ECLI:NL:TGZRGRO:2018:32 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2017/164

ECLI: ECLI:NL:TGZRGRO:2018:32
Datum uitspraak: 22-05-2018
Datum publicatie: 22-05-2018
Zaaknummer(s): G2017/164
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:   Klacht tegen bedrijfsarts. Klaagster verwijt verweerder dat hij haar burn-outklachten niet serieus heeft genomen. Ook verwijt klaagster hem dat hij zich onprofessioneel heeft gedragen door (1) een andere bedrijfsarts te vertellen over de – volgens hem – benutbare mogelijkheden van klaagster en (2) op een behandeltraject aan te dringen bij een specifiek zorgcentrum, waarschijnlijk met een financieel oogmerk. Het college acht geen aanknopingspunten aanwezig voor de juistheid van de stellingen van klaagster. Om die reden wordt de klacht ongegrond verklaard.

Rep.nr. G2017/164

22 mei 2018

Def. 076

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE GRONINGEN

Beslissing op de klacht van:  

A,

klaagster,

wonende te B,

tegen

C ,

werkzaam als bedrijfsarts te D,

verweerder,

BIG-reg.nr:

gemachtigde: mr. F. van Woerden-Poppe.   

1. Verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het klaagschrift met bijlagen van 7 november 2017, ingekomen op 9 november 2017;

- het verweerschrift met bijlagen van 11 december 2017, ingekomen op 14 december 2017;

- de ongedateerde repliek, ingekomen op 12 januari 2018;

- het proces-verbaal van het op 18 januari 2018 gehouden mondeling vooronderzoek onder leiding van mr. H.D. de Groot, plaatsvervangend secretaris van het college.

De klacht is behandeld ter openbare zitting van 10 april 2018. Partijen zijn verschenen. Verweerder werd bijgestaan door zijn gemachtigde.  

2. Vaststaande feiten

Voor de beoordeling van de klacht gaat het college uit van de volgende feiten.

2.1

Verweerder is werkzaam als bedrijfsarts. Klaagster is werkzaam bij E. Klaagster is van maart 2016 tot maart 2017 arbeidsongeschikt geweest vanwege rugklachten. Verweerder heeft haar in die periode begeleid.

2.2

Klaagster meldde zich op 26 juni 2017 wederom ziek op haar werk, nu vanwege onder meer burn-outklachten. In verband met deze ziekmelding werd zij enkele malen door verweerder gezien in de periode vanaf 17 juli 2017. Verweerder verklaarde klaagster voor 50% geschikt voor passend werk.

3. De klacht

Het standpunt van klaagster luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

3.1 Klaagsters beschrijving van de gang van zaken

Klaagster meldde zich op 26 juni 2017 ziek voor haar werk wegens onder meer een burn-out. Zij zag in dat verband verweerder op 17 juli 2017. Op deze dag vond tevens het kinderfeestje van haar zoontje plaats. Op 24 juli 2017 zou ze op vakantie gaan. Hiervoor wilde ze toestemming vragen. Het gevolg was echter dat ze voor 50% hersteld werd gemeld.

3.1.1 Eerdere ziekmelding

Klaagster was van maart 2016 tot maart 2017, toen ze ziek gemeld was wegens een hernia, ook al door verweerder begeleid. Verweerder adviseerde haar toen voor een intake te gaan naar F (een multidisciplinair revalidatiezorgcentrum voor patiënten met langdurige klachten en beperkingen) in G. Klaagster ging naar het intakegesprek, maar besloot van behandeling aldaar af te zien. Ze vond dat ze voldoende begeleid werd door haar huisarts en fysiotherapeut. Vervolgens herstelde klaagster redelijk. Alleen de zenuwpijn verdween niet. Klaagster slikt al twee jaar medicatie hiertegen, waar ze erg moe en suf van wordt. Bij H in I is zij nog steeds onder behandeling vanwege zenuwblokkades. Op 1 maart 2017 ging klaagster weer aan het werk. Achteraf gezien was dit te snel. Ze meldde zich weer ziek op 26 juni 2017. 

3.1.2 Vanaf de ziekmelding in juni 2017

Tijdens het consult op 17 juli 2017 begon verweerder opnieuw over een behandeltraject bij F. Klaagster zei dat ze daar nog niet aan toe was, omdat ze nog behandeld werd bij H. Ook zag ze erg tegen dit traject op vanwege de reistijd dagelijks. Verweerder raakte wat geïrriteerd. Hij zei dat als klaagster op vakantie zou gaan hij haar voor 50% hersteld moest melden. Klaagster zei dat ze tot haar vakantie, die een week later zou beginnen, rust wilde. Daarna zou ze bijna vier weken vrij zijn waarna ze langzaam aan op therapiebasis weer wilde beginnen met werk. Verweerder zei dat ze na haar vakantie een afspraak zouden maken voor een plan van aanpak. Zo gingen ze uit elkaar. Klaagster meldde dit bij haar leidinggevende. Die avond werd ze teruggebeld door de leidinggevende, die tegen haar zei dat ze die week voor 50% kon werken in een andere functie. Dit bleek het advies van verweerder te zijn. Klaagster stuurde verweerder hierover een e-mail. Verweerder berichtte haar per e-mail terug dat hij haar zijn hulp had aangeboden om haar te verwijzen naar F, maar dat ze dat niet wilde. Ook schreef hij dat als hij gezond wilde worden hij er alles aan zou doen om weer beter te worden. Klaagster heeft vervolgens vier dagen gewerkt die week, waardoor haar klachten verergerd zijn. De vakantie viel hierdoor in het water. In augustus is klaagster weer even aan het werk gegaan, waarna ze zich volledig ziek gemeld heeft. Ze werd gezien door haar huisarts die haar adviseerde een half jaar niets te doen. Klaagster liet verweerder per e-mail weten dat haar huisarts met hem wilde spreken. Op 22 augustus 2017 belde verweerder de praktijk en kreeg een waarnemer aan de lijn. Verweerder vroeg de waarnemer of klaagster kon re-integreren en hij noemde haar rugklachten uit de vorige ziekmelding. Verweerder gaf tijdens dat gesprek aan dat klaagster met de auto op vakantie is geweest en geen rugklachten had gehad. Dit correspondeerde niet met de tekst in klaagsters e-mail aan verweerder. Klaagster ging weer aan het werk en viel een paar dagen later weer uit. Ze vroeg verweerder opnieuw contact op te nemen met de huisarts, wat ook gebeurde.

Op 28 augustus 2017 werd klaagster opnieuw gezien door verweerder. Ze raakte erg emotioneel omdat hij niet wilde luisteren. Verweerder bleef maar doorgaan over F. Het gesprek leverde niets op. Hierna heeft klaagster een second opinion aangevraagd. De uitkomst was gelijk aan het advies van verweerder, maar ze voelde zich wel meer gehoord. Vanaf 1 december 2017 zou klaagster weer volledig aan het werk gaan, wat ook is gebeurd.

3.2 De klacht

Klaagster verwijt verweerder dat hij:

1. haar burn-out klachten, haar hulpvraag en het advies van de huisarts niet serieus heeft genomen, waardoor een verkeerd advies aan de werkgever is gegeven;

2. zich onprofessioneel heeft gedragen door:

-      bij de doorverwijzing naar een andere bedrijfsarts en bij de werkgever te vermelden dat klaagster wel allerlei ‘leuke’ dingen kon doen in plaats van werken;

-      mogelijk uit eigen (financieel) belang heeft aangedrongen op een behandeling bij F in G.

4. Het verweer

Het standpunt van verweerder luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

4.1 Verweerders beschrijving van de gang van zaken

Klaagster is van maart 2016 tot maart 2017 arbeidsongeschikt geweest vanwege rugklachten. Verweerder heeft haar begeleid. Op 26 juni 2017 meldde klaagster zich weer ziek. Ze had vermoeidheidklachten en geestelijke klachten. Op 17 juli 2017 zag verweerder klaagster. Klaagster zei dat ze een burn-out had. De klachten waren volgens haar een voortzetting van haar laatste ziekmelding. Ze dacht dat ze te snel weer aan het werk was gegaan. Ze wilde de rest van de week niet meer werken en zou een week later vakantie hebben.

Klaagster leed echter niet zichtbaar en ze kon haar verhaal goed doen. Ook leverde de zorg voor haar kinderen geen problemen op, aangezien ze die dag nog een kinderfeestje kon organiseren. Verweerder zag hierdoor geen contra-indicatie om te starten met re-integratie. Vanwege de pijnklachten die klaagster ervoer, kwam verweerder tot de conclusie dat zij voor 50% inzetbaar was voor passend werk. Verweerder besprak deze conclusie met klaagster en zei dat hij conform deze conclusie advies zou uitbrengen aan verweerder. Dit advies is in overeenstemming met de multidisciplinaire richtlijn ‘Overspanning en Burn-out’. Verweerder raadde klaagster in haar eigen belang aan een multidisciplinair traject bij F te volgen. Klaagster wilde dit niet. Daags na dit consult ontving verweerder een e-mail van klaagster, waaruit bleek dat zij hem verkeerd had begrepen. Ze dacht dat ze voor 50% hersteld gemeld zou worden als ze op vakantie zou gaan en dat na haar vakantie bezien zou worden hoe en wat. Ze had niet verwacht dat ze meteen de volgende dag alweer voor 50% moest beginnen. Verweerder legde zijn conclusie opnieuw uit en wees klaagster erop dat ze een second opinion kon aanvragen bij het UWV.  

Op 22 augustus 2017 heeft verweerder (op verzoek van klaagster) haar huisarts gebeld. Hij sprak zijn waarneemster. Ook de waarneemster zag geen contra-indicatie voor 50% werkhervatting.

Op 28 augustus 2017 vond het tweede consult plaats. Verweerder zag in hetgeen klaagster vertelde geen aanknopingspunt om zijn advies te herzien. Klaagster verzocht haar leidinggevende zich bij het gesprek te voegen aan het einde. Hierna heeft verweerder klaagster niet meer gezien.

Verweerder heeft op 31 augustus 2017 nog gebeld met de huisarts van klaagster. Dit gesprek verliep onbevredigend. De huisarts maakte verweerder persoonlijk verwijten om zijn advies tot werkhervatting en bleek zelf een burn-out te hebben gehad.

Klaagster heeft vervolgens een second opinion aangevraagd. De bedrijfsarts die dit heeft uitgebracht, kwam tot hetzelfde advies als verweerder.

4.2 Reactie op de klacht

4.2.1 Aangaande het eerste klachtonderdeel

Verweerder heeft klaagsters burn-out wel degelijk serieus genomen. Hij heeft twee keer gebeld met de huisartsenpraktijk waar klaagster ingeschreven is en hij heeft rekening gehouden met de burn-out in zijn advies tot werkhervatting. Klaagster had een second opinion kunnen aanvragen als ze het er niet mee eens was. Daar heeft verweerder haar van meet af aan op gewezen.

4.2.1 Aangaande het tweede klachtonderdeel

Dat verweerder bij de verwijzing naar andere bedrijfsarts en tegen de werkgever gemeld zou hebben dat klaagster wel allerlei leuke dingen kon doen maar niet kon werken, is niet juist. Verweerder heeft klaagster niet verwezen naar een andere bedrijfsarts en heeft zich dus ook niet zo uitgelaten zoals klaagster stelt. Evenmin heeft hij iets in deze trant gezegd tegen de werkgever.

Verweerder heeft voorts geen enkel financieel belang bij een verwijzing naar F. Hij wilde klaagster ook niet dwingen om aldaar behandeling te ondergaan. Een multidisciplinair behandeltraject zoals bij F aangeboden leek hem echter geschikt voor klaagster, omdat haar herstel niet goed verliep. Het verbaasde verweerder ook niet dat hij klaagster weer terugzag na de eerdere periode van ziekte. Niettemin stond het klaagster vrij om geen behandeling bij F te ondergaan.

5. Beoordeling van de klacht

5.1

Het college wijst er allereerst op dat het er bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2 Eerste klachtonderdeel

Het college is van oordeel dat niet gebleken is dat verweerder de burn-outklacht onvoldoende serieus heeft genomen. Dat verweerder desondanks geoordeeld heeft dat er nog wel sprake was van benutbare mogelijkheden en klaagster voor 50% beschikbaar heeft geacht voor passend werk, doet aan het voorgaande niet af. Verweerder heeft goed onderbouwd op basis waarvan hij tot zijn oordeel en advies is gekomen. Het college ziet hierin geen aanleiding verweerder een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Dit betekent dat het eerste klachtonderdeel ongegrond is.

5.3 Tweede klachtonderdeel

Wat betreft het verwijt dat verweerder tegen een andere bedrijfsarts zou hebben gesproken over wat klaagster wel en niet kon, geldt dat verweerder gemotiveerd heeft betwist dat hiervan sprake is geweest. Klaagster heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat zij haar standpunt baseert op het feit dat collega’s en/of leidinggevenden op haar werk van een en ander op de hoogte waren. Het college acht deze stelling als enige onderbouwing ontoereikend om klaagster in haar standpunt te kunnen volgen. Nu uit het dossier evenmin volgt dat verweerder de hem toegedichte uitspraken heeft gedaan jegens een andere bedrijfsarts komt het college niet tot de vaststelling dat klaagsters verwijt terecht is.

Wat betreft het verwijt dat verweerder mogelijk uit eigen financieel belang heeft aangedrongen op een behandeling bij F in G, geldt eveneens dat het college geen aanknopingspunt aanwezig acht om klaagster te volgen in haar standpunt. Ook hier geldt dat verweerder gemotiveerd uiteengezet heeft waarom hij een behandeltraject bij F bij klaagster nuttig achtte. Dat hierbij een financieel belang zijnerzijds heeft gespeeld, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

Bij deze stand van zaken is het tweede klachtonderdeel eveneens ongegrond.

6. Slotsom

Het voorgaande voert tot de slotsom dat de klacht in zijn geheel als ongegrond dient te worden afgewezen.

7. Beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen:

verklaart de klacht in zijn geheel ongegrond en wijst deze af.

Aldus gegeven door:

mr. W.P. Claus, voorzitter;

mr. Th.A. Wiersma, lid-jurist;

drs. G. Koster, lid-beroepsgenoot;

drs. H. Rumpt, lid-beroepsgenoot;

drs. J. Gietema, lid-beroepsgenoot;

bijgestaan door mr. L.C. Commandeur, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2018 door de voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

De secretaris:                                                                         De voorzitter:                                    

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door: a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard; b. degene over wie is geklaagd; c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat. Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.