ECLI:NL:TGZRGRO:2018:29 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2018/01

ECLI: ECLI:NL:TGZRGRO:2018:29
Datum uitspraak: 22-05-2018
Datum publicatie: 22-05-2018
Zaaknummer(s): G2018/01
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie:   Klager, een bedrijfsarts, is het niet eens met het door verweerder, een arts van het UWV, onder supervisie van een verzekeringsarts gegeven oordeel over klagers werkzaamheden ten behoeve van de begeleiding en re-integratie van een zieke werknemer. In het bijzonder kan klager zich niet vinden in het feit dat zijn inspanningen zijn geduid als ‘niet adequaat’. Volgens klager zou verweerder en met hem het UWV deze term niet mogen bezigen. Het college stelt vast dat de term ‘(niet) adequaat’ door het UWV is neergelegd in beleidsregels. Verweerder heeft de beoordeling verricht binnen de aan hem opgedragen taak en met inachtneming van deze beleidsregels van het UWV. Daarvan kan, zo oordeelt het college, verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. De vraag of het UWV deze term in zijn beleidsregels mag opnemen en mag laten hanteren door zijn verzekeringsartsen kan het college niet beantwoorden. Het college oordeelt dat dit is voorbehouden aan de bestuursrechter. De klacht wordt in zijn geheel ongegrond verklaard en afgewezen.

Rep.nr. G2018/01

22 mei 2018

Def. 078

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE GRONINGEN

Beslissing op de klacht van:  

A,

klager,

wonende te B,

tegen

C ,

werkzaam als arts te D,

verweerder,

BIG-reg.nr:

gemachtigde: mr. drs. G.P. van Delft.

1. Verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het klaagschrift met bijlagen van 31 december 2017, ingekomen op 3 januari 2018;

- het verweerschrift met bijlagen van 8 februari 2018, ingekomen op 9 februari 2018;

- het proces-verbaal van het op 5 maart 2018 gehouden mondeling vooronderzoek onder leiding van mr. S. Boersma, lid-jurist van het college.

De klacht is behandeld ter openbare zitting van 10 april 2018. Partijen zijn verschenen, verweerder vergezeld van zijn gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, verweerder aan de hand van pleitnotities.

Deze procedure hangt samen met een andere klachtprocedure van klager, bekend onder kenmerk G2018/02. Beide klachten zijn gezamenlijk ter zitting behandeld.

2. Vaststaande feiten

Voor de beoordeling van de klacht gaat het college uit van de volgende feiten.

2.1

Klager is werkzaam als bedrijfsarts. In die hoedanigheid is hij betrokken geweest bij de begeleiding van mevrouw E (hierna: cliënte) na haar ziekmelding op 5 augustus 2015. Cliënte was werkzaam bij F (hierna: werkgever), tevens opdrachtgever van klager. Cliënte heeft op 8 mei 2017 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) aangevraagd. In het kader van deze aanvraag werd cliënte gezien door verweerder onder supervisie van verzekeringsarts mevrouw G. Dit heeft geleid tot de verzekeringsgeneeskundige rapportage van verweerder van 27 juni 2017, eveneens onder supervisie van mevrouw G. In deze rapportage heeft verweerder gesteld dat klager de functionele mogelijkheden van cliënte niet adequaat heeft ingeschat en dat klager cliënte niet adequaat heeft begeleid. Naar aanleiding van de rapportage van de arbeidsdeskundige van 3 juli 2017, waarin is geconcludeerd dat de re-integratie inspanningen van de werkgever ten aanzien van cliënte onvoldoende zijn geweest, heeft het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) de werkgever een loonsanctie opgelegd.

3. De klacht

De klacht luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

3.1

Klager is van mening dat verweerder tot een niet-onderbouwde eindconclusie is gekomen. Hij verwijt verweerder dat er sprake is van een retrospectieve beoordeling, waarbij door verweerder is gespeculeerd en aannames zijn gedaan, die niet op feiten zijn gebaseerd. Er is, zo stelt klager, door verweerder selectief ‘gewinkeld’ in de door hem aangeleverde documenten. Verweerder heeft volgens klager onnodig het vertrouwen van de klant in klager geschaad en hij stelt daardoor als bedrijfsarts reputatieschade en financiële schade te lijden.

3.2

Meer specifiek is klager van mening dat verweerder geen rapportage had mogen afgeven waarin zijn werk als ‘niet-adequaat’ wordt geduid. Deze woorden behelzen volgens klager een waardeoordeel. Wanneer verweerder in zijn rapportage had gesteld dat hij tot een ander oordeel was gekomen, dan was klager het daar niet mee eens geweest, maar in die formulering had klager geen aanleiding gezien de onderhavige klacht in te dienen.

4. Het verweer

4.1

In de eerste plaats zet verweerder vraagtekens bij de ontvankelijkheid van klager. Daartoe vraagt verweerder zich af of klager wel een rechtstreeks en direct belang heeft. Volgens verweerder zijn de aan hem gerichte verwijten vooral inhoudelijk en procedureel van aard en niet tuchtrechtelijk.

Verweerder refereert zich niettemin op dit punt aan het oordeel van het college.   

4.2

Meer inhoudelijk voert verweerder aan dat hij van het UWV de opdracht heeft gekregen om te toetsen of er voldoende aandacht is besteed aan de re-integratiemogelijkheden van cliënte. Hij heeft zich grondig voorbereid op de beoordeling die van hem verwacht werd. In dit kader heeft hij veel contact gehad met zijn opleider/supervisor mevrouw G, die vervolgens klager heeft gebeld over de bevindingen. Klager kreeg de gelegenheid om zijn beleid nader toe te lichten en te verdedigen.

Verweerder is van mening dat het onderzoek en de rapportage voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Dat wordt ook nog eens bevestigd door het feit het voorstel om een loonsanctie op te leggen, getoetst is door de LLC (Landelijke Loonsanctiecommissie). Voorts is het bezwaarschrift van de werkgever tegen de sanctie ongegrond verklaard.

Dat de beoordeling door verweerder achteraf gebeurt, is onvermijdelijk. Er had volgens verweerder op een eerder moment een deskundigenoordeel aangevraagd kunnen worden, maar daar is geen gebruik van gemaakt. Dit kan, zo stelt verweerder, hem niet worden verweten.

Verder wijst verweerder erop dat niet hij, maar het UWV de loonsanctie heeft opgelegd.

4.3

Wat de inhoud van de rapportage betreft, is verweerder van mening dat deze geen onnodig grievende opmerkingen jegens klager bevat. De term ‘(niet) adequaat’ is volgens verweerder een wettelijke term die niet persoonlijk is bedoeld.

5. Beoordeling van de klacht

5.1 Ontvankelijkheid van klager in zijn klacht

Het college dient te beoordelen of de door klager geformuleerde klacht valt onder de in artikel 47, eerste lid onder b, Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) neergelegde tuchtnorm. Het college moet dan de vraag beantwoorden of verweerder zich in zijn rapportage zodanig heeft uitgelaten dat dit onnodig/verwijtbaar schadelijk is voor de positie van klager als bedrijfsarts en in strijd is met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.

Voor zover verweerder heeft willen betwisten dat klager als belanghebbende in de zin van artikel 65 van de Wet BIG gerechtigd is tot het indienen van de klacht, overweegt het college dat om aangemerkt te kunnen worden als klachtgerechtigd, er aan de zijde van klager sprake dient te zijn van een belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Klager heeft naar het oordeel van het college voldoende aannemelijk gemaakt dat hij nadeel ondervindt door de wijze waarop verweerder zich in de rapportage heeft uitgelaten. Dit raakt zijn belang in het kader van de individuele gezondheidszorg.

Gelet op het vorenstaande is klager naar het oordeel van het college in zijn klacht ontvankelijk.

5.2 Inhoudelijke beoordeling van de klacht

Op grond van de Wet verbetering poortwachter (Stb. 2001, 628) ligt de verantwoordelijkheid voor begeleiding bij ziekteverzuim en re-integratie van een arbeidsongeschikte werknemer volledig bij de werkgever. Wanneer een werknemer na twee jaar arbeidsongeschiktheid een WIA-uitkering aanvraagt bij het UWV, dient het UWV te beoordelen of er in de eerste twee jaar van de arbeidsongeschiktheid van de werknemer, voldoende inspanningen door de werkgever zijn verricht om te komen tot re-integratie van de werknemer. Daartoe worden verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapportages opgesteld aan de hand waarvan beslist wordt tot het al dan niet opleggen van een loonsanctie.

Omdat de werkgever in dit geval klager heeft ingeschakeld voor de begeleiding en re-integratie van cliënte komt de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van de werkgever in feite neer op een beoordeling van de in dat verband door klager verrichte werkzaamheden.

Het college stelt vast dat verweerder bij het (onder supervisie van mevrouw G) opstellen van de rapportage heeft gehandeld overeenkomstig hetgeen van hem in het kader van zijn arbeidsverhouding met het UWV, in het licht van de door de wetgever aan het UWV opgedragen taak, mocht worden verwacht.

Daarin is naar het oordeel van het college in beginsel geen aan klager te maken tuchtrechtelijk verwijt gelegen en daartegen richt klager zijn klacht ook niet.

De kern van de klacht van klager is gelegen in de door verweerder in zijn rapportage gehanteerde term voor het beoordelen van de werkzaamheden, zoals deze door klager ten behoeve van de begeleiding en re-integratie van cliënte zijn verricht. Verweerder heeft de werkzaamheden van klager, inhoudende een inschatting van de functionele mogelijkheden van cliënte en haar begeleiding niet adequaat geacht.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, maar ook gelet op het verhandelde ter openbare zitting, ziet het college zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of verweerder van het gebruik van de term ‘niet adequaat’ een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Het college beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

In de eerste plaats bevat de tekst van de Wet verbetering poortwachter niet de term ‘(niet) adequaat’. Wel wordt in de Memorie van Toelichting (TK 2000-2001, 27678, nr. 3) op pagina 7 gesproken over een adequaat verzuim en re-integratiebeleid. Verder hanteert het UWV bij de beoordeling van de door de werkgever en werknemer geleverde re-integratie-inspanningen een beoordelingskader zoals neergelegd in het besluit Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236). In dit besluit en de daarbij behorende bijlage komt de term ‘adequaat’ veelvuldig voor. Zo wordt de vraag gesteld of de arbodienst/bedrijfsarts een adequate probleemanalyse heeft opgesteld, of er een adequaat plan van aanpak is opgesteld, of de werknemer een naar algemeen medische maatstaven adequate behandeling voor zijn ziekte of gebrek heeft ondergaan en of er is voorzien in een adequate begeleiding op weg naar vergroting van de functionele mogelijkheden.

Daarnaast heeft het UWV de Werkwijzer Poortwachter (van 24 maart 2017) opgesteld waarin onder meer is neergelegd op welke wijze en aan de hand van welke criteria het UWV de door de werkgever en werknemer geleverde re-integratie-inspanningen beoordeelt. Deze Werkwijzer Poortwachter is geplaatst op de website uwv.nl. Uit de daarbij behorende inleiding blijkt dat daarmee aan werkgevers, werknemers en degenen die hen ondersteunen een richtlijn voor de aanpak van re-integratie en meer voorspelbaarheid op de uitkomst van de toetsing door het UWV wordt geboden. Ook in de Werkwijzer Poortwachter wordt de term ‘adequaat’ veelvuldig gebruikt. Onder meer wordt gesproken over een adequaat traject (het geheel van activiteiten moet als ‘adequaat’ kunnen worden aangemerkt) en het feit dat een werkgever zich niet kan beroepen op inadequaat handelen en oordelen van door hem ingeschakelde deskundigen.

Alles overziende acht het college het gebruik door verweerder van de term ‘(niet) adequaat’ in relatie tot de door klager verrichte inspanningen ten behoeve van de begeleiding en re-integratie van cliënte niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, nu verweerder daarmee heeft gehandeld overeenkomstig het door het UWV gehanteerde beleid. Dit beleid was ook voor klager kenbaar, althans had voor hem kenbaar kunnen zijn.

Het college komt niet toe aan de beantwoording van de door klager opgeworpen vraag of het UWV als zodanig in zijn beleidsregels de term ‘(niet) adequaat’ mag vermelden en mag laten hanteren door haar verzekeringsartsen. Het beantwoorden van deze vraag zou neerkomen op de beoordeling of verweerder met de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter en de Werkwijze Poortwachter binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven.

Die beoordeling is echter, na het doorlopen van een bezwaarprocedure, voorbehouden aan de bestuursrechter. Zo klager een onafhankelijk oordeel wilde omtrent de houdbaarheid van het door het UWV gehanteerde beleid dan was daarvoor de weg naar de bestuursrechter, door beroep in te stellen tegen het besluit op het bezwaar van de werkgever van 14 december 2017, meer aangewezen.

Daarnaast kan klager zich tot (de directie van) het UWV richten teneinde zijn ongenoegen kenbaar te maken over de door het UWV in zijn beleid gehanteerde termen.

6. Slotsom

Gezien het voorgaande zal de klacht in zijn geheel ongegrond worden verklaard.

7. Beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen:

- verklaart de klacht in zijn geheel ongegrond en wijst deze af;

- bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant en met het verzoek tot plaatsing zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact.

Aldus gegeven door:

mr. W.P. Claus, voorzitter;

mr. Th.A. Wiersma, lid-jurist;

drs. G. Koster, lid-beroepsgenoot;

drs. H. Rumpt, lid-beroepsgenoot;

drs. J. Gietema, lid beroepsgenoot,

bijgestaan door mr. L.C. Commandeur, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2018 door de voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

De secretaris:                                                                         De voorzitter:                                    

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door: a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard; b. degene over wie is geklaagd; c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat. Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.