Zoekresultaten 20951-21000 van de 47477 resultaten

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:133 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.367

    Klaagster is langdurig arbeidsongeschikt geraakt en heeft in dat kader bedrijfsarts A op het arbeidsomstandighedenspreekuur bezocht, waarna verschillende spreekuren in het kader van verzuimbegeleiding hebben plaatsgevonden met bedrijfsarts A, verweerster, tevens bedrijfsarts, en bedrijfsarts C. Na een mislukte re-integratiepoging is klaagster volledig ziek gemeld en volledig arbeidsongeschikt verklaard. Verweerster heeft op enig moment een mail ontvangen van degene die klaagster bij haar herstel begeleidde, waarna verweerster de begeleiding van klaagster aan een college heeft overgedragen. Klaagster verwijt verweerster dat zij 1) klaagster valselijk heeft beschuldigd van het niet hebben in vertrouwen van haar, en 2) de behandelingsovereenkomst ten onrechte heeft opgezegd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Klaagster heeft beroep ingesteld tegen die beslissing. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:127 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.201

    Klacht tegen gynaecoloog. Klaagster heeft een keizersnede ondergaan, die door de gynaecoloog is uitgevoerd. Ondanks het meerdere malen ophogen van de verdoving is de operatie door klaagster als (zeer) pijnlijk ervaren. Klaagster verwijt de gynaecoloog dat hij met de keizersnede is begonnen en doorgegaan ondanks dat klaagster zowel voorafgaand bij de pincetproef als tijdens de ingreep duidelijk heeft aangegeven dat zij pijn had. Verder verwijt klaagster de gynaecoloog dat hij na aanvankelijk te hebben toegegeven dat klaagster veel pijn had gehad dit later heeft teruggedraaid, althans heeft genuanceerd. Het Regionaal Tuchtcollege acht beide klachten gegrond en legt de maatregel van waarschuwing op. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing in eerste aanleg. Het Centraal Tuchtcollege overweegt onder meer dat de gynaecoloog kon en mocht vertrouwen op de inschatting van de anesthesioloog dat klaagster voldoende was verdoofd. Niet is komen vast te staan dat de gynaecoloog tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2018:55 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 17173

    Tandarts. Klacht: 1) onvakkundig gehandeld bij plaatsen implantaat, 2) niet gewezen op mogelijkheden en beperkingen, 3) op geld uit zijn, 4) arrogant en niet toetsbaar opgesteld en 5) na zestien maanden rekening gestuurd. College: ongegrond. Niet onvakkundig gehandeld. Implantaat niet per definitie incorrect geplaatst; wel vraagtekens bij positie. Tandarts aantoonbaar ervaring met plaatsen BICON-implantaten. 2) Uit patiëntenkaart blijkt dat opties zijn besproken. 3) en 4) niet onderbouwd. 5) behandeling heeft plaatsgevonden, dus tandarts mag declareren.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:140 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.475

    De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:121 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.265

    Klacht tegen tandarts. Klaagster heeft sinds 2007 een volledige gebitsprothese in de onderkaak met als extra retentie twee implantaten met drukknoppen. In de bovenkaak was sprake van een conventionele, niet met implantaten ondersteunde prothese. Klaagster had in het bijzonder erg veel last van de zeer loszittende prothese in de bovenkaak. Zij is behandeld door de aangeklaagde tandarts en de eveneens aangeklaagde kaakchirurg. De klacht houdt in dat: 1. zij pas in de klachtenprocedure van het ziekenhuis ervan op de hoogte is gesteld dat er voor de geplaatste implantaten geen voorzieningen zouden bestaan; 2. de tandarts, medisch gezien, volstrekt onnodig en tegen de wil van klaagster in, een steg heeft willen plaatsen in de onderkaak en later zelfs nog twee in de bovenkaak van klaagster; 3. de tandarts niet/misleidende/onjuiste informatie heeft verstrekt met betrekking tot de diagnose, de behandelingen en het resultaat; 4. de tandarts concrete vragen van klaagster ontwijkend heeft beantwoord; 5. de tandarts niet op de hoogte was van de gangbare systemen; 6. de tandarts heeft “geragd” door mond en tijd; 7. de tandarts een leugenachtig verweer heeft gevoerd in de klachten procedure; 8. er sprake is van fraude met het door de tandarts aangeleverde verpakkingsmateriaal van de implantaten; 9. de tandarts klaagster tussen de behandelingen door heeft gevraagd zich te legitimeren; 10. de tandarts klaagster een blanco formulier heeft laten ondertekenen; 11. op 1 februari 2016 uitsluitend puntsgewijs de oorspronkelijke klacht is besproken. Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht in alle onderdelen als kennelijk ongegrond af. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:134 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.368

    Klaagster is langdurig arbeidsongeschikt geraakt en heeft in dat kader bedrijfsarts A op het arbeidsomstandighedenspreekuur bezocht, waarna verschillende spreekuren in het kader van verzuimbegeleiding hebben plaatsgevonden met bedrijfsarts A, bedrijfsarts B en verweerder, tevens bedrijfsarts. Na een mislukte re-integratiepoging is klaagster volledig ziek gemeld en volledig arbeidsongeschikt verklaard. Klaagster heeft 15 klachtonderdelen geformuleerd en verwijt verweerder samengevat dat hij 1) niet zorgvuldig heeft gehandeld jegens klaagster, 2) niet zorgvuldig is omgegaan met het beroepsgeheim, 3) in strijd heeft gehandeld met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg, en 4) niet onafhankelijk heeft gehandeld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Klaagster heeft beroep ingesteld tegen die beslissing. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:128 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.202

    Klacht tegen anesthesioloog. Klaagster heeft een keizersnede ondergaan, die door de dienstdoende gynaecoloog in het ziekenhuis, waar ook de anesthesioloog werkzaam is, is uitgevoerd. Ondanks het meerdere malen ophogen van de verdoving is de operatie door klaagster als (zeer) pijnlijk ervaren. Klaagster verwijt de anesthesioloog dat hij met de keizersnede is begonnen en doorgegaan ondanks dat klaagster zowel voorafgaand bij de pincetproef als tijdens de ingreep duidelijk heeft aangegeven dat zij pijn had. Verder verwijt klaagster de anesthesioloog dat hij niet heeft zorggedragen voor adequate pijnbestrijding bijvoorbeeld in de vorm van algehele anesthesie. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klachten gegrond en legt de maatregel van berisping op. Het Centraal Tuchtcollege bekrachtigt de beslissing in eerste aanleg.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:122 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.266

    Klacht tegen kaakchirurg. Klaagster heeft sinds 2007 een volledige gebitsprothese in de onderkaak met als extra retentie twee implantaten met drukknoppen. In de bovenkaak was sprake van een conventionele, niet met implantaten ondersteunde prothese. Klaagster had last van een loszittende prothese in de bovenkaak. Zij is behandeld door een (eveneens aangeklaagde) tandarts en de kaakchirurg. De klacht houdt in dat: 1. klaagster pas in de klachtenprocedure van het ziekenhuis ervan op de hoogte is gesteld dat er voor de geplaatste implantaten geen voorzieningen zouden bestaan; 2.klaagster er vanuit is gegaan dat een bekwaam chirurg (en sympathiek mens) weet waar hij aan begint en dat het voor haar volstrekt logisch was dat indien de kaakchirurg ook maar enigszins had getwijfeld over een succesvolle uitkomst hij er niet aan was begonnen; 3. klaagster in shock verkeert over de mondelinge uitspraken van de kaakchirurg tijdens de hoorzitting: de tegenstrijdigheden daarvan zijn absoluut niet medisch schriftelijk onderbouwd en evenmin terug te vinden via aantekeningen in het medisch dossier; 4. er geen discussie heeft plaatsgevonden over botaugmentatie en er nimmer is gesproken over maten; 5. de vrijlegging van de implantaten drie maanden na plaatsing heeft plaatsgevonden en niet na vier maanden zoals in het uittreksel van het medisch dossier is vermeld; 6. de kaakchirurg geen schriftelijke verklaringen aan de klachtencommissie heeft geleverd; 7. de kaakchirurg geen antwoord heeft gegeven op dringende medische vragen; 8. het plaatsen van drukknoppen niet meer mogelijk is en een klikgebit geen optie meer is. Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht in alle onderdelen als kennelijk ongegrond af. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:135 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.372

    De klacht houdt in dat verweerder, bedrijfsarts, onzorgvuldig heeft gehandeld jegens klaagster door tijdens haar arbeidsongeschiktheidsperiode haar op basis van een verkeerde voorstelling van zaken gedurende langere tijd te hebben begeleid zonder daadwerkelijk een passende bijdrage te hebben geleverd aan haar herstel. Klaagster stelt dat er aan de kant van verweerder sprake is van niet integer handelen, een gebrek aan vakmanschap, gebrek aan transparantie en inlevingsvermogen, inflexibel handelen, een passieve houding etc. Het Regionaal Tuchtcollege heeft als volgt beslist: k laagster heeft op 30 juli 2015 een klacht bij het RTG ingediend. Bij beslissing van 12 januari 2016 heeft het College de klacht ongegrond verklaard. Klaagster heeft tegen die beslissing beroep ingesteld en heeft ter zitting haar klacht tegen verweerder ingetrokken, waarna de behandeling van de klacht is gestaakt. Naar het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege had klaagster de onderhavige klacht gelijktijdig met de door haar op 30 juli 2015 ingediende klacht tegen verweerder kunnen indienen. Gelet op het beginsel van concentratie van klachten is klaagster niet-ontvankelijk in de klacht. Het CTG acht klaagster, zij het op andere gronden, eveneens niet-ontvankelijk in haar klacht en verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:129 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.203

    Klacht tegen radioloog. Klaagster is door middel van een keizersnede bevallen in het ziekenhuis van de radioloog. Door de behandelend gynaecoloog is na de bevalling besloten over te gaan tot een uterusembolisatie, die door de radioloog is uitgevoerd. D e interventie is met een Angio-Seal uitgevoerd. Tijdens de interventie is een (na)bloeding opgetreden van het aangeprikte vat in het rechterbeen van klaagster na de plaatsing van de Angio-Seal. Dit is een bekende complicatie. De radioloog heeft de bloeding gestelpt door ongeveer tien minuten op de wond te drukken. Door het hard drukken op het bloedvat is de plug van de Angio-Seal in het bloedvat terecht gekomen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht van klaagster dat de radioloog na de ingreep de doorbloeding van het been had moeten controleren gegrond verklaard en de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing waarvan beroep, verklaart de klacht ongegrond en verstaat dat de opgelegde maatregel van waarschuwing komt te vervallen. Daarbij acht het Centraal Tuchtcollege van belang dat het ten tijde van de ingreep niet gebruikelijk was om de doorbloeding van het been te controleren door te voelen of het been warm of koud aanvoelt, of door na de interventie een echo te maken. Evenmin diende de radioloog een dergelijke controle uit te voeren op grond van op dat moment bestaande richtlijnen, protocollen of wetenschappelijke literatuur.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:69 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-286

    Ongegronde klacht tegen een arts. Geen feiten of omstandigheden die erop wijzen dat de arts (werkzaam bij de GGD) een onafhankelijk advies in het kader van bijzondere bijstand in verband met medische kosten heeft uitgebracht. Het College kan de door de arts getrokken conclusie volgen, de arts heeft zich gebaseerd op de door de huisarts verstrekte medische informatie. Dat de zinsnede dat de informatie van de huisarts niet is ontvangen abusievelijk in het advies is blijven staan is ongelukkig, maar niet meer dan dat. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:70 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-216

    Deels gegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster in eerste en tweede klachtonderdeel niet-ontvankelijk, daar de huisarts gezien de verwondingen van klaagster niet gehouden was op dat moment noodzakelijke medische hulp te verlenen. Niet voldoende weerslag op het belang van de individuele gezondheidszorg. Daarnaast is de in de echtscheidingsprocedure ingebrachte verklaring van de huisarts niet in haar hoedanigheid van huisarts afgegeven. Het vertalen van en het van derden ter kennis brengen van medische gegevens heeft de huisarts wel in die hoedanigheid gedaan. Zij duidt de geraadpleegde artsen aan als ‘collegae’, maar weet niet meer welke collega’s dit zijn geweest. Onduidelijkheid bestaat over de mate waarin zij de privacy van klaagster heeft gewaarborgd. Laatste klachtonderdeel gegrond. Berisping.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:71 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-238

    Ongegronde klacht tegen een arts. Niet vast komen te staan dat de arts zonder gegronde reden klager gedwongen medicatie heeft toegediend. Handelen van de arts in overeenstemming met reeds eerder vastgesteld beleid. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:72 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-268

    Ongegronde klacht tegen een verzekeringsarts. Het rapport van de verzekeringsarts over een beoordeling van de medische stukken in de bezwaarschriftprocedure voldoet aan de gestelde criteria. De verzekeringsarts had na het verzoek van klager wel beter zijn BIG-registratienummer kunnen geven in plaats van naar het internet te verwijzen, maar dit levert geen tuchtrechtelijk verwijt op. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:68 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-273

    Ongegronde klacht tegen een psychiater. De psychiater heeft geen beoordelingsfout gemaakt geen verdere opname voor klager te indiceren. Klager is vervolgens op vrijwillige basis opgenomen. Het verzoek om verlof heeft de psychiater in redelijkheid kunnen bewilligen. Het verwijt dat de psychiater vond dat een justitiële aanpak de voorkeur had in plaats van een behandeling, gaat niet op. De psychiater heeft zich in verdere behandeling van klager hierdoor niet laten leiden. Ook was er inhoudelijk gesproken wel een behandelplan. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:103 Raad van Discipline Amsterdam 17-623/A/A

    Ongegrond verzet.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:96 Raad van Discipline Amsterdam 17-1031/A/A

    Klacht over eigen advocaat (zie ook 17-1032/A/A/D). Verweerder heeft de echtscheidingsbeschikking niet tijdig ingeschreven, klager niet tijdig en toereikend voorgelicht over de gevolgen van deze nalatigheid, een brief van de advocaat van de wederpartij van 1 maart 2016 niet aan klager doorgestuurd en klager daarover niet tijdig geïnformeerd, onvoldoende controle gehouden op de voortgang van het dossier en klager niet voorgelicht over de eventuele mogelijkheden van cassatie tegen de beschikking van 31 maart 2016. Klacht grotendeels gegrond. De raad acht het opleggen van de maatregel van berisping voor de onderhavige zaak en het heden gegrond verklaarde dekenbezwaar passend en geboden. In beide zaken zal de raad dan ook één en dezelfde maatregel opleggen.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2019:65 Raad van Discipline 's-Gravenhage 18-514/DH/RO

    Verzet ongegrond

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:104 Raad van Discipline Amsterdam 17-576/A/A

    Ongegrond verzet.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:117 Raad van Discipline Amsterdam 17-802/DH/RO

    Voorzittersbeslissing. Klacht dat verweerder ten onrechte het dossier van klagers weigert te verstrekken kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:97 Raad van Discipline Amsterdam 17-1030/A/A/D

    Dekenbezwaar. Verweerder heeft zich, zonder de cursus te hebben bijgewoond, na afloop van de cursus toch tot de tafel waarop de presentielijst lag gewend teneinde deze te ondertekenen. Vervolgens heeft verweerder hierover tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Hiermee heeft verweerder gehandeld in strijd met de kernwaarde integriteit. Dat verweerder tegen de stafmedewerkster van de deken in strijd met de waarheid heeft verklaard is niet komen vast te staan. Dekenbezwaar deels gegrond en deels ongegrond. Berisping.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:105 Raad van Discipline Amsterdam 17-910/A/A 17-864/A/A 17-865/A/A 17-866/A/A 17-867/A/A

    Klacht over eigen advocaten en advocatenkantoor. Klager is in 2010 betrokken geweest bij een ongeval waarbij hij door een schip is overvaren. Verweerders hebben klager vanaf 2012 bijgestaan in het kader van de aansprakelijkheid en schade. Verweerder sub 4 en verweerster sub 5 hebben in de opdrachtbevestiging geschreven dat zij (hoewel er een vermoedelijke eigenaar bekend was) nog zouden moeten natrekken wie de eigenaar van het schip was dat klager had overvaren. Uit het klachtdossier blijkt niet zij daartoe enige poging hebben ondernomen noch dat zij klager over eventuele pogingen hebben geïnformeerd. De stelling dat op dat moment, in 2012, niet kenbaar noch traceerbaar was wie de eigenaar was van het schip is niet onderbouwd. De raad zal het er voor houden dat het wel mogelijk was de eigenaar van het schip te achterhalen. Nu verweerder sub 4 en verweerster sub 5 dit niet hebben achterhaald noch daartoe voor klager kenbare pogingen hebben ondernomen, hebben zij niet voldaan aan hetgeen klager op grond van de opdrachtbevestiging redelijkerwijs mocht verwachten. Dit valt hen tuchtrechtelijk te verwijten. Voor zover klacht is gericht tegen advocatenkantoor is klager niet-ontvankelijk. Klacht over verweerder sub 4 en verweerster sub 5 deels gegrond, klacht voor het overige ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:98 Raad van Discipline Amsterdam 17-779/A/A

    Ongegrond verzet.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:106 Raad van Discipline Amsterdam 18-008/A/A

    Klacht over eigen advocaat. Verweerder heeft namens klager en zijn (ex-)echtgenote een verzoek tot echtscheiding ingediend, onder verwijzing naar een convenant dat onder begeleiding van mediator tot stand is gekomen. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de onderliggende stukken van de mediator heeft ontvangen, het convenant heeft getoetst, telefonisch met klager en zijn (ex-)echtgenote heeft besproken en hen heeft gewezen op de juridische gevolgen daarvan. Het was weliswaar beter geweest als verweerder klager en zijn (ex-)echtgenote op kantoor had ontvangen om het convenant aldaar met hen gezamenlijk te bespreken, maar dat dit niet is gebeurd is onvoldoende om verweerder een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Daarbij is de raad van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het convenant niet paste binnen de destijds geldende wettelijke maatstaven en marges. Klacht in beide onderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:100 Raad van Discipline 's-Gravenhage 18-117/DH/RO

    Tenuitvoerlegging voorwaardelijke geldboete opgelegd bij beslissing 17-666/DH/RO

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:99 Raad van Discipline Amsterdam 17-996/A/A

    Ongegronde klacht over eigen advocaat. Hoewel aan klaagster kan worden toegegeven dat een en ander (iets) sneller had gekund, heeft verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door het echtscheidingsverzoek pas op 4 oktober 2016 bij de rechtbank in te dienen.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:100 Raad van Discipline Amsterdam 17-928/A/NH

    Ongegrond verzet

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:107 Raad van Discipline Amsterdam 17-1059/A/NH

    Klacht over advocaat wederpartij deels gegrond. Verweerder heeft zonder voorafgaand overleg met de advocaat van klaagster executiemaatregelen getroffen. Gelet op specifieke omstandigheden geen maatregel opgelegd.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:93 Raad van Discipline Amsterdam 17-844/A/A

    Verzet tegen klachtonderdeel b) gegrond, verzet voor het overige ongegrond. Verweerster heeft de door haar gebezigde woorden “strafbaar feit” en “blijkbaar criminele zus” kennelijk enkel gebaseerd op de door haar zelf bij de politie gedane aangifte van huisvredebreuk tegen klaagster. Dat neemt niet weg dat voor de opvolgend advocaat duidelijk was dat de kwalificatie ”strafbaar feit” het standpunt van verweerster betrof en een en ander in rechte nog niet was komen vast te staan. In dat licht acht de raad het gebruik van de term “strafbaar feit” door verweerster in haar correspondentie met de opvolgend advocaat niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Deze redenering kan echter niet onverkort gelden voor de aanduiding “blijkbaar criminele zus”. Daarmee heeft verweerster een tuchtrechtelijke grens overschreden omdat zij er de persoon van klaagster mee kwalificeert en niet slechts haar handelen. Verweerster had zich van een andere en minder incriminerende stellingname moeten bedienen. Klachtonderdeel b) deels gegrond, specifieke omstandigheden brengen de raad tot het oordeel dat geen maatregel behoeft te worden opgelegd.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:101 Raad van Discipline 's-Gravenhage 18-216/DH/DH

    voorzittersbeslissing. klacht over kwaliteit van dienstverlening kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:101 Raad van Discipline Amsterdam 17-1029/A/A

    Klacht over advocaat wederpartij ongegrond. Verweerder heeft klager op een door de wet toegestane manier in kort geding gedagvaard.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:108 Raad van Discipline Amsterdam 17-838/A/NH

    Ongegrond verzet.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:94 Raad van Discipline Amsterdam 17-918/A/A

    Klacht van mede-erfgename over advocaat die executeur van de nalatenschap bijstaat. Verweerster heeft in een afwikkelingsvoorstel met betrekking tot de erfenis een bedrag van € 50.000 aan advocaatkosten opgenomen, terwijl klaagster onweersproken heeft gesteld dat er op dat moment slechts een bedrag van € 18.319,40 aan advocaatkosten door verweerster was gedeclareerd. Verweerster heeft niet aannemelijk kunnen maken dat er op dat moment nog een aanzienlijk bedrag aan advocaatkosten te verwachten was waarmee rekening moest worden gehouden. Aldus heeft verweerster feitelijke gegevens aan klaagster verstrekt waarvan zij wist, althans behoorde te weten, dat die onjuist zijn. Klacht deels gegrond, klaagster voor het overige niet-ontvankelijk vanwege gebrek aan rechtstreeks belang. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:102 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-801/DH/RO

    voorzittersbeslissing. klacht over belangenverstrengeling kennelijk ongegrond

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:102 Raad van Discipline Amsterdam 16-252/A/A 16-253/A/A

    Klacht over eigen advocaten niet-ontvankelijk vanwege tijdsverloop.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:109 Raad van Discipline Amsterdam 17-929/A/NH

    Verzet. Klager niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn voor het indienen van verzet.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:95 Raad van Discipline Amsterdam 17-1032/A/A/D

    Dekenbezwaar (zie ook 17-1031/A/A). Ten aanzien van de door verweerder verstrekte dienstverlening heeft de raad bij eveneens vandaag genomen beslissing in klachtzaak met zaaknummer 17-1031/A/A geoordeeld dat (kort gezegd) verweerder in de zaak die hij voor de heer M behandelde de echtscheidingsbeschikking niet tijdig heeft ingeschreven, verweerder de heer M niet tijdig en toereikend heeft voorgelicht over de gevolgen van deze nalatigheid, verweerder een brief van de advocaat van de wederpartij van 1 maart 2016 niet aan de heer M heeft doorgestuurd en de heer M daarover niet tijdig heeft geïnformeerd, verweerder onvoldoende controle heeft gehouden op de voortgang van het dossier en verweerder de heer M niet heeft voorgelicht over de eventuele mogelijkheden van cassatie tegen de beschikking van 31 maart 2016. Aldus heeft verweerder, getoetst aan de professionele standaard die van een redelijk bekwame en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden kan worden verwacht, in de zaak die hij voor de heer M behandeld niet aan de zorgvuldigheidsnorm voldaan. Voorts heeft verweerder de aansprakelijkstelling van de heer M niet tijdig aangemeld bij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Verweerder schiet met te grote regelmaat tekort in de wijze waarop hij de praktijk uitoefent, in het bijzonder ten opzichte van de eigen cliënten in voor deze cliënten belangrijke en gevoelige echtscheidingszaken. De raad acht het opleggen van de maatregel van berisping voor de onderhavige zaak en de heden grotendeels gegrond verklaarde klacht passend en geboden. In beide zaken zal de raad dan ook één en dezelfde maatregel opleggen.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2018:52 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 17231

    Tandarts. Orthodontie. Klagers verwijten verweerder dat hij bij de behandeling van hun zoon 1) vooraf geen behandelplan maar alleen kostenraming heeft opgesteld, 2) niets heeft overlegd met klagers en 3) een onvolledige en onjuiste behandeling heeft toegepast. College: gegrond. Ingezette behandeling had niet tot correctie van de skelettale discrepantie kunnen leiden, behandeling is onjuist toegepast en verweerder heeft informatieplicht en dossierplicht geschonden. Maatregel: Ingewikkelde casus, vereiste inzicht ontbrak en ontbreekt, onjuiste, niet vakinhoudelijke overwegingen gehanteerd bij afweging toe te passen behandeling, geen inzicht getoond in handelen: onvoldoende vertrouwen dat verweerder in de toekomst het vak orthodontie op bekwame wijze zal uitoefenen. Ontzegging bevoegdheid om het beroep van tandarts uit te oefenen voor zover het orthodontie betreft.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2018:67 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 17-800/DB/OB

    Klager verwijt verweerder dat deze zijn belangen op nodeloze wijze zou schaden door feitelijke gegevens te verstrekken waarvan hij weet dat deze onjuist zijn. De beweerdelijke onjuiste feitelijke gegevens zijn standpunten in een nog lopende procedure. Deze standpunten zijn niet evident onpleitbaar en kunnen, indien nodig, in de procedure worden betwist. Klacht terecht kennelijk ongegrond verklaard. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2018:68 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 17-939/DB/OB

    Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door steeds melding te maken van de schorsing van de heer L., zonder daarbij te vermelden dat deze schorsing in hoger beroep ongedaan was gemaakt. Door slechts fragmentarisch te citeren uit een arrest is door verweerder de onjuiste indruk gewekt dat het om een beoordeling van het gerechtshof ging en niet om een standpunt van een van partijen. Daarnaast heeft verweerder onjuist geciteerd uit een pv. Geen sprake van een vergissing. Verweerder had het gerechtshof, toen de zaak voor arrest stond, niet zonder toestemming van klager sub 1 mogen benaderen. Tenslotte heeft verweerder de deken onjuist geïnformeerd. Klacht gedeeltelijk gegrond. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2018:10 Kamer voor het notariaat Amsterdam 640040/NT 17-83 643305/NT 18-8 64095/NT 17-87

    Het feit dat sprake is van een langdurige negatieve bewaringspositie (met een negatieve bewaringspositie van € 2.210.161 op 8 december 2017), van bewuste (voortdurende) onttrekking van derdengelden (zelfs nadat de notaris door de voorzitter bij wijze van ordemaatregel was geschorst), vervalsing van bankafschriften (onder meer om een negatieve bewaringspositie te verhullen) en het ten onrechte (laten) overboeken van gelden aan zichzelf (klachtonderdeel 1) is reeds voldoende om tot het oordeel te komen dat de notaris uitermate laakbaar heeft gehandeld (in strijd met het bepaalde in de artikelen 23, 24, 25 Wna, 2 en 13 Vbg 2011 en 2 Administratieverordening). Waar ieder van de hiervoor genoemde feiten op zich al een ontzetting uit het ambt rechtvaardigt, is deze maatregel des te meer passend en geboden indien acht geslagen wordt op de combinatie van deze feiten, het raffinement waarmee zij gepleegd zijn en hun ernst, omvang en duur.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:107 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 16-1112

    Eindbeslissing na tussenbeslissing en schriftelijke vragen tuchtrechter. Klacht over optreden eigen advocaat in door rechtbank gelast handtekening-onderzoek. Advocaat heeft door klager verschafte stukken niet tijdig doorgezonden naar de door de rechtbank benoemde deskundige, waardoor deze niet meer in het onderzoek zijn betrokken. Ook heeft de advocaat daarover onjuiste verklaringen afgelegd tegenover cliënt en tuchtrechter. Berisping en kostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2018:66 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 17-999/DB/OB

    Verweerder heeft onvoldoende zorgvuldigheid betracht bij de behartiging van de belangen van klaagster door haar niet schriftelijk te wijzen op de mogelijkheden (en de daaraan verbonden risico’s) om de arbeidsovereenkomst met een medewerkster te beëindigen. Verweerder had daarnaast klaagster schriftelijk moeten wijzen op de risico’s van het niet verschijnen in een procedure. Klacht gegrond. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:96 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 314/2017

    Een van de klachten tegen een kinderarts, neuroloog, KNO-arts en anesthesioloog betreffende de behandeling van een patiënte met het MEGDEL syndroom. Patiënte heeft een ingreep ondergaan wegens drooling. Patiënte is korte tijd later overleden. De klacht betreft de zorgvuldigheid en de informatie. De kinderarts had nader onderzoek moeten doen. Klacht tegen kinderarts gegrond, waarschuwing. De overige verweerders hebben niet onzorgvuldig gehandeld. Die klachten worden afgewezen. Opmerking college: Initiatief voor een gesprek meer actief aan de zijde van verweerders

  • ECLI:NL:TGZRGRO:2018:26 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2018/182

    Verweerster is verzekeringsarts en heeft klaagster voor een herbeoordeling in het kader van haar WIA-uitkering op haar spreekuur gezien. Klaagster is het niet eens met de inhoud van de door verweerster opgestelde rapportage. Ook stelt zij onheus bejegend te zijn door verweerster. Het college wijst de klacht af. De rapportage voldoet aan alle eisen die daaraan worden gesteld volgens vaste jurisprudentie. Dat verweerster haar onheus heeft bejegend heeft klaagster niet onderbouwd.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:97 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 315/2017

    Een van de klachten tegen een kinderarts, neuroloog, KNO-arts en anesthesioloog betreffende de behandeling van een patiënte met het MEGDEL syndroom. Patiënte heeft een ingreep ondergaan wegens drooling. Patiënte is korte tijd later overleden. De klacht betreft de zorgvuldigheid en de informatie. De kinderarts had nader onderzoek moeten doen. Klacht tegen kinderarts gegrond, waarschuwing. De overige verweerders hebben niet onzorgvuldig gehandeld. Die klachten worden afgewezen. Opmerking college: Initiatief voor een gesprek meer actief aan de zijde van verweerders

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:100 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 172/2017

    Klacht tegen neurochirurg deels gegrond; waarschuwing. Verweerder is niet verantwoordelijk dat een CT-scan zonder contrastvloeistof is verricht en niet betrokken geweest bij het plannen en vervroegen van de aangevraagde MRI. Het college is van oordeel dat verweerder had moeten besluiten tot een punctie van het hersenabces en dat hij zijn afwijzing onvoldoende heeft onderbouwd. Verweerder heeft de neuroloog, gelet op de inhoud van hun overleg, niet hoeven weerhouden van het (laten) verrichten van een LP.

  • ECLI:NL:TGZRGRO:2018:27 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2017/190

    Klacht tegen orthopedisch chirurg. Klaagster is de zuster van een inmiddels overleden patiënt. Patiënt werd in juni 2017 opgenomen nadat hij thuis gevallen was. In het ziekenhuis werd geconstateerd dat hij terminaal ziek was. Klaagster verwijt verweerder 1) dat hij patiënt geen pijnmedicatie heeft gegeven, waardoor hij onnodig pijn heeft geleden; 2) dat hij lomp met patiënt is omgegaan; 3) dat hij patiënt met een zuurstofgebrek in zijn bloed naar huis heeft laten gaan; 4) dat hij geen antwoord gaf op vragen van klaagster en om alles heen draaide en 5) patiënt niet eerder naar huis liet gaan, terwijl toch al duidelijk was dat hij niet lang meer te leven had. Het college volgt klaagster niet in haar verwijten. Patiënt kreeg indien nodig pijnmedicatie en niet gebleken is dat verweerder lomp met patiënt omgegaan is en/of geen medeleven heeft getoond. Voorts heeft verweerder patiënt wel degelijk zuurstof meegegeven toen hij naar huis ging. Daarnaast geldt dat niet gebleken is dat verweerder op bepaalde vragen geen antwoord heeft gegeven en/of dat hij om alles heen draaide. Ten slotte heeft verweerder goed onderbouwd dat het niet verantwoord was om patiënt naar huis te laten gaan zonder dat er eerst thuiszorg was geregeld. De klacht is ongegrond. Deze klacht hangt samen met procedure G2017/181.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:98 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 316/2017

    Een van de klachten tegen een kinderarts, neuroloog, KNO-arts en anesthesioloog betreffende de behandeling van een patiënte met het MEGDEL syndroom. Patiënte heeft een ingreep ondergaan wegens drooling. Patiënte is korte tijd later overleden. De klacht betreft de zorgvuldigheid en de informatie. De kinderarts had nader onderzoek moeten doen. Klacht tegen kinderarts gegrond, waarschuwing. De overige verweerders hebben niet onzorgvuldig gehandeld. Die klachten worden afgewezen. Opmerking college: Initiatief voor een gesprek meer actief aan de zijde van verweerders

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:64 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-240

    Ongegronde tegen een plastisch chirurg. Niet gebleken dat de operaties onzorgvuldig zijn uitgevoerd. Door de tweede operatie tot verdere vergroting is een meer symmetrisch resultaat bemoeilijkt, maar niet kan worden geconcludeerd dat hiermee een onaanvaardbaar risico op schade voor klaagster is genomen. Dat PA-onderzoek bij het aantreffen van vocht tijdens een operatie routinematig wordt verricht en dat de patiënt pas wordt geïnformeerd indien de uitslag daartoe aanleiding geeft, wordt niet onjuist geacht. Klacht afgewezen.