van berisping op.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2017:26 Kamer voor het notariaat Amsterdam 624694 / NT RK 17-18 OJ en 624697 / NT RK 17-19 OJ

    De vraag of de notarissen voorafgaand aan het passeren van de akte, kennis hadden moeten nemen van de Franse akte, kan onbeantwoord blijven. Op enig moment is immers in gezamenlijk overleg besloten over te gaan tot opheffing van de huwelijksvoorwaarden zoals aangegaan in de akte van 2001, alvorens het verdere erfrechtelijke traject ter hand werd genomen. De notarissen hebben onweersproken gesteld dat de notaris tijdens de bespreking van 24 februari 2014, die ruim een uur heeft geduurd, op de gevolgen heeft gewezen. Daarna is het concept voor de akte, waarin een, naar de notarissen ook hebben gesteld, ongebruikelijk uitvoerige considerans is opgenomen, waarin de gevolgen nog eens expliciet zijn beschreven, op 26 februari 2014 per e-mail aan klager toegezonden. In die mail is nog eens afzonderlijk vermeld dat na het passeren alle bezittingen, zowel in Nederland als daarbuiten, gezamenlijke eigendom zullen zijn. Daarna heeft klager, alvorens de volgende dag tot passeren werd overgegaan, er blijk van gegeven het voorgaande ontvangen en gelezen te hebben. Onder de gegeven omstandigheden moeten de notarissen geacht worden aan hun Belehrungspflicht te hebben voldaan en leidt de omstandigheid dat het pand (adres) in de bespreking van 24 februari 2014 mogelijk niet met zoveel woorden aan de orde is gekomen, niet tot een ander oordeel.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:234 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.346

    Klacht van vader zonder gezag tegen psychiater van zijn zoon. Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht af en het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep. Psychiater heeft vader voldoende geïnformeerd en was niet gehouden informatie die vader aan haar verschafte in haar rapportage op te nemen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:247 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.139

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:241 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.025

    klacht tegen een gz-psycholoog. Klager verwijt de gz-psycholoog dat zij hem, als voormalig patiënt, in loondienst heeft genomen en op haar terrein heeft laten wonen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht gegrond en legt de gz-psycholoog een voorwaardelijke schorsing op. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van de gz-psycholoog.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:235 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.315

    Klacht tegen plastisch chirurg. Klager leed aan lipodystrofie in het gezicht en heeft zich in juni 2006 tot verweerder, plastisch chirurg, gewend voor een behandeling waarbij zijn wangen zouden worden opgevuld. Drie maanden later heeft de ingreep plaatsgevonden. Bij klager is in beide wangen Bio-Alcamid ingespoten. Twee jaar later bleek de Bio-Alcamid nog steeds zichtbaar en heeft verweerder klager twee opties voorgehouden: gedeeltelijke verwijdering van de Bio-Alcamid of opvulling van de diepte boven de Bio-Alcamid. Klager verwijt verweerder dat hij: 1) heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die hij bij de uitoefening van zijn beroep in acht moet nemen, 2) misvormingen in het gelaat van klager heeft veroorzaakt, en 3) zonder informed consent het middel Bio-Alcamid heeft gebruikt. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard, omdat de arts niet zorgvuldig heeft gehandeld door klager pas op de dag van de ingreep te informeren over het te gebruiken opvulmiddel en er vanuit te gaan dat, toen klager niet protesteerde, er informed consent was. De arts is ter zake daarvan de maatregel van berisping opgelegd. Voor het overige is de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt zowel het beroep van de arts als het incidenteel beroep van klager.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2017:133 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2016-272

    Ongegronde klacht tegen een cardioloog . Verweerder heeft op basis van de klachten van patiënt, zijn bevindingen na lichamelijk onderzoek en het door hem verrichte aanvullende onderzoek – waarvan het medisch dossier uitvoerige en duidelijke verslaglegging bevat – op juiste gronden de diagnose stabiele angina pectoris heeft gesteld . Bij deze diagnose is een medicamenteuze behandeling zoals door verweerder ingezet een juiste keuze conform de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie. Het College kan niet vaststellen of patiënt tijdens het telefonisch contact daadwerkelijk heeft gemeld dat de medicatie niet aansloeg en hij nog steeds klachten had of dat hij enkel heeft gebeld voor het maken van een vervolgafspraak. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2017:141 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-554/DH/RO

    Beslissing naar aanleiding van een verzoek ex art. 60ab lid 2 Advocatenwet. Verweerder bevond zich ten tijde van de zitting van de raad in bewaring. Omdat de vordering gevangenhouding twee dagen later in raadkamer van de rechtbank zou worden behandeld, heeft de raad zijn beslissing op het schorsingsverzoek ex artikel 60ab lid 2 Advocatenwet aangehouden totdat de beslissing van de raadkamer zou zijn genomen. Bij wijze van voorlopige voorziening heeft de raad bepaald dat verweerder zich tot aan de beslissing van de raadkamer niet als advocaat mocht gedragen, met uitzondering van contacten tussen verweerder en zijn praktijkwaarnemer in het kader van de praktijkwaarneming.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2017:142 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-554/DH/RO

    Beslissing volgend op de beslissing van 1 augustus 2017 in de zaak 17-554/DH/RO. De raad wijst af het verzoek van de deken om verweerder ex artikel 60ab lid 2 Advocatenwet met onmiddellijke ingang voor onbepaalde tijd te schorsen in de uitoefening van de praktijk. De vordering gevangenhouding is op 3 augustus 2017 behandeld in raadkamer van de rechtbank. Bij beschikkingen van die datum is de gevangenhouding bevolen en de voorlopige hechtenis geschorst met ingang van 4 augustus 2017. De situatie als bedoeld in artikel 60ab lid 2 Advocatenwet doet zich vanaf laatstgemelde datum dan ook niet meer voor.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2017:98 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2016/298

    Klaagster verwijt verweerder, haar huisarts, dat hij haar klachten niet serieus heeft genomen en geen lichamelijk onderzoek heeft verricht. Klaagster had zich meerdere malen tot de huisarts gewend in verband met klachten. Volgens klaagster heeft verweerder haar na het laatste bezoek doodziek naar huis laten gaan. Klaagster is een dag later op de IC opgenomen in verband met ernstige nierinsufficiëntie. Verweerder voert verweer. Ongegrond

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2017:142 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 095/2016

    Bedrijfsarts begeleidt klaagster volgens met werkgever afgesproken eigen regie model. Dit leidt tot een te passieve houding van de bedrijfsarts t.o.v. de verzuimbegeleiding van klaagster. Opeenstapeling van tekortkomingen: niet afgeven schriftelijke rapportages aan klaagster, schijn van verlies van onpartijdigheid, te laat onderkennen ontbreken vertrouwensband, onvolledig toepassen NVAB richtlijn psychische problemen en niet toepassen STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten. Volgt oplegging van een berisping.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2017:183 Raad van Discipline Amsterdam 17-473/A/A

    Voorzittersbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Niet gebleken dat verweerster toezeggingen niet is nagekomen Evenmin valt haar terzake van het retourneren van het dossier aan klaagster enig tuchtrechtelijk verwijt te maken. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2017:184 Raad van Discipline Amsterdam 17-476/A/A

    Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat wederpartij. Geen sprake van onnodig grievende uitlatingen. Ook overigens geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORARL:2017:15 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/310413 KL RK 16/120

    Voor zover de notaris heeft aangevoerd dat de klacht niet ontvankelijk zou zijn omdat klager spreekt van smaad, volgt de kamer de notaris niet. Het feit dat, in zijn algemeenheid gesteld, een civiele procedure over smaad mogelijk is, neemt niet weg dat het hier aan de orde zijnde klachtrecht de mogelijkheid biedt om te klagen: "ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt".

  • ECLI:NL:TGDKG:2017:117 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam 605.2016

    Verzetzaak. In de klacht heeft klager aangevoerd dat de gerechtsdeurwaarder hem niet goed heeft geïnformeerd over de vordering en ten onrechte beslag heeft gelegd gelet op de omvang van de schuld. Ook is hij belemmerd in zijn recht om verzet tegen het vonnis in te stellen. In verzet heeft klager aangevoerd dat hij het niet eens is met de beslissing van de voorzitter. Hij heeft daarvoor een aantal redenen gegeven. De Kamer acht het verzet ongegrond omdat de grond van het verzet geen nieuwe gezichtspunten opleveren.

  • ECLI:NL:TGDKG:2017:118 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam 488.2017

    Volgens klager zijn nodeloos kosten veroorzaakt door de gerechtsdeurwaarder. Klager heeft een regeling aangeboden die niet is geaccepteerd. Vervolgens is bij de beslaglegging geen rekening gehouden met de beslagvrije voet. In verzet heeft klager aangevoerd dat de gerechtsdeurwaarder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn adreswijziging. Het verzet is ongegrond. Nieuwe klachtonderdelen mogen niet voor het eerste in verzet worden aangevoerd. Ook in verzet heeft klager niet aannemelijk kunnen maken dat hij door toedoen van de gerechtsdeurwaarder stukken niet heeft ontvangen.

  • ECLI:NL:TGDKG:2017:119 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam 705.2016

    Op het moment dat de gerechtsdeurwaarder de ambtshandelingen verrichtte was reeds aan de titel voldaan. De klacht is daarom gegrond. Er wordt echter geen maatregel opgelegd, omdat de gerechtsdeurwaarder van een en ander geen verwijt te maken valt. Hij is door zijn opdrachtgever niet geïnformeerd dat er een schikking was getroffen die betrekking had op beide vorderingen. Nadat duidelijk was geworden hoe de vork in de steel zat, heeft de gerechtsdeurwaarder een en ander adequaat gecorrigeerd.