ECLI:NL:TGZRGRO:2018:33 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2018/07
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRGRO:2018:33 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-05-2018 |
| Datum publicatie: | 22-05-2018 |
| Zaaknummer(s): | G2018/07 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klager is van mening dat hij hoogstwaarschijnlijk lijdt aan Mucormycose (een zeldzame maar ernstige schimmelaandoening waarbij de bloedvatwanden van vooral de sinussen, hersenen en longen zijn aangetast) en hij wenst hiervoor een medicinale behandeling te krijgen. Verweerder heeft klager die behandeling geweigerd omdat er geen enkele aanwijzing is voor de diagnose Mucormycose en dat verwijt klager hem. De klacht is in zijn geheel ongegrond verklaard en afgewezen. |
Rep.nr. G2018/07
22 mei 2018
Def. 081
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE GRONINGEN
Beslissing op de klacht van:
A,
klager,
wonende te B,
tegen
C,
werkzaam als longarts te D,
verweerder,
BIG-reg.nr:
1. Verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen van 15 januari 2018, ingekomen op 18 januari 2018;
- het verweerschrift van 8 februari 2018, ingekomen op 12 februari 2018;
- het proces-verbaal van het op 15 maart 2018 gehouden mondeling vooronderzoek onder
leiding van mr. L.C. Commandeur, secretaris van het college.
In het kader van het vooronderzoek zijn partijen in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Partijen hebben hiervan gebruik gemaakt.
De klacht is behandeld in raadkamer.
2. Vaststaande feiten
Voor de beoordeling van de klacht gaat het college uit van de volgende feiten.
2.1
In de medische voorgeschiedenis van klager worden klachten vermeld in het urogenitaal stelsel (de organen van het urine- en voortplantingsstelsel) sinds 2011. Er zijn toen geen schimmels gekweekt.
2.2
Klager is in 2013 in E geopereerd. Hij heeft daar een mini-thoracotomie ondergaan (ingreep waarbij de borstkas geopend wordt om de organen in de borstkas te kunnen bereiken), waarbij de bovenkwab van de linkerlong is verwijderd. Bij directe microscopie werd een niet kwaadaardige infectieuze aandoening vastgesteld. Bij kweek werd Mycobacterium kansasii (een beruchte bacterie die infecties verwekt van de long of andere organen) geïsoleerd. Er werden geen schimmels of ander micro-organismen gekweekt. Klager heeft het advies gekregen om voor de Mycobacterium kansasii-infectie een medicamenteuze behandeling te ondergaan. Dit advies heeft klager niet opgevolgd. Tevens heeft klager het advies om het gebruik van antimycotica te staken evenmin opgevolgd.
2.3
Klager heeft diverse medisch specialisten geconsulteerd, maar geen enkele arts heeft bij hem een schimmelinfectie geconstateerd. Desondanks heeft klager wel diverse middelen gebruikt die zijn bedoeld om een schimmelinfectie tegen te gaan: miconazol-crème lokaal en fluconazol, itraconazol en posaconazol oraal.
3. De klacht
Klager is van mening dat hij hoogstwaarschijnlijk lijdt aan Mucormycose (een zeldzame maar ernstige schimmelaandoening waarbij de bloedvatwanden van vooral de sinussen, hersenen en longen zijn aangetast) en hij wenst hiervoor een behandeling te krijgen met liposomaal amphotericine B via dagelijkse infusie. Verweerder heeft klager die behandeling geweigerd op 16 februari 2015 en dat verwijt klager hem. Daarnaast voelt hij zich onheus bejegend door verweerder wegens de door verweerder gemaakte opmerking in zijn brief van 16 februari 2015 dat de klachten zijn terug te voeren op een psychosomatische oorzaak,
4. Het verweer
Verweerder vindt geen aanwijzingen die erop duiden dat klager mogelijk lijdt aan Mucormycose. Hij ziet daarom geen aanleiding een behandeling in stand te houden, laat staan om op te schalen naar een intensievere behandeling. Verweerder kan de sombere ideeën van klager over zijn lichamelijke toestand niet met feiten staven, vandaar dat hij spreekt van een fixatie op lichamelijk lijden. Dit lijkt hem een bondige maar adequate duiding van zijn bevindingen.
5. Beoordeling van de klacht
5.1
Het college wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Het college is van oordeel dat verweerder tijdens het consult op 16 februari 2015 voldoende zorgvuldigheid heeft betracht jegens klager. Verweerder heeft - net als andere door klager geraadpleegde specialisten - bij klager geen aanwijzingen gevonden voor de diagnose Mucormycose of een andere schimmelinfectie. Daarnaast heeft klager geen verzwakt immuumysteem of een medische aandoening die vaak gepaard gaan met Mucormycose. Klager gaf tijdens het consult van 16 februari 2015 zelfs te kennen dat hij zich de laatste weken beter voelde dan daarvoor. Er bestond daarom voor verweerder geen enkele medische noodzaak om een behandeling te starten met liposomaal amphotericine B via dagelijke infusie. Een dergelijke behandeling was gezien de risico's die deze met zich brengt zelfs onverantwoord en verwijtbaar geweest, omdat deze mogelijk schade had kunnen opleveren aan de gezondheid van klager.
Het college maakt uit de stukken op dat verweerder alles behalve onwelwillend of onzorgvuldig is geweest. Verweerder heeft klager voorgesteld aanvullende beeldvorming te doen, met name ook om een thoracale lokalisatie van eventuele pathologie te kunnen uitsluiten, gezien de eerder operatie daar. Dit voorstel heeft klager afgewezen.
Aangezien verweerder en andere specialisten geen enkele aanwijzingen hebben gevonden voor de diagnose Mucormycose en klager niet ingaat op verweerders aanbod tot het laten uitvoeren van aanvullend beeldonderzoek, acht het college het geenszins onredelijk dat verweerder spreekt van een somatische fixatie. Dit is een zakelijke conclusie op basis van waarnemingen, zonder een negatief waardeoordeel te vellen over klagers persoon. Het college is daarom van oordeel dat verweerder klager door het uiten van deze bevinding niet onheus heef bejegend. Dat klager dit wel zo ervaart, is niettemin spijtig.
6. Slotsom
De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is. Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.
7. Beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen:
verklaart de klacht kennelijk ongegrond en wijst deze af.
Aldus gegeven door:
mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter,
drs. S.M. de Hosson, lid-beroepsgenoot,
drs. B.R. Schudel, lid-beroepsgenoot,
bijgestaan door mr. N. Brouwer, als secretaris,
en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2018 door mr. W.P. Claus, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Commandeur, secretaris.
De secretaris: De voorzitter:
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door: a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard; b. degene over wie is geklaagd; c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat. Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.