ECLI:NL:TGZRSGR:2018:73 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-274
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2018:73 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-05-2018 |
| Datum publicatie: | 22-05-2018 |
| Zaaknummer(s): | 2017-274 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft gelet op de beschikbaarheid van recente medische informatie in het dossier, de door klager tijdens het spreekuur verschafte informatie en tijdens het spreekuur verrichte onderzoek een consistent en inzichtelijke beoordeling gemaakt, waarop hij zijn conclusie dat er geen medische noodzaak bestond voor een bruikleenauto heeft kunnen baseren. Overige klachtonderdelen ook ongegrond. Klacht afgewezen. |
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A ,
wonende te B,
klager,
tegen:
C , verzekeringsarts,
werkzaam te B,
verweerder,
gemachtigde: D, werkzaam te E.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 20 november 2017
- het verweerschrift met bijlagen
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 12 februari 2018
1.2 Het College heeft de klacht op 10 april 2018 in raadkamer behandeld.
2. De feiten
2.1 Klager, geboren in 1991, heeft op 31 december 2016 bij het UWV een aanvraag gedaan op basis van de Wet Overige OCW-subsidies (WOOS) juncto Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wet Wajong) voor een bruikleenauto voor studie in verband met chronische nekpijn en ook misselijkheid en duizeligheid bij reizen in bus en tram. De primaire verzekeringsarts concludeerde dat hij uit de aangeleverde medische gegevens niet kon opmaken dat er sprake was van een medische noodzaak voor de voorziening. De aanvraag is bij beslissing van 24 januari 2017 afgewezen omdat de medische noodzaak voor de aangevraagde voorziening ontbrak. Klager heeft tegen deze beslissing bezwaar gemaakt bij het UWV.
2.2 Verweerder heeft in het kader van de bezwaarprocedure klager op 19 oktober 2017 op het spreekuur gezien, waarna verweerder op 13 november 2017 een rapportage heeft uitgebracht.
2.3 In de medische rapportage van verweerder staat onder meer het volgende vermeld:
(….)
3. Onderzoeksactiviteiten:
* Bestudering dossiergegevens
* Spreekuur dd 19-10-2017 13.45 uur
* Informatie van derden verkregen tijdens de bezwaarprocedure:
* Informatie van F, HA dd 25-10-2017 als ook tel overleg dd 13-11-2017. (….)
4. Onderzoeksgegevens: samenvatting gegevens uit dossier:
(…..)
Bh is ut het verleden uitgebreid bekend met nekschouderklachten na ongeval, het laatst in mei 2015.
Bij het laatste onderzoek dd 20-11-15 (College: Medische Rapportage Ziektewet) kon de ernst van de aangegeven klachten niet bevestigd worden. In rapport dd 26-02-16 (College: Medische Vervolgrapportage Ziektewet) wordt aangegeven dat Bh opnieuw is gezien waarbij een ongestoorde nekbeweeglijkheid werd geconstateerd. Dit naast ongestoorde schouderfunctie. Informatie revalidatiearts dd 17-12-15 werd bij beoordeling betrokken. Hierbij wordt melding gemaakt van chronische nekklachten waarvoor manuele therapie werd geadviseerd. Ingaande 26-02-16 werd Bh geschikt geacht voor laatste werk van spoelkeuken mw dat hij van 20-08-15 tot 26-09-15 had gedaan. het beroep werd ongegrond geacht.
(.....)
5. Onderzoeksgegevens: gegevens verkregen tijdens bezwaarprocedure:
(…..)
Medisch onderzoek dd 19-10-17
(…..)
Hierbij geeft hij aan nu ook bekend te zijn met CVS, recent vastgesteld door G E. Tav de gevraagde voorzieningen geeft hij aan niet met OV te kunnen reizen omdat hij dan duizelig/misselijk wordt. Hij denkt dat dit te relateren is aan de voortsnellende beelden. Momenteel verplaatst hij zich voor zijn studie per scooter naar H waar hij een dagstudie volgt. Bij het rijden op zijn scooter ervaart hij dit probleem niet. Hij ervaart in de trein een soort zwart worden waarbij licht in het hoofd, waarna draaierigheid en misselijkheid. Ook in de bus ervaart hij dit.
Via HA heeft hij pillen tegen reisziekte ingenomen zonder verbetering. Bh stelt dit probleem al sinds 2013 te hebben.
I had op dit moment geen adequate behandeling voor hem en heeft hem verwezen naar een ander instituut waar intake nog moet plaats vinden (…..)
(…..)
Bij onderzoek een actief en vitaal overkomende man. Hoofdbewegingen laten een spontaan meebewegen zien bij roteren. Rotatie over traject 45-0-45gr. Neigen 30-0-30. RF licht beperkt waarbij rotatie niet pijnlijk. Gedurende het een half uur durende contact normale aandacht. Geen tekenen van psychopathologie. Met name geen tekenen van afname aandacht/concentratie of geheugenproblematiek.
Geen duidelijke hypertononie in schoudergordel, wel een enkel pijnpunt.
(…..)
Verkregen informatie tijdens bezwaarprocedure:
- Het verslag van het G dd 08-06-17 laat zien dat zij van mening zijn dat [..] voldoet aan de Fuduka criteria, dit zonder nadere toelichting. Bij de anamnese wordt aangegeven dat [..] zich sinds mrt ’17 heeft moeten uitschrijven uit het onderwijs vanwege zijn klachten. Er werden meerdere testen gedaan die geen specifieke relatie hebben tot het stellen van de diagnose. Hierbij kwam ondermeer naar voren kwam dat zijn reactietijd duidelijk verlaagd was (een waarneming die niet past bij normaal scooter rijden) en dat hij bij inspanning een alkalose ontwikkelde (?). Bij kanteltafelonderzoek ontwikkelde hij misselijkheid waardoor deze test werd afgebroken.
- Informatie F, huisarts dd 25-10-17 laat zien dat Bh bekend is met braken en misselijkheid. Nader tel overleg omtrent deze brief dd 13-11-17 leerde dat hij Bh op 09-05-17 en 16-05-17 met deze klacht heeft gezien. Een relatie met acitiviteit stond niet genoteerd. Er werd geen nader onderzoeks- of behandelindicatie gezien.
6. Heroverweging / beschouwing:
Met de beschrijving van schoolactiviteiten voldoet Bh al niet aan het hoofdcriterium van Fuduka te weten onverklaarbare vermoeidheid welke continu of herhaald terugkerend aanwezig is, niet afnemend door rust en die aanleiding geeft tot een aanzienlijke afname van vroeger activiteitenniveau.
Tav de opmerking van Bh dat hij mrt ’17 zich uitgeschreven had voor zijn studie, dient nader onderzoek te worden gedaan, in het kader van de nu lopende aanvraag vervoersvoorziening. De aangegeven klacht van Bh dat hij, vanwege zijn klacht van duizeligheid en misselijkheid bij reizen met OV is niet objectiveerbaar te achten, nu deze klacht dit jaar alleen in mei ’17 werd aangegeven waarbij een relatie met reizen niet is te leggen. Daarnaast laat het klachtenbeeld geen duidelijke relatie zien, anders dan alleen door Bh zelf aangegeven. (….)
(…..)
8. Conclusie:
Er is geen medische indicatie voor de gevraagde voorzieningen.
2.4 Bij beslissing van 14 november 2017 heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard. Klager heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld.
3. De klacht
3.1 Klager verwijt verweerder zakelijk weergegeven dat hij een onjuiste rapportage heeft opgesteld. In detail verwijt klager verweerder dat hij
1. bij zijn beoordeling heeft geweigerd te wachten op nog te verkrijgen medische informatie;
2. te weinig informatie had om klager te beoordelen;
3. ten onrechte heeft aangegeven dat klager niet heeft meegewerkt aan het medisch onderzoek;
4. ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen medische noodzaak bestond voor een bruikleenauto;
5. misleidende informatie in zijn rapport heeft opgenomen, te weten
a. dat er geen pijn bij rotatie aanwezig was:
b. dat er geen sprake was van psychopathologie of tekenen van aandacht/concentratie
of geheugenproblematiek:
c. dat er geen sprake was van hypertonie in de schouder:
d. dat verweerder de informatie van de huisarts onjuist heeft weergegeven;
e. dat verweerder het CVS onderzoek niet onverkort heeft overgenomen;
f. dat verweerder onwaarheden heeft vermeld over de schoolactiviteiten van klager;
g. dat verweerder onwaarheden heeft vermeld over de problemen bij het reizen per
OV;
h. dat verweerder onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van eerdere medische informatie
die voorhanden is bij het UWV:
i. dat verweerder inconsistentie heeft aangenomen tussen dagverhaal en klachten-
patroon, terwijl andere rapportages wel consistentie aannemen:
j. dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat het alleen om de zithouding gaat;
k. dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de duizeligheid;
l. dat een medewerkster Bezwaar zaken onjuist heeft vermeld met betrekking tot het
reizen vanwege schoolse verplichtingen van klager.
6. buiten zijn deskundigheidsgebied is getreden door een uitspraak te doen over de psychopathologie van klager.
3.2 Tijdens het verhoor in het vooronderzoek op 12 februari 2018 heeft klager de klachtonderdelen 2, 3, 5d, 5f, 5j, 5k en 5l ingetrokken.
Met instemming van partijen zijn voorts de klachtonderdelen 5a, 5b en 5c samengevoegd
tot het verwijt dat verweerder ondeugdelijk lichamelijk onderzoek zou hebben verricht.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Klager heeft tijdens het verhoor in het vooronderzoek de klachtonderdelen 2, 3, 5d, 5f, 5j, 5k en 5l ingetrokken. De arts heeft hiermee ingestemd. Het College is op grond van de inhoud van de stukken tot het oordeel gekomen dat voortzetting van de behandeling van deze klachtonderdelen in het algemeen belang niet is vereist. De behandeling daarvan wordt dan ook gestaakt. Voor het overige lenen de klachtonderdelen zich voor een gezamenlijke behandeling.
5.2 Ingevolge de jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege moet een rapport als door verweerder uitgebracht voldoen aan de volgende criteria:
1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en geconsulteerde personen;
5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het College toetst ten volle of het onderzoek uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de arts in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.
5.3 Op grond van alle stukken die zijn overgelegd overweegt het College als volgt.
5.4 Verweerder had in de bezwaarprocedure de taak om de medische onderbouwing van het eerdere besluit van de UWV, waartegen bezwaar is gemaakt, te beoordelen. Het College is van oordeel dat het onderzoek en de rapportage zoals die door verweerder zijn uitgevoerd en opgesteld voldoen aan de daaraan te stellen eisen.
Het onderzoek is op de in de bezwaarprocedure gebruikelijke wijze uitgevoerd.
In het rapport is onder ‘3. Onderzoeksactiviteiten’ duidelijk vermeld op welke bronnen het rapport berust. Ook nieuwe informatie van de huisarts van klager is bij de beoordeling betrokken. Verweerder heeft gebruik mogen maken van eerdere rapportages in het kader van de uitvoering van de sociale verzekeringswetten, te weten de Medische Rapportage Ziektewet en Medische Vervolgrapportage Ziektewet, zonder dat de toestemming van klager hiervoor noodzakelijk was. Deze mogelijkheid heeft een wettelijke basis (artikel 73a, lid 1 SUWI). (klachtonderdeel 5h).
Verweerder heeft, gelet op de beschikbaarheid van (recente) medische informatie in het dossier, de door klager tijdens het spreekuur verschafte informatie en het tijdens het spreekuur verrichte onderzoek, die (voor zover van belang) in het rapport zijn vermeld, een consistente en inzichtelijke beoordeling gemaakt, waarop hij zijn conclusie dat er geen medische noodzaak bestond voor een bruikleenauto heeft kunnen baseren (klachtonderdeel 4).
Een verzekeringsarts stelt geen diagnose, maar wordt geacht op basis van (medische) stukken (van behandelaren) en (zo nodig) eigen onderzoek zich een oordeel te vormen over de lichamelijke en geestelijke toestand van een patiënt. Niet is gebleken dat verweerder bij het opstellen van het rapport buiten de grenzen van zijn deskundigheid als verzekeringsarts is getreden (klachtonderdeel 6).
5.5 Van een ondeugdelijk lichamelijk onderzoek is het College niet gebleken (klachtonderdeel 5a). Verweerder heeft voorts in de rapportage opmerkingen opgenomen ten aanzien van het verslag van het CVS onderzoek. Hij is tot de conclusie gekomen dat klager niet aan het hoofdcriterium van Fuduka voldoet en heeft voorts aangegeven dat nader onderzoek diende te worden gedaan naar de schoolactiviteiten van klager. Deze gemotiveerde afwijking ontmoet bij het College geen bedenkingen (klachtonderdeel 5e). Verweerder heeft voorts uitvoerig toegelicht welke gegevens hij bij de beoordeling van de problemen bij het reizen per OV heeft betrokken (door klager overhandigde journaal van de huisarts over de periode 21-05-1999 / 27-02-2017 en de recente informatie van de huisarts). Dat verweerder onwaarheden heeft vermeld over de problemen bij het reizen per OV heeft klager niet nader onderbouwd en is ook niet gebleken (klachtonderdeel 5g). Ook heeft verweerder op grond van de verschillende voorhanden zijnde bronnen/stukken tot de vaststelling kunnen komen dat deze stukken een wisselende anamnese van de kant van klager lieten zien (klachtonderdeel 5i).
Tot slot heeft verweerder mogen en kunnen beslissen dat de beschikbaarheid van (recente) medische informatie, de door klager tijdens het spreekuur verschafte informatie en het tijdens het spreekuur verrichte onderzoek voldoende waren om tot een conclusie te kunnen komen. Klager heeft gesteld dat hij heeft aangegeven dat er nog onderzoeken zouden volgen en dat hij verweerder heeft verzocht daarop te wachten. De nog te volgen onderzoeken en de termijn waarop waren evenwel niet concreet. Het College acht in dit geval dan ook niet verwijtbaar dat verweerder daar niet op heeft gewacht; immers, er was geen aanleiding te veronderstellen dat deze informatie tot een andere oordeelsvorming zou leiden (klachtonderdeel 1).
5.6 Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:
wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer op 22 mei 2018 door: mr. L.J. Sarlemijn, voorzitter, mr. E.M. Deen, lid-jurist, prof.dr. R.J. Stolker, dr. G.J. Dogterom en J.G.M. van Eekelen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door mr. I.C.M. Spitters-Vermeulen, secretaris.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te
Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.