ECLI:NL:TGZCTG:2018:123 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.365
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2018:123 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-05-2018 |
| Datum publicatie: | 16-05-2018 |
| Zaaknummer(s): | c2017.365 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Patiënte heeft op 7 april 2016 de huisarts geconsulteerd in verband met klachten aan haar rechterschouder. De huisarts heeft patiënte doorverwezen naar een orthopeed. Op 7 juli 2016 is patiënte overleden. Klager verwijt de huisarts, voor zover in beroep van belang, dat zij de ernst van de situatie van patiënte niet heeft onderkend. Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht af. Het Centraal Tuchtcollege is, evenals het Regionaal Tuchtcollege, van oordeel dat de huisarts voldoende adequaat heeft gehandeld en dat haar geen tuchtrechtelijke verwijt kan worden gemaakt. Het beroep wordt verworpen. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2017.365 van:
A., wonende te B. (C.) en D. wonende E.,
appellanten, klagers in eerste aanleg,
gemachtigde: mr. J.R.A. Röschlau, advocaat te Zeist,
tegen
F., huisarts, destijds werkzaam te E., gemachtigde:
mr. R.J. Peet, verbonden aan VvAA Rechtsbijstand te Utrecht,
verweerder in beide instanties.
1. Verloop van de procedure
1.1 A. en D. - hierna klagers - hebben op 20 juli 2016 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen F. - hierna de huisarts - een klacht ingediend. Bij beslissing 16 mei 2017, onder nummer 16/256, heeft dat College de klacht op al haar onderdelen afgewezen. Klagers zijn van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
1.2 De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 20 maart 2018, waar zijn verschenen namens klagers
mr. J.R.A. Röschlau voornoemd en de huisarts, bijgestaan door mr. Peet voornoemd. Mr. Röschlau heeft de standpunten van klagers toegelicht aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“(…) 2. De feiten
Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:
2.1 Klagers zijn respectievelijk de broer en de moeder van G., geboren op
13 december 1957 en overleden op 9 juli 2016 (hierna: patiënte). Bij patiënte is in 2010 borstkanker geconstateerd, waarvoor zij een borst besparende operatie heeft ondergaan.
2.2 Verweerster werkte in de periode tussen 18 februari 2016 en 9 juni 2016 als waarneemster in de praktijk waar patiënte stond ingeschreven.
2.3 Op 7 april 2016 heeft patiënte verweerster geconsulteerd in verband met klachten aan haar rechterschouder. Verweerster heeft patiënte onderzocht en diezelfde dag een foto laten maken van de schouder ter uitsluiting van een verband met de borstkanker uit 2010. Op de foto waren geen afwijkingen te zien. Vervolgens is nog een echo gemaakt van de schouder van patiënte, waarop een bursitis was te zien. Bij patiënte is vervolgens een injectie subacromiaal gegeven in de rechter schouder. Hierop zijn nog een X-thorax en een echo gemaakt en is zij vervolgens door een orthopeed gezien. In zijn brief van 31 mei 2016 beschrijft deze een "gezonde vrouw " met wie tot op heden - na een borst besparende ingreep in verband met een mamma carcinoom rechts - “ alles goed gaat”. De schouderklachten duidt hij als een capsulitis bij impingement. Hij heeft patiënte daarom een depomedrol/lidocaïne injectie toegediend.
2.4 Van 16 juni 2016 tot 20 juni 2016 is patiënte opgenomen geweest in het H.- ziekenhuis. De ontslagbrief van 20 juni 2016 luidt – voor zover thans van belang – als volgt:
“Anamnese:
Sinds 1 week erg benauwd, langzaam progressief. (…)
Bursitis schouder. Injecties.
(…)
Bespreking:
Het betreft een 58 jarige vrouw, bekend met mammacarcinoom in 2010, werd nu opgenomen met dyspnoe klachten. Op de thoraxfoto werd een forse hoeveelheid pleuravocht gezien beiderzijds met intrapulmonale afwijkingen waarop een CT-scan werd verricht. Deze toonde uitgebreide afwijkingen, meest waarschijnlijk bij uitgebreide gemetastaseerde ziekte. Er werd een pleurapunctie verricht voor pathologie, waarin maligne cellen worden gezien passend bij gemetastaseerd adenocarcinoom.
(…)”
2.5 Op verzoek van patiënte is zij overgeplaatst naar het I.-ziekenhuis. Op 7 juli 2016 is patiënte aldaar overleden.
3. De klacht en het standpunt van klagers
Het college begrijpt de klacht zakelijk weergegeven zo, dat klagers verweerster verwijten dat zij (i) de ernst van de situatie van patiënte niet heeft onderkend; (ii) heeft geweigerd patiënte door te sturen naar een longarts bij het I.-ziekenhuis; en (iii) heeft geweigerd contact te hebben met klagers na het overlijden van patiënte.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het college stelt voorop dat het overlijden van patiënte voor klagers een uitermate verdrietige en ingrijpende gebeurtenis moet zijn geweest. Het college wijst er bij de inhoudelijke beoordeling echter op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. Het gaat daarbij om persoonlijke verwijtbaarheid van de beroepsbeoefenaar. Het college zal de klachtonderdelen hierna afzonderlijk behandelen.
Ad (i) en (ii)
5.2 Naar het oordeel van het college blijkt nergens uit dat verweerster de klachten van patiënte niet serieus heeft genomen. Uit de stukken blijkt dat patiënte bij verweerster op consult kwam voor schouderklachten. Omdat patiënte te kennen gaf in het verleden borstkanker te hebben gehad, heeft verweerster eerst een foto en een echo laten maken van de schouder, om metastasen uit te sluiten. Daarmee heeft verweerster de ernst van de situatie van patiënte onderkend. Niet is gebleken dat patiënte bij verweerster nog andere (luchtweg-)klachten heeft gemeld. De thoraxfoto die op 26 mei 2016 is gemaakt en waarop wat vocht was te zien, is niet in haar opdracht gemaakt en zij heeft de foto ook niet gezien. Ook uit de brief van
20 juni 2016 van de longarts (zie hiervoor 2.4) lijkt te volgen dat patiënte op dat moment een week last had van benauwdheidsklachten. Toen was verweerster al niet meer betrokken bij patiënte. Dit alles maakt dat verweerster naar het oordeel van het college adequaat heeft gehandeld door patiënte, nadat zij een foto en echo had laten maken om metastasen uit te sluiten, naar een orthopeed te verwijzen. Verweerster heeft weersproken dat zij zou hebben geweigerd om patiënte naar het I.-ziekenhuis te verwijzen, zoals klagers stellen. Verweerster heeft een open verwijzing gegeven. Van een weigering, zoals door klagers aangevoerd, blijkt ook niet uit het dossier. Klachtonderdelen (i) en (ii) zijn dan ook ongegrond.
Ad (iii)
5.3 Verweerster was na 9 juni 2016 niet meer betrokken bij patiënte. Verweerster heeft gesteld niets te weten van pogingen van klagers om met verweerster in contact te komen. Zij stelt pas in augustus 2016 te hebben vernomen dat patiënte was overleden. Verweerster heeft bovendien te kennen gegeven nog steeds open te staan voor een gesprek met klagers. Het college ziet dan ook geen aanwijzing om aan te nemen dat verweerster heeft geweigerd om met de familie in contact te komen. Ook het laatste klachtonderdeel is ongegrond.
5.4 De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is en zonder verder onderzoek in raadkamer zal worden afgewezen.
Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.
(…) ”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven onder “ 2. De feiten ” in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.2 De behandeling in beroep heeft niet geleid tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste aanleg, met dien verstande dat het Centraal Tuchtcollege daaraan het volgende wenst toe te voegen.
4.3 Ten aanzien van de foto die de huisarts op 7 april 2016 - toen patiënte zich met schouderklachten tot haar wendde - heeft laten maken, is in het huisartsenjournaal vermeld:
“gezien voorgeschiedenis en duur klachten (meer dan 6 maanden) X-schouder ter uitsluiting verband mammaca”. De huisarts heeft ter zitting in beroep toegelicht dat deze passage betrekking heeft op een thoraxfoto en dat zij in een geval als het onderhavige altijd een thoraxfoto laat maken. Namens klagers is niet met zoveel woorden weersproken dat de thoraxfoto is gemaakt. Het Centraal Tuchtcollege gaat er daarom vanuit dat reeds in april 2016 op instigatie van de huisarts een thoraxfoto van patiënte is gemaakt. De radioloog heeft de huisarts telefonisch bericht dat op de foto geen afwijkingen te zien waren. De huisarts heeft dit vermeld in het huisartsen-journaal. In het telefoongesprek heeft de radioloog niets tegen de huisarts gezegd over de zichtbaarheid van vocht op de foto, aldus de huisarts ter zitting in beroep. Voorts heeft de huisarts ter zitting in beroep onweersproken verklaard dat zij tijdens de consulten in april 2016 ervan op de hoogte was dat patiënte in verband met de bij haar in 2010 geconstateerde metastase in de borst onder controle stond van een specialist in het I.-ziekenhuis in J. en dat zij patiënte toen deze vanwege de pijnklachten aan haar schouder een controle-afspraak aldaar wenste af te zeggen, heeft aangeraden wel naar de controle-afspraak te gaan.
4.4 Het Centraal Tuchtcollege is, evenals het Regionaal Tuchtcollege, van oordeel dat op basis van de thans beschikbare stukken geconcludeerd moet worden dat de huisarts voldoende adequaat heeft gehandeld en dat haar geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Uit het huisartsenjournaal blijkt dat de huisarts gezien de voorgeschiedenis van patiënte ermee rekening heeft gehouden dat de schouderklachten van patiënte op een metastase konden wijzen. De huisarts heeft een thoraxfoto en een echo laten maken. Op basis van de uitslag van deze foto en echo, alsmede tegen de achtergrond dat de huisarts wist dat patiënte in verband met haar medische voorgeschiedenis bij een specialist in het I.-ziekenhuis in J. onder controle stond, behoefde de huisarts niet te onderkennen dat van een metastase sprake was. Het beroep zal om die reden worden verworpen.
4.5 Ten overvloede overweegt het Centraal Tuchtcollege het volgende. De huisarts was als waarneemster tijdelijk werkzaam in een groeipraktijk. Deze praktijk werd opgezet door andere huisartsenpraktijken die als praktijkhouders daarvan optraden. De praktijk was slechts op maandag en donderdag geopend. Op de andere dagen van de week werden de spoedgevallen en de postverwerking door de andere huisartsenpraktijken waargenomen. In een dergelijk geval, waarin sprake is van veel wisselende artsen, dient, teneinde de continuïteit van de zorgverlening te waarborgen door de artsen extra zorg te worden besteed aan de verslaglegging. Nog daargelaten dat de klacht daarop geen betrekking heeft, is de verslaglegging door de huisarts binnen de grenzen van de redelijke bekwame beroepsuitoefening gebleven.
4.6 Om redenen aan het algemeen belang ontleend, zal het Centraal Tuchtcollege de publicatie van deze beslissing gelasten als hierna vermeld.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep;
bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven door: mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. M.W. Zandbergen, leden-juristen en drs. M. van Bergeijk en drs. F.M.M. van Exter, leden-beroepsgenoten en mr. A. Mul, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 15 mei 2018.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.