ECLI:NL:TGZRSGR:2018:79 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-247

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2018:79
Datum uitspraak: 22-05-2018
Datum publicatie: 22-05-2018
Zaaknummer(s): 2017-247
Onderwerp: Onheuse bejegening
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. De verwijten omtrent de inhoud en wijze van de mondelinge communicatie kunnen zich moeilijk op juistheid laten beoordelen, de lezingen van partijen lopen uiteen. Verweerder heeft een adequate probleemanalyse van het fysieke spreekuur opgesteld. Klacht afgewezen.  

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

wonende te B,

klager,

gemachtigde: C werkzaam te D,

tegen:

E, bedrijfsarts,

werkzaam te F,

verweerder.

1.            Het verloop van de procedure

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 7 september 2017,

- het verweerschrift,

- de brief met bijlagen ontvangen op 12 december 2017 van klager,

- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 3 januari 2018,

- de medische stukken, ontvangen 12 januari 2018, opgestuurd door verweerder.

1.2       Het College heeft de klacht op 11 april 2018 in raadkamer behandeld.  

2.           De feiten

2.1              Klager is op 9 juni 2017 tijdens het werk een ongeval overkomen, als gevolg waarvan

hij zich per direct ziek heeft gemeld. Per 24 mei 2017 is klager onder bewind gesteld.

2.2              Op 3 juli 2017 heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen klager en verweerder.

In dit telefoongesprek is onder andere gesproken over een medische machtiging die verweerder van klager nodig had voor het opvragen van medische informatie bij zijn behandelaar.

2.3              Op 10 augustus 2017 heeft wederom telefonisch contact plaatsgehad tussen klager en

verweerder.

2.4              Op 8 september 2017 is klager, vergezeld van zijn bewindvoerder, op het spreekuur

bij verweerder geweest. Naar aanleiding van dit consult heeft verweerder een probleemanalyse opgesteld.

2.5              Aansluitend heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klager, vergezeld van zijn

bewindvoerder, en zijn werkgever. Tijdens dit gesprek heeft klager een medische machtiging ondertekend waarmee de bedrijfsarts informatie kan opvragen bij de huisarts van klager.

2.6              Op 9 oktober heeft verweerder aan klager medegedeeld dat het hem beter leek de

behandeling over te dragen aan een collega, klager stemde hiermee in.

3.           De klacht

Klager verwijt verweerder zakelijk weergegeven:

1)      het niet aanleveren van gegevens zoals het correspondentieadres, e-mailadres en het BIG-registratienummer;

2)      bedreiging tijdens het telefoongesprek op 3 juli 2017;

3)      het pas na herhaaldelijk verzoek van de advocaat van klager toesturen van een medische machtiging;

4)      het niet maken van een rapportage van de ziekmelding;

5)      bemoeienis inzake de bewindvoerder van klager.

4.        Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.        De beoordeling

5.1       De klachtonderdelen één, twee, drie en vijf zien allen op de communicatie (in de breedste zin van het woord) tussen klager en verweerder. Klager en verweerder zijn het er over eens dat de communicatie tussen hen niet goed is verlopen. Beiden wijzen echter de ander aan als oorzaak hiervan.

Bij de beoordeling van deze klachtonderdelen stelt het College voorop dat verwijten omtrent inhoud en wijze van (mondelinge) communicatie zich moeilijk op hun juistheid laten beoordelen door het College, omdat er van die communicatie immers geen getuige is geweest. Het is vaak de toon die de muziek maakt, en die toon is aan derden niet (goed) over te brengen. Iets soortgelijks geldt met betrekking tot de context waarin woorden of uitlatingen worden gebruikt: die kan bepalend zijn voor de betekenis ervan, maar is hooguit gebrekkig te reconstrueren. Daarbij komt dat bij communicatie tussen enerzijds leken en anderzijds professionals het misverstaan van elkaar een voortdurend actueel gevaar is, dat nog toeneemt naarmate deelnemers aan die communicatie bij het onderwerp ervan emotioneel betrokken zijn. Een en ander maakt het beoordelen van de gegrondheid van verwijten als bedoeld, voor derden tot een moeilijke opgaaf.

Uiteindelijk baseert het College zich bij de beoordeling van dit gedeelte van de klacht niet op het uitgangspunt dat het woord van de klager minder geloof verdient dan dat van de verweerder, maar op het gegeven dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het College dus, ook als aan het woord van klager en van verweerder evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen. Dit gedeelte van de klacht is dus ongegrond.

5.2       Klager heeft zich op 9 juni 2017 ziek gemeld. Een dergelijke ziekmelding wordt door de werkgever en niet door een bedrijfsarts als zodanig gedocumenteerd. Klager is eenmaal fysiek bij verweerder op het spreekuur geweest, daarvan heeft verweerder een adequate probleemanalyse opgesteld. Verweerder heeft aldus vastgelegd hetgeen hij naar aanleiding van de ziekmelding van klager diende vast te leggen. Op dit punt heeft verweerder aldus niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Het vierde klachtonderdeel faalt dan ook.

5.3       Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.

6.       De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

wijst de klacht af.

Deze beslissing is gegeven op 22 mei 2018 door mr. M.A.F. Tan-de Sonnaville, voorzitter, mr. M.W. Koek, lid-jurist, R.P. van Straaten, H.N. Koetsier en P.C.L.A. Lambregts, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door mr. E.C. Zandman, secretaris.

voorzitter                                                                                          secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezond­heidszorg door:

a.         de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b.         degene over wie is geklaagd;

c.         de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroep­schrift wordt ingezon­den bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcolle­ge voor de Gezondheidszorg te

Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.