Zoekresultaten 20351-20400 van de 48190 resultaten

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:242 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-1021/DH/DH

    Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:236 Raad van Discipline 's-Gravenhage 18-589/DH/RO

    Klacht van advocaat over de handelwijze waarop verweerders een zaak hebben willen overnemen, is ingetrokken. Klacht hangt samen met dekenbezwaar 18-122/DH/RO-a-b.Deken en klager zijn in gelegenheid gesteld standpunt in te nemen, waarbij de deken te kennen heeft gegeven dat hij voortzetting van de klacht wenst. Raad heeft de intrekking in raadkamer besproken en beslist dat behandeling van de klacht niet zal worden voortgezet. Redengevend is de samenhang met en de uitkomst van 18-122/DH/RO-a-b.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:217 Raad van Discipline Amsterdam 17-1005/A/A

    Ongegrond verzet.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:176 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 222/2018

    Klacht tegen psychiater kennelijk ongegrond. Het college is van oordeel dat de onjuiste medicatiedosering niet tuchtrechtelijk te verwijten valt aan verweerder

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:218 Raad van Discipline Amsterdam 18-310/A/A 18-311/A/A

    Klacht over advocaat wederpartij (verweerder sub 2) en advocaat in hoedanigheid van directeur van een trustkantoor (verweerder sub 1). Verweerder sub 1 is in de onderliggende kwestie naar buiten getreden als directeur van trustkantoor A, en ook – éénmaal - als advocaat. De raad stelt in zijn algemeenheid voorop dat het ongewenst kan zijn dat advocaten in meer hoedanigheden bij een zaak betrokken zijn, zoals in de onderhavige kwestie het geval was. Daarin schuilt immers het gevaar van schending van de kernwaarde onafhankelijkheid. Daarnaast kan het optreden van een advocaat met meer hoedanigheden een schijn van onvoldoende integriteit opleveren. In onderhavig geval kan aan het optreden van verweerder sub 1 in twee hoedanigheden evenwel niet de gevolgtrekking worden verbonden dat er sprake is van ongeoorloofde, verwarrende en schadelijke vermenging van de juridische en trustpraktijk van verweerder sub 1. Naar het oordeel van de raad heeft bij klaagster namelijk geen misverstand kunnen bestaan over de hoedanigheid waarin verweerder sub 1 optrad in enerzijds zijn e-mails, en anderzijds in de brief van 9 april 2015. Het enkele feit dat verweerder sub 1 in twee verschillende hoedanigheden is opgetreden levert naar het oordeel van de raad geen tuchtrechtelijk verwijt op. Klaagster deels niet-ontvankelijk, klacht voor het overige ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:177 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 223/2018

    Klacht tegen psychiater kennelijk ongegrond. Het college is van oordeel dat de onjuiste medicatiedosering en -verstrekking niet tuchtrechtelijk te verwijten valt aan verweerder. Evenmin is aannemelijk geworden dat verweerder eerder in actie had moeten komen.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:219 Raad van Discipline Amsterdam 18-491/A/NH/D

    Dekenbezwaar. Verweerder heeft in strijd met artikel 10a onder c en d Advocatenwet gehandeld door zich onnodig laatdunkend, gebiedend, niet-zakelijk en te grof uit te laten tegenover ketenpartners en zich niet te (kunnen) laten aanspreken op zijn houding en gedrag. Daarnaast beschikt verweerder niet over de vereiste kennis en vaardigheden op het gebied van het digitaal dossier. Waarschuwing en kostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:213 Raad van Discipline Amsterdam 18-480/A/A

    Ongegronde klacht over regel 7 lid 4 van de Gedragsregels 1992. Juist in een gevoelige zaak als deze kan van redelijke bezwaren aan de zijde van de (voormalige) cliënt eerder sprake zijn. In dit geval heeft verweerder, nadat de bezwaren van klager tegen zijn optreden in volle omvang bekend waren, de behandeling van de zaak neergelegd. Dat is voldoende tijdig.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:220 Raad van Discipline Amsterdam 18-808/A/A

    Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat wederpartij kennelijk ongegrond. Klaagster heeft twee minderjarige kinderen bij twee verschillende vaders, een zoon en een dochter. Verweerster staat één van de vaders bij in een procedure tegen klaagster. De cliënt van verweerster is de vader van de zoon. De vader van de dochter wordt bijgestaan door mr. Z. Klaagster verwijt verweerster (kort gezegd) dat zij in de door haar tegen klaagster gevoerde procedure informatie heeft gebruikt die zij had verkregen via mr. Z. De voorzitter overweegt dat verweerster met het inbrengen van de e-mail van mr. Z aan verweerster van 20 maart 2018 en de daarbij behorende bijlagen het belang van haar cliënt heeft gediend. Dat de belangen van klaagster hierdoor onevenredig zijn geschaad is de voorzitter niet gebleken.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:214 Raad van Discipline Amsterdam 18-719/A/A

    Gegronde klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door de geheimhoudingsplicht uit de mediationovereenkomst te schenden. Maatregel en proceskostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:221 Raad van Discipline Amsterdam 18-236/A/NH

    Klacht over advocaat in hoedanigheid van klachtenfunctionaris. Een klachtfunctionaris heeft een grote mate van vrijheid bij de wijze waarop hij de klachtafhandeling inricht en op de ingebrachte klacht beslist. In onderhavig geval heeft verweerder, na de ontvangst van de klacht te hebben bevestigd, evenwel niets meer aan klager laten horen. Ook op een daarop volgende vraag van klager over de duur van de klachtbehandeling heeft verweerder niet gereageerd. Afhandeling van de klacht heeft aldus niet plaatsgevonden. De redenen die verweerder hiervoor aanvoert kunnen naar het oordeel van de raad geen rechtvaardiging vormen. Het was de taak van verweerder als klachtfunctionaris om een beslissing te nemen ten aanzien van de (on)gegrondheid van de klacht. Dat verweerder dit heeft nagelaten valt hem tuchtrechtelijk te verwijten. Klacht gegrond, waarschuwing en kostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:215 Raad van Discipline Amsterdam 18-555/A/A

    Deels gegronde klacht over de eigen advocaat. Verweerster heeft een afspraak over het opstellen van een dagvaarding niet schriftelijk vastgelegd waardoor daar onduidelijkheid over is ontstaan en is langere tijd nauwelijks bereikbaar geweest voor klaagster. De raad ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding af te zien van het opleggen van een maatregel.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:216 Raad van Discipline Amsterdam 18-177/A/A

    Verzet niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de verzettermijn.

  • ECLI:NL:TACAKN:2018:80 Accountantskamer Zwolle 17/2552, 17/2553 en 17/2554 Wtra AK

    Toepassing driejaarstermijn. Klacht niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2018:166 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 18-302/DB/OB

    Voorzitter heeft terecht en op juiste gronden toepassing heeft gegeven aan de artikelen 46g en 46j Advocatenwet. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2018:167 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 18-330/DB/LI

    Niet gebleken dat verweerder klagers onvoldoende heeft geïnformeerd over de gang van zaken bij het gerechtshof en niet naar behoren met hen heeft gecommuniceerd. Wel onvoldoende geadviseerd over mogelijke gevolgen van royement. Niet gebleken van het niet nakomen van een overeengekomen fixed fee of het afwentelen op klagers van een foute inschatting van uren. Deels gegrond. First offender. Geen maatregel.

  • ECLI:NL:TACAKN:2018:79 Accountantskamer Zwolle 17/2424 en 17/2573 Wtra AK

    Klachten over rapport uitgebracht met het oog op het leggen van conservatoir beslag. Ook in die situatie moet de betrokken accountant (en had betrokkene moeten) beseffen dat zijn rapport gebruikt wordt ter onderbouwing van het standpunt van zijn opdrachtgever (over de vordering in verband waarmee wordt verzocht om toestemming tot het leggen van beslag). Aan een zodanig rapport moeten daarom dezelfde eisen worden gesteld als aan rapporten waarvan duidelijk is of wordt dat zij dienen ter ondersteuning van het standpunt van de opdrachtgever in een (aan te spannen) gerechtelijke procedure. Dat betekent dat de accountant ervoor zorg dient te dragen dat het rapport de objectieve waarheidsvinding door de rechter niet belemmert. De kans daarop is aanwezig als (kort gezegd) bevindingen en conclusies in het rapport geen deugdelijke grondslag hebben. Om de kans dat dit gebeurt tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen, moeten de (feitelijke) grondslag voor een bevinding of een conclusie (de gegevens waarop een bevinding of conclusie stoelt, de daarbij gevolgde redenering en/of de gehanteerde maatstaf) en een gemaakt voorbehoud bij een bevinding of conclusie in het rapport zelf duidelijk worden uiteengezet. Op de werkzaamheden die ten grondslag liggen aan een dergelijk rapport is geen specifieke standaard van de NVCOS van toepassing. Als de wederpartij van de opdrachtgever niet is gehoord en niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op bevindingen en conclusies voordat rapport is uitgebracht moet dat duidelijk in het rapport worden vermeld. Inhoudelijk ontbeert het rapport van betrokkene op een aantal punten een deugdelijke grondslag. Berisping.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:174 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 012/2018

    Patiënt heeft zelfmoord gepleegd. Klaagster, zijn echtgenote, verwijt de huisarts van patiënt dat hij in gebreke is gebleven in de zorg ten aanzien van patiënt en dat verweerder schuldig is aan het overlijden van patiënt. Klacht is ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:175 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 175/2018

    Patiënt heeft zich binnen een bestek van een aantal dagen meermaals gemeld bij eigen huisarts en huisartsenpost in verband met klachten van (achtereenvolgens) oorpijn, loopoor, duizeligheid, misselijkheid en koorts. Toen de echtgenote van patiënt contact opnam met de huisartsenpost is in overleg met verweerder pijnstilling door middel van Ibuprofen geadviseerd en het advies gegeven de volgende dag contact op te nemen met de eigen huisarts. Patiënt is enige dagen later overleden aan een bacteriële meningitis. Het college oordeelt dat verweerder vanuit zijn verantwoordelijkheid als huisarts op de huisartsenpost onvoldoende adequaat heeft gereageerd waar meerdere signalen hem daartoe wel aanleiding gaven. Volgt waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:300 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.143

    Klacht tegen een chirurg. Klager verwijt de chirurg dat hij zonder toestemming en tegen de expliciete wil van patiënte de PAC linkst heeft geplaatst in plaats van rechts. De chirurg heeft zich niet van tevoren op de hoogte gesteld van de toestand van de huid in het operatiegebied, is zijn onderzoeks- en informatieplicht niet nagekomen en heeft ook de geldende richtlijnen niet gevolgd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Wat betreft het verwijt dat de chirurg de PAC links heeft geplaatst zonder toestemming en tegen de expliciete wil van patiënte, komt het Centraal Tuchtcollege op grond van de stukken en hetgeen door partijen over en weer ter terechtzitting in beroep nog naar voren is gebracht tot dezelfde bevindingen als het Regionaal Tuchtcollege. Daarmee onderschrijft het Centraal Tuchtcollege het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de chirurg niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door uit het feit dat op verschillende plekken in het medisch dossier van patiënte het woord ‘rechts’ in hoofdletters is vermeld, niet af te leiden dat de plaatsing van de PAC alleen rechts en dus niets links mocht plaatsvinden. Ten aanzien van de inspectie door de chirurg van de toestand van de huid in het operatiegebied stelt het Centraal Tuchtcollege vast dat de chirurg voor aanvang van de operatie kennelijk niet heeft opgemerkt dat er in de status van patiënte was vermeld dat er sprake was van een klein wondje rechts op de borst. Dit had de chirurg wel moeten zijn opvallen en reden moeten zijn voor nader onderzoek van het te opereren gebied voor aanvang van de operatie. Het is algemeen gebruik en noodzakelijk dat een chirurg, ook als het pré-operatieve consult door een collega is gedaan, het operatiegebied inspecteert als de patiënt nog bij kennis is. De chirurg kan een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden van het feit dat hij dit niet heeft gedaan. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing waarvan beroep voor zover daarbij het verwijt dat de chirurg zich niet van te voren op de hoogte heeft gesteld van de toestand van de huis in het operatiegebied, ongegrond is verklaard; en opnieuw rechtdoende: verklaart dit onderdeel van de klacht alsnog gegrond; legt dienaangaande de chirurg de maatregel van waarschuwing op en verwerpt het beroep voor het overige.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2018:134 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/328

    De klacht betreft de behandeling van de echtgenote van klager (hierna: patiënte). De klacht houdt in dat de huisarts de klachten/serieuze signalen van patiënte genegeerd, gebagatelliseerd dan wel onzorgvuldig geïnterpreteerd heeft. De klacht betreft ook de onzorgvuldige dossiervoering door de huisarts. Patiënte is overleden aan gevolgen van hartinfarct. Gegrond. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:296 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.483

    Klacht tegen cardioloog. Klaagster is gedurende bijna 20 jaar onder controle geweest bij verweerder vanwege HCM. Klaagster verwijt verweerder in de kern dat hij in de periode van 2007 tot 2013 de geleidelijke progressie van haar HCM niet heeft (h)erkend. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel van berisping opgelegd. Het beroep van de cardioloog slaagt. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat er geen aanwijzingen zijn voor de stelling dat er in de periode tussen 2007 en 2013 een geleidelijke progressie van de HCM zichtbaar was. Een feitelijke grondslag voor het verwijt dat klaagster de cardioloog maakt ontbreekt hiermee, zodat reeds hierom de klacht niet kan slagen. Voorts acht het Centraal Tuchtcollege de door de cardioloog verrichte onderzoeken adequaat en de keuze voor de medicatie in de aangegeven dosering begrijpelijk. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht alsnog ongegrond en gelast publicatie van de beslissing.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2018:84 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1875

    De arts geeft aan het einde van de derde rapportage er blijk van dat zij niet is staat is om een medisch advies uit te brengen in het kader van de aanvraag van een gehandicaptenparkeerkaart, terwijl zij wel een advies geeft door te stellen dat zij haar eerdere conclusie niet kan verwerpen. Daarmee voldoet haar rapportage niet aan de daaraan te stellen eis dat de rapportage op inzichtelijke en consistente wijze uiteenzet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen. De arts had er beter aan gedaan om de opdracht voor de derde keuring niet te aanvaarden. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:297 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.542

    Klacht tegen verloskundige. Het dochtertje van klagers is zonder hartactie geboren en na reanimatie de volgende dag overleden. Klagers maken verweerster een aantal verwijten over haar handelen tijdens de bevalling. Het Regionaal Tuchtcollege oordeelt dat verweerster heeft nagelaten tijdig de gynaecoloog in te schakelen en legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op. Het beroep van klagers richt zich tegen de ongegrondverklaring van de overige klachtonderdelen, inhoudende onder meer – kort gezegd – dat verweerster onvoldoende vaardigheden had om de bevalling tot een goed einde te brengen en dat zij de ernst en de urgentie van de situatie onvoldoende aan de gynaecoloog en de anesthesioloog heeft overgebracht. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klagers.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:298 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.008

    Klacht tegen verloskundige. Klaagster is in overleg met haar eerstelijns verloskundige voor een poliklinische bevallen zonder medische indicatie naar het ziekenhuis gegaan waar verweerster werkzaam was. Klaagster verwijt verweerster dat zij een episiotomie heeft gezet zonder medische noodzaak, zonder klaagster daarover te informeren en zonder dat er sprake was van informed consent. Ook verwijt klaagster verweerster dat zij niet genoeg betrokken is geweest. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het beroep van klaagster betreft alleen het punt van het informed consent en wordt door het Centraal Tuchtcollege verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:299 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.080

    De klacht van klaagster tegen een chirurg bestond uit zeven onderdelen, te weten 1. het niet overleggen van een schriftelijk en door klaagster ondertekend informed consent; 2. zonder deugdelijk vooronderzoek overgaan tot een anti-reflux operatie; 3. te vroeg overgaan tot die operatie; 4. het niet zelf doen van de (Davinci) robotoperatie; 5. onvoldoende nazorg leveren; 6. zich buiten zijn vakgebied jegens klaagster uitlaten over mogelijke medische problematiek en 7. het niet getuigen van een voldoende professionele houding in zijn reacties naar aanleiding van vragen van ARAG. Het RTC verklaart alle klachtonderdelen ongegrond. In beroep komt het CTG tot een gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van het RTC. De klachtonderdelen 2 en 3 worden alsnog gegrond bevonden: door het ontbreken van een goede verslaglegging kan niet als vaststaand worden aangenomen dat de chirurg op goede gronden tot zijn diagnose en indicatiestelling is gekomen. Voorts was er in de gegeven omstandigheden van het geval, - te weten een complex klachtenbeeld met een psychosomatische component, grote stress (met name in de relationele sfeer) en overmatig alcoholgebruik, en het feit dat klaagster na het consult op 29 maart 2018 nog een telefonisch gesprek heeft gehad met de chirurg waarin zij haar ernstige twijfels uitsprak over het laten doorgaan van de operatie, terwijl ten slotte een acute medische noodzaak om te opereren ontbrak-, alle reden om de medische klachten nog eens nader te onderzoeken, althans een pas op de plaats te maken en klaagster meer bedenktijd te geven. Vanwege het tijdsverloop en het feit dat de chirurg niet eerder in aanraking is geweest met de tuchtrechter volstaat het CTG met de oplegging van een waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2018:133 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/210

    Klagers dienen een klacht in als nabestaanden hun door suïcide overleden zoon/broer. Zij verwijten de psychiater het nalaten van het nemen van een maatregel om de veiligheid te waarborgen van hun zoon. Tevens verwijten ze de psychiater dat zij onvoldoende heeft gedaan om het door haar noodzakelijk geachte onderzoek spoediger te laten plaatsvinden. Daarbij voldoet het medisch dossier niet aan de eisen. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2018:163 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 18-610/DB/LI

    Klager heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat advocaat zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:237 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 18-663

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen voormalig eigen advocaat kennelijk niet-ontvankelijk nu deze is verjaard (nu de klacht ziet op een door verweerder in 1990 ingediend bezwaarschrift en het niet opvolgen).

  • ECLI:NL:TADRSHE:2018:164 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 18-605/DB/LI 18-606/DB/LI 18-607/DB/LI

    Geen evident onpleitbaar standpunt ingenomen door buitengerechtelijke venietiging in te roepen. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2018:25 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2017/87

    Samengevat verwijt klager de notaris dat zijn chef de bureau hem onheus bejegend heeft in de e-mailberichten van 6 en 12 december 2016 alsmede dat klager onheus bejegend is tijdens de bijeenkomst ten kantore van de notaris op 4 januari 2017 en dat de notaris zich tijdens die bijeenkomst niet onafhankelijk heeft opgesteld. De kamer acht met name de formuleringen die de chef de bureau in zijn e-mailbericht van 12 december 2016 heeft gebezigd, te weten ”Dat is uw eigen keuze heer [naam klager]” en “Het is nu heel eenvoudig.”, niet gepast in zakelijke communicatie. De kamer is echter van oordeel dat deze formuleringen in het kader van de lange voorgeschiedenis, de vele e-mails van klager in deze zaak die de notaris steeds zorgvuldig beantwoord heeft, alsmede gezien de opstelling van klager op de antwoorden en uitnodigingen voor een afspraak in dit geval niet tuchtrechtelijk verwijtbaar genoemd moeten worden, zodat dit klachtonderdeel ongegrond is. De kamer is van oordeel dat klager zijn stelling dat de notaris zich niet onafhankelijk heeft opgesteld onvoldoende aannemelijk heeft weten te maken. De enkele indruk die klager had ten tijde van het voorlezen en tekenen van de akte is daartoe onvoldoende.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2018:165 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 18-507/DB/LI

    Niet gebleken dat kwaliteit van de dienstverlening onvoldoende was. Wel tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door geen opdrachtbevestiging te sturen en klager niet schriftelijk te adviseren over de mogelijkheid van hoger beroep. Deels gegrond. Waarschuwing. Proceskostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:234 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 18-693

    Klacht tegen advocaat wederpartij kennelijk ongegrond. Niet gebleken dat verweerster zich in de ontbindingsprocedure jegens klager onnodig grievend heeft uitgelaten of bij haar stellingen over de mediation en mediator de haar toekomende ruime vrijheid heeft overschreden.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:235 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 18-362

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen eigen advocaat verjaard voor zover de klacht ziet op het optreden van verweerder in de periode 1992-2000. Klacht kennelijk ongegrond voor zover de klacht ziet op de periode vanaf 2016. Niet is komen vast te staan dat de kwaliteit van dienstverlening door verweerder in laatstgenoemde periode onder de maat is geweest.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2018:162 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 18-611/DB/LI

    Klaagschrift is ingediend nadat de termijn ex artikel 46g lid 1 Advocatenwete is verstreken. Niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:236 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 18-664

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen voormalig eigen advocaat kennelijk niet-ontvankelijk nu deze is verjaard (nu de klacht ziet op een in 1990 ingediend bezwaarschrift en het niet opvolgen hiervan).

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:294 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2018.116

    De klacht heeft betrekking op de behandeling van de, inmiddels overleden, zoon van klagers, hierna patiënt, die na een zwangerschap van minder dan 28 weken was geboren. Een maand na de geboorte is patiënt overgebracht naar het ziekenhuis waar verweerster als neonatologieverpleegkundige werkzaam was. Patiënt is na aankomst in de voormiddag in de couveuse gelegd. De bevochtiger is daarbij niet aangesloten op het elektriciteitsnetwerk waardoor het niet naar behoren functioneerde. In de loop van de dag was sprake van een verslechterende toestand met kortdurende saturatiedalingen en bradycardie. Kort voor middernacht is de bevochtiger aangesloten. In de nacht en de opvolgende ochtend verslechterde de situatie verder. Voorafgaand aan intubatie werd aan patiënt tweemaal morfine toegediend, beide keren abusievelijk in een 10-voudige dosering. Bij de een week nadien verrichte MRI is zeer ernstige hersenschade geconstateerd waarna de behandeling gericht op herstel is gestaakt. Vier dagen nadien is patiënt overleden. Klagers stellen dat de volgende fouten zijn gemaakt: a. Toediening koude lucht via ademhalingsondersteuningsapparaat gedurende 10 uur omdat de stekker voor de verwarming er niet in zat. Hierdoor heeft zich volgens klagers taaislijm ontwikkeld en zijn ademhalingsproblemen ontstaan; b. Het instellen van een hogere couveusetemperatuur dan in het eerdere ziekenhuis, waardoor patiënt ondanks de koude (beademings)lucht toch op temperatuur bleef; c. Het niet leegpompen van de maag voor de intubatie; d. Het tot tweemaal toedienen van een hoeveelheid morfine 10-voudig aan het maximaal toelaatbare.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:172 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-051

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. De psychiater en klager verschillen van mening over hetgeen is besproken en de gang van zaken tijdens het intakegesprek. Niet komt vast te staan dat klager niet is geïnformeerd over de diagnostiek en de behandeling. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:179 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-115

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. Klager heeft nagelaten te onderbouwen op welke wijze de gz-psycholoog bij het toedienen van de antipsychotica betrokken is geweest, de uitleg van de gz-psycholoog ontmoet geen bedenkingen. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:295 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2018.117

    De klacht heeft betrekking op de behandeling van de, inmiddels overleden, zoon van klagers, hierna patiënt, die na een zwangerschap van minder dan 28 weken was geboren. Een maand na de geboorte is patiënt overgebracht naar het ziekenhuis waar verweerster als neonatologieverpleegkundige werkzaam was. Patiënt is na aankomst in de voormiddag in de couveuse gelegd. De bevochtiger is daarbij niet aangesloten op het elektriciteitsnetwerk waardoor het niet naar behoren functioneerde. In de loop van de dag was sprake van een verslechterende toestand met kortdurende saturatiedalingen en bradycardie. Kort voor middernacht is de bevochtiger aangesloten. In de nacht en de opvolgende ochtend verslechterde de situatie verder. Voorafgaand aan intubatie werd aan patiënt tweemaal morfine toegediend, beide keren abusievelijk in een 10-voudige dosering. Bij de een week nadien verrichte MRI is zeer ernstige hersenschade geconstateerd waarna de behandeling gericht op herstel is gestaakt. Vier dagen nadien is patiënt overleden. Klagers stellen dat de volgende fouten zijn gemaakt: a. Toediening koude lucht via ademhalingsondersteuningsapparaat gedurende 10 uur omdat de stekker voor de verwarming er niet in zat. Hierdoor heeft zich volgens klagers taaislijm ontwikkeld en zijn ademhalingsproblemen ontstaan; b. Het instellen van een hogere couveusetemperatuur dan in het eerdere ziekenhuis, waardoor patiënt ondanks de koude (beademings)lucht toch op temperatuur bleef; c. Het niet leegpompen van de maag voor de intubatie; d. Het tot tweemaal toedienen van een hoeveelheid morfine 10-voudig aan het maximaal toelaatbare. De klacht betreffende de verpleegkundige beperkt zich tot klachtonderdeel d. Het Regionaal Tuchtcollege heeft dit klachtonderdeel gegrond verklaard, aan de verpleegkundige de maatregel van berisping opgelegd en publicatie van de uitspraak gelast. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt eveneens dat klachtonderdeel d gegrond is, maar komt tot de oplegging van een lichtere maatregel, te weten een waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:173 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-079a

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. Gedurende de behandelperiode van klager zijn deugdelijke anamneses afgenomen en onderzoek verricht. Ten tijde van de behandelperiode bestond geen verplichting om de vitamine D-waarde te laten bepalen. De psychiater mocht ook vanwege het ontbreken van aanwijzingen voor het tegendeel ervan uitgaan dat er bij klager geen sprake was van een vitamine D-tekort. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:180 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-087

    Gegronde klacht tegen een huisarts. De huisarts had bij de klachten van de ongeruste patiënte (pijn in de linkerarm, uitstralend naar schouder en borst) tenminste moeten denken aan een cardiale oorzaak en patiënte overeenkomstig moeten onderzoeken, ondanks dat patiënte bij navraag geen alarmsymptomen meldde. De huisarts heeft zich bij het telefoongesprek een paar dagen later te veel laten leiden door de ingangsklacht (pijn bij het plassen). Ten onrechte heeft de huisarts in de combinatie van de op deze twee dagen genoemde klachten geen aanleiding gezien te handelen naar potentieel cardiaal lijden. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:174 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-079b

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. Gedurende de behandelperiode van klager zijn deugdelijke anamneses afgenomen en onderzoek verricht. Ten tijde van de behandelperiode bestond geen verplichting om de vitamine D-waarde te laten bepalen. De psychiater mocht ook vanwege het ontbreken van aanwijzingen voor het tegendeel ervan uitgaan dat er bij klager geen sprake was van een vitamine D-tekort. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:175 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-079c

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. Gedurende de behandelperiode van klager zijn deugdelijke anamneses afgenomen en onderzoek verricht. Ten tijde van de behandelperiode bestond geen verplichting om de vitamine D-waarde te laten bepalen. De psychiater mocht ook vanwege het ontbreken van aanwijzingen voor het tegendeel ervan uitgaan dat er bij klager geen sprake was van een vitamine D-tekort. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:176 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-085a

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. Het door de psychiater gevoerde beleid met betrekking tot toediening van antipsychotica bij klager die eerder een maligne katatonie/neuroleptica syndroom doormaakte ontmoet bij het College geen bedenkingen. De uitvoering is aantoonbaar overlegd en besproken. De psychiater heeft zorgvuldig gerapporteerd. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2018:161 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 18-586/DB/OB

    Niet-ontvankelijk wegens verstrijken van termijn ex art. 469 lid 1 sub a.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:292 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2018.114

    De klacht heeft betrekking op de behandeling van de, inmiddels overleden, zoon van klagers, hierna patiënt, die na een zwangerschap van minder dan 28 weken was geboren. Een maand na de geboorte is patiënt overgebracht naar het ziekenhuis waar verweerster als neonatologieverpleegkundige werkzaam was. Patiënt is na aankomst in de voormiddag in de couveuse gelegd. De bevochtiger is daarbij niet aangesloten op het elektriciteitsnetwerk waardoor het niet naar behoren functioneerde. In de loop van de dag was sprake van een verslechterende toestand met kortdurende saturatiedalingen en bradycardie. Kort voor middernacht is de bevochtiger aangesloten. In de nacht en de opvolgende ochtend verslechterde de situatie verder. Voorafgaand aan intubatie werd aan patiënt tweemaal morfine toegediend, beide keren abusievelijk in een 10-voudige dosering. Bij de een week nadien verrichte MRI is zeer ernstige hersenschade geconstateerd waarna de behandeling gericht op herstel is gestaakt. Vier dagen nadien is patiënt overleden. Klagers stellen dat de volgende fouten zijn gemaakt: a. Toediening koude lucht via ademhalingsondersteuningsapparaat gedurende 10 uur omdat de stekker voor de verwarming er niet in zat. Hierdoor heeft zich volgens klagers taaislijm ontwikkeld en zijn ademhalingsproblemen ontstaan; b. Het instellen van een hogere couveusetemperatuur dan in het eerdere ziekenhuis, waardoor patiënt ondanks de koude (beademings)lucht toch op temperatuur bleef; c. Het niet leegpompen van de maag voor de intubatie; d. Het tot tweemaal toedienen van een hoeveelheid morfine 10-voudig aan het maximaal toelaatbare. De klacht betreffende de verpleegkundige beperkt zich tot de onderdelen a en b. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdelen a en b gegrond verklaard, aan de verpleegkundige de maatregel van berisping opgelegd en publicatie van de uitspraak gelast. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klachtonderdeel b gegrond, maar klachtonderdeel a ongegrond. Dit geeft het Centraal Tuchtcollege echter geen aanleiding tot het opleggen van een minder zware maatregel dan in eerste aanleg aan de verpleegkundige is opgelegd.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:177 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-085b

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een psychiater. Dat klager een ernstige reactie op het antipsychoticum zou krijgen had de psychiater niet kunnen en hoeven voorzien. Na het zien van de ernstige toestand van klager is de psychiater zeer alert geweest. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:293 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2018.115

    De klacht heeft betrekking op de behandeling van de, inmiddels overleden, zoon van klagers, hierna patiënt, die na een zwangerschap van minder dan 28 weken was geboren. Een maand na de geboorte is patiënt overgebracht naar het ziekenhuis waar verweerster als neonatologieverpleegkundige werkzaam was. Patiënt is na aankomst in de voormiddag in de couveuse gelegd. De bevochtiger is daarbij niet aangesloten op het elektriciteitsnetwerk waardoor het niet naar behoren functioneerde. In de loop van de dag was sprake van een verslechterende toestand met kortdurende saturatiedalingen en bradycardie. Kort voor middernacht is de bevochtiger aangesloten. In de nacht en de opvolgende ochtend verslechterde de situatie verder. Voorafgaand aan intubatie werd aan patiënt tweemaal morfine toegediend, beide keren abusievelijk in een 10-voudige dosering. Bij de een week nadien verrichte MRI is zeer ernstige hersenschade geconstateerd waarna de behandeling gericht op herstel is gestaakt. Vier dagen nadien is patiënt overleden. Klagers stellen dat de volgende fouten zijn gemaakt: a. Toediening koude lucht via ademhalingsondersteuningsapparaat gedurende 10 uur omdat de stekker voor de verwarming er niet in zat. Hierdoor heeft zich volgens klagers taaislijm ontwikkeld en zijn ademhalingsproblemen ontstaan; b. Het instellen van een hogere couveusetemperatuur dan in het eerdere ziekenhuis, waardoor patiënt ondanks de koude (beademings)lucht toch op temperatuur bleef; c. Het niet leegpompen van de maag voor de intubatie; d. Het tot tweemaal toedienen van een hoeveelheid morfine 10-voudig aan het maximaal toelaatbare. De klacht betreffende de verpleegkundige beperkt zich tot de onderdelen a en b. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdeel a gegrond verklaard en klachtonderdeel b ongegrond verklaard. Aan de verpleegkundige is de maatregel van waarschuwing opgelegd en het Regionaal Tuchtcollege heeft publicatie van de uitspraak gelast. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klachtonderdeel a eveneens gegrond en legt aan de verpleegkundige, met eenparigheid van stemmen, de maatregel van berisping op.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:178 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-114

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. De huisarts heeft klaagster en haar klachten iedere keer serieus genomen door lichamelijk en aanvullend onderzoek uit te voeren en haar zo nodig door te verwijzen naar verschillende specialisten. Op geen enkele wijze is gebleken dat de huisarts snauwt, liegt of bedriegt. Klacht afgewezen.