ECLI:NL:TGZCTG:2018:136 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.432
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:136 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-05-2018 |
| Datum publicatie: | 16-05-2018 |
| Zaaknummer(s): | c2017.432 |
| Onderwerp: | Onvoldoende informatie |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | De aangeklaagde huisarts, heeft contact gehad met de coördinator van Lokaal Zorgnetwerk (bemoeizorg) in verband met signalen dat klaagster niet goed voor zichzelf kon zorgen, zichzelf verwaarloosde en psychotisch was. De huisarts heeft klaagster naar Bavo ACT doorverwezen. Klaagster verwijt de huisarts dat: 1. zij onvoldoende informatie heeft gegeven; 2. zij onterecht en zonder toestemming van klaagster informatie heeft gegeven aan een derde; en 3. dat er sprake is van geestelijke mishandeling van klaagster. Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond af. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2017.432 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
tegen
C., huisarts, destijds werkzaam te D.,
verweerster in beide instanties, gemachtigde: mr. D.M. Pot, als jurist verbonden aan de Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klaagster – heeft op 25 januari 2017 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen C. – hierna de huisarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 8 augustus 2017, onder nummer 2017-020, heeft dat College de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.
Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 10 april 2018, waar zijn verschenen klaagster vergezeld van haar dochter en zuster alsmede de huisarts bijgestaan door mr. A.N.L. de Hoogh, advocaat te Utrecht.
Zowel klaagster als de huisarts hebben hun standpunten ter terechtzitting nader toegelicht.
2. Beslissing in eerste aanleg
2.1. In eerste aanleg zijn de volgende feiten vastgesteld.
“2. De feiten
2.1 Klaagster, geboren op 4 december 1956, was van 2002 tot 2009 patiënte van een
huisartsenpraktijk te D., alwaar verweerster sinds 2006 als huisarts werkzaam was. In genoemde periode is klaagster enkele malen op het spreekuur van verweerster gezien.
2.2 Op 20 november 2008 is de coördinator van Lokaal Zorgnetwerk (bemoeizorg), mevrouw F., samen met iemand van de woningbouwvereniging G. bij klaagster thuis langs geweest. Mevrouw F. was ingeschakeld door G. vanwege signalen dat klaagster niet goed voor zichzelf kon zorgen, zichzelf verwaarloosde en psychotisch was.
2.3 Op 20 november 2008 is klaagster bij verweerster op consult geweest in verband met lichamelijke klachten en in verband met de wens van klaagster om te verhuizen vanwege geluidsoverlast van de buren. In het medisch dossier heeft verweerster ten aanzien van dit consult onder meer genoteerd:
“P straks belt F. en dan ga ik alles met haar bespreken”.
2.4 Op 20 november 2008 heeft mevrouw F. contact opgenomen met verweerster voor overleg. In overleg werd besloten het H. in te schakelen.
Middels een verwijsbrief d.d. 20 november 2008 heeft verweerster klaagster naar H. doorverwezen.”
2.2. De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer hielden volgens het Regionaal Tuchtcollege het volgende in.
“3. De klacht
Klaagster verwijt verweerster, zakelijk weergegeven, dat
1. zij onvoldoende informatie heeft gegeven;
2. zij onterecht en zonder toestemming van klaagster informatie heeft gegeven aan een derde;
3. er sprake is van geestelijke mishandeling van klaagster.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.”
2.3. Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.
“5. De beoordeling
5.1 Na bestudering van de overgelegde stukken gaat het College ervan uit dat alle drie de klachtonderdelen betrekking hebben op 20 november 2008. Klaagster heeft die dag thuis bezoek gekregen van mevrouw F. en diezelfde dag is klaagster op consult bij verweerster geweest en is klaagster door verweerster doorverwezen naar het H.
5.2 Ten aanzien van het 1e klachtonderdeel (onvoldoende informatie) en het 3e klachtonderdeel (geestelijke mishandeling) oordeelt het College als volgt.
Verweerster heeft in haar verweer verklaard dat zij klaagster bij ieder consult op een juiste en volledige wijze heeft geïnformeerd en dat zij geen informatie heeft achtergehouden. Ook heeft verweerster aangevoerd dat zij nooit van klaagster het verzoek heeft gehad informatie te verstrekken. Daarnaast heeft verweerster betwist klaagster geestelijk te hebben mishandeld.
Bij het antwoord op de vraag of verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, staat het persoonlijk handelen van verweerster centraal. Verweerster kan in elk geval geen verwijt worden gemaakt van (medisch) handelen door anderen.
Het College is het met verweerster eens dat genoemde klachtonderdelen niet (voldoende) zijn onderbouwd door klaagster. Het College heeft voorts geconstateerd dat verweerster gemotiveerd heeft betwist dat er sprake is geweest van gebrek aan informatie en van geestelijke mishandeling van klaagster. Het College kan deze beide verwijten bij gebrek aan objectieve aanknopingspunten niet op juistheid beoordelen. Dat brengt mee dat zowel het 1e als het 3e klachtonderdeel ongegrond moet worden bevonden.
5.3 Ten aanzien van het 2e klachtonderdeel oordeelt het College als volgt.
Anders dan door verweerster wordt gesteld, staat er niet letterlijk in het medisch dossier in de P-regel van het consult van 20 november 2008 genoteerd dat klaagster toestemming heeft gegeven aan verweerster om met mevrouw F. te overleggen, maar het College leidt uit de hierboven onder 2.3 vermelde zin in de P-regel wel af dat een overleg met mevrouw F. tijdens het consult met klaagster is besproken.
Na overleg met mevrouw F. werd besloten het H. in te schakelen. Verweerster heeft in haar verweer verklaard dat klaagster ook hier toestemming voor heeft gegeven en dat zij hiervan wist, nu ook dit volgens verweerster tijdens het consult was besproken.
Het College heeft geconstateerd dat klaagster tijdens het verhoor in het vooronderzoek heeft verklaard dat verweerster haar tijdens het consult op 20 november 2008 had toegezegd dat zij ging kijken hoe zij klaagster ging helpen en dat klaagster daar in ieder geval toestemming voor heeft gegeven.
Alles overziend heeft het College niet kunnen vaststellen dat verweerster ten onrechte en zonder toestemming van klaagster informatie heeft gegeven aan een derde. Ook dit klachtonderdeel moet dan ook worden afgewezen.
5.4 Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor zijn weergegeven onder “2. De feiten.”
4. Beoordeling van het beroep
Procedure
4.1 Klaagster beoogt in beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege ter beoordeling voor te leggen. Hetgeen zij daartoe heeft aangevoerd komt in essentie neer op een herhaling van de stellingen die zij reeds in eerste aanleg heeft geuit.
4.2 De huisarts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Zij verzoekt - zakelijk weergegeven - het beroep te verwerpen en de bestreden beslissing, zo nodig met verbetering en aanvulling van de gronden, te bevestigen.
Beoordeling
4.3 Wat betreft het tweede klachtonderdeel inhoudende dat de huisarts ten onrechte en zonder toestemming van klaagster informatie heeft gegeven aan een derde, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel, dat het beter ware geweest indien de huisarts in het medisch dossier expliciet had genoteerd dat zij van klaagster toestemming had verkregen om informatie aan een derde te verstrekken, dit te meer daar hier sprake is van bemoeizorg. Nu de huisarts echter de van klaagster verkregen toestemming wel impliciet heeft genoteerd, acht het Centraal Tuchtcollege dit toereikend en is hier geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.
4.4 Voor het overige zijn in beroep de schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen of nalaten van de huisarts nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk (en mondeling) gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 10 april 2018 is dat debat voortgezet.
4.5 De behandeling in beroep heeft niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.
4.6 Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep van klaagster wordt verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter; mr. S.M. Evers en
mr. M.W. Zandbergen, leden-juristen en dr. W. de Ruijter en drs. M.G.M. Smid-Oostendorp, leden-beroepsgenoten; en mr. H.J. Lutgert, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.