ECLI:NL:TGZRSGR:2018:77 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-007

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2018:77
Datum uitspraak: 22-05-2018
Datum publicatie: 22-05-2018
Zaaknummer(s): 2018-007
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Ongegronde klacht tegen een huisarts. De huisarts heeft met zijn verklaring zoals gebruikt in de echtscheidingsprocedure niet gehandeld in strijd met de tweede tuchtnorm, omdat het geen gedragingen zijn die betrekking hebben op het verlenen van individuele gezondheidszorg of die een wezenlijke weerslag hebben op de individuele gezondheidszorg. Het feit dat de huisarts zich boven aan de brief als arts heeft gepresenteerd, maakt dit oordeel niet anders. Klacht afgewezen.  

Datum uitspraak: 22 mei 2018

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

wonende te B,

klager,

tegen:

C, arts,

(doorgehaald per 9 januari 2018),

verweerder,

gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, werkzaam te Utrecht.

1.            Het verloop van de procedure

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 11 januari 2018,

- het verweerschrift.

1.2       De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

1.3       De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 11 april 2018. De partijen zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Verweerder werd daarbij bijgestaan door mr M.M.H. Hoekstra.

2.      De feiten

2.1              Klager is de voormalige echtgenoot van de schoonzus van verweerder.

2.2              Verweerder was als basis-arts in het BIG-register geregistreerd tot 9 januari 2018

maar heeft na zijn afstuderen nooit als arts gewerkt. Hij vermeldde zijn arts-titel wel op zijn briefpapier in zijn werk als HR-consultant.

2.3              Verweerder heeft op verzoek van zijn schoonzus in oktober 2015 een brief opgesteld

en aan zijn schoonzus gemaild. Deze brief was bedoeld om ter beschikking te stellen aan de advocaat die zijn schoonzus had ingeschakeld in verband met de huwelijksproblemen met klager. In de brief staat onder meer het volgende vermeld:

‘C, arts

[volgt adres]

Scheiding D en A

Sinds vele jaren ben ik sparring partner voor D m.b.t. de kinderen wel en wee en met name voor haar oudste zoon F, dit omdat haar man niet over opvoedkundige, gedrag en schoolzaken wil praten met haar. Veel heb ik met haar gesproken en haar ondersteund in de impasse waar haar oudste zoon in verkeerde.’

…..

‘Vanuit mijn oogpunt van arts is het slechts aan de schoolgaande kinderen eten geven laat in de avond (20.00 en 22.00) niet zorgen voor een kind, dit is voeden van kinderen. Zorgen en opvoeden houdt ook in kinderen te helpen met huiswerk, te stimuleren naar school te gaan, ze verplichten uit hun bed te komen, hen structuur te geven en hen goed te laten presteren. Dit heeft moeder gedurende de gehele opvoeding wel gedaan, overigens door een slepende ziekte lukte dat haar niet in haar eentje, de steun die ze van haar man kreeg was er niet tot onvoldoende. Op dat gebied moet in gezamenlijkheid worden geacteerd.

Een bijzonder voorval zijn een tweetal e-mails die vader aan mij heeft gestuurd in 2013, toen de relatie in feite al over was, waarbij hij een psychiatrische diagnose bij haar meende te stellen. Ik heb hier niet op gereageerd omdat dit a) is voorbehouden aan artsen en b) dat ik dit zeer onwaarschijnlijk achtte. Ik heb hem mondeling adviezen gegeven e.e.a. te bespreken met artsen indien hij dat noodzakelijk achtte.’

2.4              Ook heeft verweerder op 8 december 2016 een verklaring opgesteld en aan zijn

schoonzus gemaild waarvan hij wist dat deze in de scheidingsprocedure zou worden ingebracht.

2.5              In de onder 2.3 en 2.4 bedoelde verklaringen uitte verweerder zorgen over de wijze

waarop klager met geld omgaat en onvoldoende prioriteit geeft aan het gezin en de opvoeding van de kinderen.

3.           De klacht

3.1              In de kern verwijt klager verweerder dat hij in zijn hoedanigheid van arts de onder 2.3

 bedoelde brief heeft verstuurd. Volgens klager staat de brief vol onwaarheden. Klager wijst erop dat verweerder nooit in die periode een gesprek met klager heeft gevoerd over de thuissituatie, de kinderen of de gesteldheid van klagers ex. Wel had verweerder de bedoeling om het verhaal van klagers ex klakkeloos over te schrijven met als oogpunt een breuk tussen klager en zijn kinderen te creëren, zijn kinderen tegen hem op te zetten, diens huis af te nemen en klager maximaal te schaden.

3.2       Verweerder heeft aldus zijn positie als arts volledig misbruikt.

4.        Het standpunt van verweerster

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.        De beoordeling

5.1       Het aanvankelijk gevoerde verweer dat verweerder niet is onderworpen aan

tuchtrechtspraak en klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege het

feit dat de klacht is ontvangen nadat verweerder al als arts in het BIG-register was

 doorgehaald, is ter zitting niet gehandhaafd, althans ten aanzien daarvan heeft klager

zich gerefereerd. Het verweer wordt verworpen, gelet op het bepaalde in artikel 47 lid

4 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG).

5.2       Aan de orde is de vraag of verweerder (die geen individuele behandelrelatie met

klager of de kinderen had) met het schrijven van bedoelde brieven heeft gehandeld in strijd met de zogenaamde tweede tuchtnorm (van artikel 47, eerste lid onder b van de Wet BIG); anders gezegd of verweerder als arts heeft gehandeld in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.

5.3       Met verweerder is het College van oordeel dat de door klager verweten gedragingen,

zoals het schrijven van de onder 2.3 en 2.4 bedoelde brieven, vermeend onzorgvuldig

handelen, schade toebrengen aan de kinderen, zich mengen in een scheiding van anderen en daarin partij kiezen, geen gedragingen zijn die betrekking hebben op het verlenen van individuele gezondheidszorg of een wezenlijke weerslag hebben op de individuele gezondheidszorg.

Met name de zinsnede ‘Vanuit mijn oogpunt als arts is het slechts aan de schoolgaande kinderen eten geven laat in de avond (20.00 en 22.00) niet zorgen voor een kind, dit is voeden van kinderen.’ leest het College niet als een medisch oordeel of medische verklaring maar als een mening over het opvoeden van kinderen. Het feit dat verweerder boven aan deze brief zichzelf als arts heeft gepresenteerd, maakt dit oordeel niet anders.

5.4       De conclusie is dat verweerder met betrekking tot de klacht geen verwijt zoals

bedoeld in artikel 47, eerste lid onder b van de Wet op de beroepen in de individuele

gezondheidszorg kan worden gemaakt. De klacht zal dan ook als ongegrond worden

afgewezen.

6.       De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

wijst de klacht af.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.A.F. Tan-de Sonnaville, voorzitter, mr. M.W. Koek, lid-jurist, R.P. van Straaten, H.N. Koetsier en P.C.L.A. Lambregts, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door mr. E.C. Zandman, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2018.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te

Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.