ECLI:NL:TGZRGRO:2018:30 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2018/02

ECLI: ECLI:NL:TGZRGRO:2018:30
Datum uitspraak: 22-05-2018
Datum publicatie: 22-05-2018
Zaaknummer(s): G2018/02
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:   Klager, een bedrijfsarts, is het niet eens met het door verweerster, in haar hoedanigheid van supervisor van een verzekeringsarts van het UWV, gegeven oordeel over zijn werkzaamheden ten behoeve van de begeleiding en re-integratie van een zieke werknemer. In het bijzonder kan klager zich niet vinden in  het feit dat zijn inspanningen zijn geduid als ‘niet adequaat’. Volgens klager zou verweerster en met haar het UWV deze term niet mogen bezigen. Het college stelt vast dat de term ‘(niet) adequaat’ door het UWV is neergelegd in beleidsregels. Verweerster heeft de beoordeling verricht binnen de aan haar opgedragen taak en met inachtneming van deze beleidsregels van het UWV. Daarvan kan, zo oordeelt het college, verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. De vraag of het UWV deze term in haar beleidsregels mag opnemen en mag laten hanteren door zijn verzekeringsartsen kan het college niet beantwoorden. Het college oordeelt dat dit is voorbehouden aan de bestuursrechter. De klacht wordt in zijn geheel ongegrond verklaard en afgewezen.

Rep.nr. G2018/02

22 mei 2018

Def. 079

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE GRONINGEN

Beslissing op de klacht van:  

A,

klager,

wonende te B,

tegen

C ,

werkzaam als verzekeringsarts te D,

verweerster,

BIG-reg.nr:

gemachtigde: mr. drs. G.P. van Delft.

1. Verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het klaagschrift met bijlagen van 31 december 2017, ingekomen op 3 januari 2018;

- het verweerschrift met bijlagen van 8 februari 2018, ingekomen op 9 februari 2018;

- het proces-verbaal van het op 5 maart 2018 gehouden mondeling vooronderzoek onder leiding van mr. S. Boersma, lid-jurist van het college.

De klacht is behandeld ter openbare zitting van 10 april 2018. Partijen zijn verschenen, verweerster vergezeld van haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, verweerster aan de hand van pleitnotities.

Deze procedure hangt samen met een andere klachtprocedure van klager, bekend onder kenmerk G2018/01. Beide klachten zijn gezamenlijk ter zitting behandeld.  

2. Vaststaande feiten

Voor de beoordeling van de klacht gaat het college uit van de volgende feiten.

2.1

Klager is werkzaam als bedrijfsarts. In die hoedanigheid is hij betrokken geweest bij de begeleiding van mevrouw E (hierna: cliënte) na haar ziekmelding op 5 augustus 2015. Cliënte was werkzaam bij F (hierna: werkgever), tevens opdrachtgever van klager. Cliënte heeft op 8 mei 2017 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) aangevraagd. In het kader van deze aanvraag werd cliënte gezien door arts G, onder supervisie van verweerster. Dit heeft geleid tot de verzekeringsgeneeskundige rapportage van de heer G van 27 juni 2017, eveneens onder supervisie van verweerster. In deze rapportage heeft de heer G (en dus ook verweerster) gesteld dat klager de functionele mogelijkheden van cliënte niet adequaat heeft ingeschat en dat klager cliënte niet adequaat heeft begeleid. Naar aanleiding van de rapportage van de arbeidsdeskundige van 3 juli 2017, waarin is geconcludeerd dat de re-integratie inspanningen van de werkgever ten aanzien van cliënte onvoldoende zijn geweest, heeft het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) de werkgever een loonsanctie opgelegd.

3. De klacht

De klacht luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

3.1

Klager is van mening dat verweerster, in haar hoedanigheid van supervisor van de heer G, tot een niet-onderbouwde eindconclusie is gekomen. Hij verwijt verweerster dat er sprake is van een retrospectieve beoordeling, waarbij door verweerster is gespeculeerd en aannames zijn gedaan, die niet op feiten zijn gebaseerd. Er is, zo stelt klager, door verweerster selectief ‘gewinkeld’ in de door hem aangeleverde documenten. Verweerster heeft volgens klager onnodig het vertrouwen van de klant in klager geschaad en hij stelt daardoor als bedrijfsarts reputatieschade en financiële schade te lijden.

3.2

Meer specifiek is klager van mening dat verweerster geen rapportage had mogen contrasigneren waarin zijn werk als ‘niet adequaat’ wordt geduid. Deze woorden behelzen volgens klager een waardeoordeel. Wanneer in de rapportage had gestaan dat de heer G

– onder supervisie van verweerster – tot een ander oordeel was gekomen, dan was klager het daar ook niet mee eens geweest, maar in die formulering had klager geen aanleiding gezien de onderhavige klacht in te dienen.

3.3

Ten slotte stelt klager dat verweerster de inhoud van het telefonisch contact met hem op 21 juni 2017 niet correct zou hebben weergegeven.

4. Het verweer

4.1

In de eerste plaats zet verweerster vraagtekens bij de ontvankelijkheid van klager. Daartoe vraagt verweerster zich af of klager wel een rechtstreeks en direct belang heeft. Volgens verweerster zijn de aan haar gerichte verwijten vooral inhoudelijk en procedureel van aard en niet tuchtrechtelijk.

Verweerster refereert zich niettemin op dit punt aan het oordeel van het college.  

4.2

Meer inhoudelijk voert verweerster aan dat zij van het UWV de opdracht heeft gekregen om als supervisor van de heer G mede te toetsen of er voldoende aandacht is besteed aan de re-integratiemogelijkheden van cliënte. Ze heeft zich grondig voorbereid op de beoordeling die van haar verwacht werd. In dit kader heeft verweerster veel contact gehad met de heer G. Verweerster heeft vervolgens klager gebeld over de bevindingen. Klager kreeg de gelegenheid om zijn beleid nader toe te lichten en te verdedigen.

Verweerster is van mening dat het onderzoek en de rapportage voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Dat wordt ook nog eens bevestigd door het feit dat het voorstel om een loonsanctie op te leggen, getoetst is door de LLC (Landelijke Loonsanctiecommissie). Voorts is het bezwaarschrift van de werkgever tegen de sanctie ongegrond verklaard.

Dat de beoordeling door verweerster achteraf gebeurt, is onvermijdelijk. Er had volgens verweerster op een eerder moment een deskundigenoordeel aangevraagd kunnen worden, maar daar is geen gebruik van gemaakt. Dit kan, zo stelt verweerster, haar niet worden verweten.

Verder wijst verweerster erop dat niet zij, maar het UWV de loonsanctie heeft opgelegd.

4.3

Wat de inhoud van de rapportage betreft is verweerster van mening dat deze geen onnodig grievende opmerkingen jegens klager bevat. De term ‘(niet) adequaat’ is volgens verweerster een wettelijke term die niet persoonlijk is bedoeld.

4.4

Ten aanzien van het door haar op 21 juni 2017 met klager gevoerde telefoongesprek stelt verweerster dat het haar duidelijk is dat klager een andere beleving heeft van dit gesprek, maar dat zij de inhoud ervan correct heeft weergegeven. Er zijn geen derden bij dit gesprek aanwezig geweest, zodat volgens verweerster niet meer kan worden vastgesteld hoe dit gesprek is verlopen en wat exact door wie is gezegd.

Ook met betrekking tot dit onderdeel is verweerster van mening dat de klacht moeten worden afgewezen.

5. Beoordeling van de klacht

5.1 Ontvankelijkheid van klager in zijn klacht

Het college is in de eerste plaats van oordeel dat de door klager geformuleerde klacht valt onder de in artikel 47, eerste lid onder b, Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) neergelegde tuchtnorm. In dat kader dient het college de vraag te beantwoorden of de door verweerster gecontrasigneerde rapportage zodanige termen bevat dat deze onnodig/verwijtbaar schadelijk is voor de positie van klager als bedrijfsarts en in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.

Voor zover verweerster heeft willen betwisten dat klager als belanghebbende in de zin van artikel 65 van de Wet BIG gerechtigd is tot het indienen van de klacht, overweegt het college dat om aangemerkt te kunnen worden als klachtgerechtigd, er aan de zijde van klager sprake dient te zijn van een belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Klager heeft naar het oordeel van het college voldoende aannemelijk gemaakt dat hij nadeel ondervindt door de wijze waarop zijn inspanningen in het kader van de re-integratie van cliënte in de door verweerster gecontrasigneerde rapportage worden beoordeeld. Dit raakt zijn belang in het kader van de individuele gezondheidszorg.

Gelet op het vorenstaande is klager naar het oordeel van het college in zijn klacht ontvankelijk.

5.2 Inhoudelijke beoordeling van de klacht

Op grond van de Wet verbetering poortwachter (Stb. 2001, 628) ligt de verantwoordelijkheid voor begeleiding bij ziekteverzuim en re-integratie van een arbeidsongeschikte werknemer volledig bij de werkgever. Wanneer een werknemer na twee jaar arbeidsongeschiktheid een WIA-uitkering aanvraagt bij het UWV, dient het UWV te beoordelen of er in de eerste twee jaar van de arbeidsongeschiktheid van de werknemer, voldoende inspanningen door de werkgever zijn verricht om te komen tot re-integratie van de werknemer. Daartoe worden verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapportages opgesteld aan de hand waarvan beslist wordt tot het al dan niet opleggen van een loonsanctie.

Omdat de werkgever in dit geval klager heeft ingeschakeld voor de begeleiding en re-integratie van cliënte komt de beoordeling van de re-integratie inspanningen van de werkgever in feite neer op een beoordeling van de in dat verband door klager verrichte werkzaamheden.

Het college stelt vast dat verweerster, zijnde een verzekeringsarts van het UWV, bij het contrasigneren van de door de heer G opgestelde rapportage heeft gehandeld overeenkomstig hetgeen van haar in het kader van haar arbeidsverhouding met het UWV, in het licht van de door de wetgever aan het UWV opgedragen taak, mocht worden verwacht.

Daarin is naar het oordeel van het college in beginsel geen aan verweerster te maken tuchtrechtelijk verwijt gelegen en daartegen richt klager zijn klacht ook niet.

De kern van de klacht van klager is gelegen in de door verweerster gecontrasigneerde rapportage gehanteerde term voor het beoordelen van de werkzaamheden, zoals deze door klager ten behoeve van de begeleiding en re-integratie van cliënte zijn verricht. Verweerster heeft met de heer G de werkzaamheden van klager, inhoudende een inschatting van de functionele mogelijkheden van cliënte en haar begeleiding niet adequaat geacht.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, maar ook gelet op het verhandelde ter openbare zitting, ziet het college zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of verweerster van het gebruik van de term ‘niet adequaat’ een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Het college beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

In de eerste plaats bevat de tekst van de Wet verbetering poortwachter niet de term ‘(niet) adequaat’. Wel wordt in de Memorie van Toelichting (TK 2000-2001, 27678, nr. 3) op pagina 7 gesproken over een adequaat verzuim en re-integratiebeleid. Verder hanteert het UWV bij de beoordeling van de door de werkgever en werknemer geleverde re-integratie-inspanningen een beoordelingskader zoals neergelegd in het besluit Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236). In dit besluit en de daarbij behorende bijlage komt de term ‘adequaat’ veelvuldig voor. Zo wordt de vraag gesteld of de arbodienst/bedrijfsarts een adequate probleemanalyse heeft opgesteld, of er een adequaat plan van aanpak is opgesteld, of de werknemer een naar algemene medische maatstaven adequate behandeling voor zijn ziekte of gebrek heeft ondergaan en of er is voorzien in een adequate begeleiding op weg naar vergroting van de functionele mogelijkheden.

Daarnaast heeft het UWV de Werkwijzer Poortwachter (van 24 maart 2017) opgesteld waarin onder meer is neergelegd op welke wijze en aan de hand van welke criteria het UWV de door de werkgever en werknemer geleverde re-integratie-inspanningen beoordeelt. Deze Werkwijzer Poortwachter is geplaatst op de website uwv.nl. Uit de daarbij behorende inleiding blijkt dat daarmee aan werkgevers, werknemers en degenen die hen ondersteunen een richtlijn voor de aanpak van re-integratie en meer voorspelbaarheid op de uitkomst van de toetsing door het UWV wordt geboden. Ook in de Werkwijzer Poortwachter wordt de term ‘adequaat’ veelvuldig gebruikt. Onder meer wordt gesproken over een adequaat traject (het geheel van activiteiten moet als ‘adequaat’ kunnen worden aangemerkt) en het feit dat een werkgever zich niet kan beroepen op inadequaat handelen en oordelen van door hem ingeschakelde deskundigen.

Alles overziende acht het college het gebruik in de door verweerster gecontrasigneerde rapportage van de term ‘(niet) adequaat’ in relatie tot de door klager verrichte inspanningen ten behoeve van de begeleiding en re-integratie van cliënte niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, nu met het gebruik van deze term is gehandeld overeenkomstig het door het UWV gehanteerde beleid. Dit beleid was ook voor klager kenbaar, althans had voor hem kenbaar kunnen zijn.

Met betrekking tot de inhoud van het op 21 juni 2016 door verweerster met klager gevoerde telefoongesprek, overweegt het college dat de exacte inhoud ervan thans niet meer kan worden vastgesteld. Het is voorstelbaar dat klager een andere beleving bij dit gesprek heeft gehad dan verweerster, maar daarmee kan niet gezegd worden dat verweerster met haar weergave van dit gesprek een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De enkele stelling van klager dat deze weergave niet correct zou zijn, is daartoe onvoldoende.

Het college komt niet toe aan de beantwoording van de door klager opgeworpen vraag of het UWV als zodanig in zijn beleidsregels de term ‘(niet) adequaat’ mag vermelden en mag laten hanteren door haar verzekeringsartsen. Het beantwoorden van deze vraag zou neerkomen op de beoordeling of verweerder met de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter en de Werkwijze Poortwachter binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven.

Die beoordeling is echter, na het doorlopen van een bezwaarprocedure, voorbehouden aan de bestuursrechter. Zo klager een onafhankelijk oordeel wilde omtrent de houdbaarheid van het door het UWV gehanteerde beleid dan was daarvoor de weg naar de bestuursrechter, door beroep in te stellen tegen het besluit op het bezwaar van de werkgever van 14 december 2017, meer aangewezen.

Daarnaast kan klager zich tot (de directie van) het UWV richten teneinde zijn ongenoegen kenbaar te maken over de door het UWV in zijn beleid gehanteerde termen.

6. Slotsom

Gezien het voorgaande zal de klacht in zijn geheel ongegrond worden verklaard.

7. Beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen:

- verklaart de klacht in zijn geheel ongegrond en wijst deze af;

- bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant en met het verzoek tot plaatsing zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact.

Aldus gegeven door:

mr. W.P. Claus, voorzitter;

mr. Th.A. Wiersma, lid-jurist;

drs. G. Koster, lid-beroepsgenoot;

drs. H. Rumpt, lid-beroepsgenoot;

drs. J. Gietema, lid beroepsgenoot,

bijgestaan door mr. L.C. Commandeur, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2018 door de voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

De secretaris:                                                                         De voorzitter:                                    

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door: a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard; b. degene over wie is geklaagd; c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat. Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.