Zoekresultaten 20351-20400 van de 47536 resultaten

  • ECLI:NL:TNORSHE:2018:9 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2017/71

    Informatieplicht, passeren akte van levering van woning bij volmacht. Ten tijde van het passeren van de akte was klager voor de helft eigenaar van de woning; daarom moet hij worden aangemerkt als partij bij de akte. Volgens art. 43 lid 1 Wna moet een notaris de partijen bij de akte en de bij het verlijden van de akte eventueel verschijnende andere personen tijdig voor het passeren van de akte de gelegenheid geven om van de inhoud van de akte kennis te nemen. De toegevoegd notaris, die bekend was met de familieomstandigheden en de langdurige detentie van klager (die dus een vaste verblijfplaats had), heeft vooraf echter geen concept van de akte aan klager toegezonden. Bovendien heeft zij klager voorafgaand aan het passeren van de akte geen toelichting gegeven op de zakelijke inhoud daarvan, hem niet gewezen op de gevolgen die voor partijen uit de inhoud van de akte voortvloeien en hem ook overigens vooraf op geen enkele wijze geïnformeerd over de op handen zijnde eigendomsoverdracht van de woning, terwijl zij hem bovendien pas twee jaar later, nadat klager daar zelf om had gevraagd, een afschrift van de akte van levering en van de depotovereenkomst heeft toegezonden. Daardoor heeft klager al die tijd in het ongewisse verkeerd over zijn (mede-) eigendom en zijn financiële situatie. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TACAKN:2018:57 Accountantskamer Zwolle 18/256 Wtra AK

    De door een medewerker van betrokkene verrichte werkzaamheden, waarvoor kennis en vaardigheden van de accountant vereist zijn, vinden hun oorsprong in de aan betrokkene verstrekte opdracht zodat betrokkene voor deze werkzaamheden tuchtrechtelijk aansprakelijk is. Dit geldt te meer nu betrokkene en de desbetreffende medewerker gezamenlijk samenstelwerkzaamheden verrichtten en stukken met vermelding van het logo van het accountantskantoor werden verzonden. Betrokkene heeft, deels via zijn medewerker, op meer punten het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden, door: - niet te toetsen of de aan de omzet- en liquiditeitsprognoses ten grondslag liggende veronderstellingen en schattingen juist en reëel waren en of de aan de financiering verbonden rente en aflossingen waren meegenomen; - niet de risico’s te benoemen die zijn verbonden aangaan van een overeenkomst, hoewel dit uit de op hem rustende zorgplicht voortvloeit en cliënt zich in privé borg diende te stellen voor de terugbetaling van de lening; - geen specificatie van de facturen te verstrekken en in deze weigering te volharden, ondanks een daartoe strekkend verzoek van de cliënt; - als tekenend accountant niet zelf de jaarrekening over 2015 met zijn cliënt te bespreken, hoewel hiertoe aanleiding was, nu de jaarrekening een negatief vermogen liet zien en daarnaast sprake was van een krappe liquiditeit met een langlopende financiering vanuit privé en een relatief zwaar negatief resultaat. - geen persoonlijk contact te hebben met (een vertegenwoordiger) van zijn cliënten voor de aanvang van de uitvoering van de opdracht. Maatregel: Berisping

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:226 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.499

    Klacht tegen psychiater. De psychiater was de behandelaar van klagers (inmiddels ex-) vriendin (verder: patiënte). Klager heeft de psychiater medio oktober 2016 ongevraagd een brief geschreven waarin hij zijn zorgen uitte over het gedrag van zijn ex-vriendin. Deze brief was door klager niet als vertrouwelijk aangemerkt. Op 5 januari 2017 heeft klager verweerder nogmaals een brief geschreven over zijn ex-vriendin die hij wel als vertrouwelijk heeft aangemerkt. De psychiater heeft beide brieven aan zijn patiënte gegeven. De patiënte heeft de brieven gebruikt bij haar aangifte van stalking door klager. Klager verwijt de psychiater dat hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden doordat hij zonder klagers toestemming de door klager aan verweerder geschreven brieven aan klagers ex-vriendin heeft gegeven. Het RTG heeft vastgesteld dat tussen klager en de psychiater geen behandelrelatie bestond. De bemoeienis van klager met de zorgrelatie tussen de psychiater en patiënte verdient geen bescherming in de zin dat hij gerechtigd zou zijn om een tuchtklacht in te dienen tegen de psychiater nu de patiënte gedurende twee maanden een relatie heeft gehad met klager en die relatie, toen patiënte bij de psychiater in behandeling kwam, reeds een maand voorbij was. Het handelen van verweerder waar de klacht op ziet heeft geen betrekking op het belang van de individuele gezondheidszorg en klager kan daarom evenmin als klachtgerechtigd worden aangemerkt op grond van de tweede tuchtnorm. Het RTG verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beroep, nu de aanvullende gronden van het beroep buiten de termijn zijn ingekomen. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klager niet-ontvankelijk in het beroep omdat de gronden van het beroep niet binnen de gestelde termijn zijn aangevuld.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:227 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.101

    Klacht tegen psychiater. Klager, geboren in 1925, is onder andere bekend met een cognitieve stoornis met gedragsverandering. Klagers zoon belde in mei 2017 met de SEH omdat de thuissituatie van klager onhoudbaar was geworden, waarna klager op de SEH werd onderzocht. De behandelend geriater vroeg de psychiater te beoordelen of er een indicatie bestond voor gedwongen opname. De psychiater concludeerde dat hiervan sprake was en gaf een geneeskundige verklaring af. Klager werd vervolgens overgeplaatst naar een bejaardentehuis. Klager is van mening dat de psychiater zich beter had moeten verdiepen in de oorzaak van zijn klachten alvorens hem gedwongen op te laten nemen. Dan had de psychiater kunnen constateren dat klagers situatie het gevolg was van een delier als gevolg van klagers blaasontsteking en was klager een gedwongen opname bespaard gebleven. Klager verwijt de psychiater: 1) dat hij klager ten onrechte gedwongen heeft laten opnemen, en; 2) dat hij medisch onzorgvuldig en ondeskundig heeft gehandeld. Het RTG heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft het oordeel van het RTG en verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:153 Raad van Discipline Amsterdam 18-420/A/NH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over verweerder in zijn hoedanigheid van deken in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:148 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 111/2018

    Klacht tegen huisarts. Het college is van oordeel dat verweerster zorgvuldig heeft gehandeld door bij zichzelf na te gaan of zij zichzelf bekwaam en bevoegd achtte om het middel PrEp voor te schrijven. Naar het oordeel van het college is het alleszins te billijken dat verweerster de beslissing heeft genomen om niet zelf deze medicatie voor te schrijven. Zij heeft klager verwezen naar andere zorgverleners deskundig op dit gebied. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:149 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 112/2018

    Klacht tegen huisarts. Klacht kennelijk ongegrond. Verweerder is slechts betrokken bij de klacht in het kader van collegiaal overleg en kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de beslissing van een collega. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:235 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-691 17-692

    Voorzittersbeslissing: klacht van klagers (bestuurders van gefailleerde onderneming) over het optreden van de faillissementscurator (verweerder sub 1) en de advocaat van verweerder sub 1 (verweerder sub 2). Naar het oordeel van de voorzitter hebben verweerders een vrijheid om een schikking te beproeven en hebben zich daarbij redelijk opgesteld jegens klagers. Niet is gebleken dat verweerders misbruik hebben gemaakt van hun positie als respectievelijk curator en advocaat. Klachten kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:224 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.018

    Klacht tegen bedrijfsarts. Klager is werkzaam als trambestuurder. Na een ziekmelding is hij gezien door de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft ingezet op situationele arbeidsongeschiktheid. Klager verwijt de bedrijfsarts dat hij A) heeft verzuimd advies in te winnen en medische informatie op te vragen bij de behandelend specialist, B) dat hij het verhaal van klager niet serieus heeft genomen en de door klager meegebrachte foto’s niet heeft bestudeerd, C) dat hij pas op 8 juni 2016 beperkingen heeft vastgesteld en heeft geweigerd de beperkingen met terugwerkende kracht per 26 mei 2016 te noteren, D) dat hij de werkgever van klager volgt en daarom geen urenbeperking heeft opgelegd ten aanzien van aangepaste werkzaamheden, E) dat hij het deskundigenoordeel van het UWV gebruikt om zijn standpunt en het standpunt van werkgever te rechtvaardigen ondanks dat de werkgever verkeerde, niet bestaande, stukken in het geding heeft gebracht bij het UWV, F) dat klager door het handelen van verweerder in conflict is geraakt met zijn werkgever en G) dat hij klager niet heeft verwezen naar de bedrijfspsycholoog. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:121 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-044

    Ongegronde klacht tegen een psychiater. Het zou beter zijn geweest indien de ontvangst van de faxen was bevestigd aan (de gemachtigde van) klager en zij/hij was geïnformeerd over de wijze van verdere behandeling van deze faxen. Dit levert geen tuchtrechtelijk verwijt op. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:218 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.052

    Klacht tegen neuroloog. Klaagster is door haar huisarts doorverwezen naar verweerder in verband met dubbelzien en geheugenstoornissen. Verweerder heeft als diagnose gesteld het syndroom van Balint op basis van een degeneratieve aandoening. Klaagster verwijt verweerder dat hij bewust een verkeerde diagnose heeft gesteld en doorverwijzing heeft geweigerd. Ook verwijt klaagster verweerder onwaarheden aan de huisarts te hebben verteld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:212 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.497

    Klacht van de inspectie tegen arts. Verweerster is basisarts en niet in het register ingeschreven als huisarts. De klacht van de inspectie houdt in dat verweerster zich begeeft op het terrein van de huisartsgeneeskundige zorg terwijl zij niet als zodanig geregistreerd staat, en voorts dat zij – kort gezegd – niet bekwaam is die huisartsgeneeskundige zorg te verlenen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht in alle onderdelen gegrond verklaard, de inschrijving van verweerster in het BIG-register doorgehaald, als voorlopige voorziening een schorsing van die inschrijving opgelegd en publicatie van de beslissing gelast. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van de arts. Nu het Centraal Tuchtcollege er ambtshalve van op de hoogte is dat de inschrijving van verweerster in het BIG-register reeds is doorgehaald omdat zij niet heeft voldaan aan de eisen voor herregistratie acht het Centraal Tuchtcollege de maatregel van een ontzegging van het recht tot herinschrijving in dat register aangewezen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:225 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.070

    Klacht tegen een huisarts. Klager verwijt de huisarts dat zij buiten zijn medeweten de batchnummers van zijn medicijnen heeft omgewisseld, waardoor klager de verkeerde medicijnen heeft gekregen en daardoor bijwerkingen in de mond, lever en nieren heeft ervaren. Ook verwijt klager de huisarts dat zij niet heeft gereageerd op brieven van klager. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TAHVD:2012:20 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 6194

    Klager is niet-ontvankelijk in zijn verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad nu hij het verzetschrift niet zo spoedig heeft ingediend als redelijkerwijs van hem verlangd kon worden.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:219 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.059

    Klaagster kent een uitgebreide medische voorgeschiedenis met trombo-embolische incidenten, als gevolg waarvan haar rechterarm verlamd is geraakt. Vanwege een verstopping van de slagader naar haar linkerarm is voorgesteld klaagster te dotteren en een stent in de armslagader links te plaatsen. Deze ingreep is door een collega-radioloog met klaagster besproken. Een week nadien heeft de aangeklaagde radioloog de ingreep uitgevoerd. Tijdens de time-out voorafgaand aan de ingreep heeft klaagster tegen verweerder gezegd dat zij een benadering via de lies wilde en niet via de linker pols, omdat haar linker arm haar enige goede arm was. Daarop heeft de radioloog uitgelegd waarom volgens hem benadering via de pols beter en veiliger was dan via de lies. De radioloog heeft de ingreep verricht via de pols. Klaagster verwijt de radioloog: 1. dat hij zonder informed consent en tegen de uitdrukkelijke wil van klaagster, hetgeen was voorbesproken, de stent via de linkerpols heeft geplaatst; 2. dat de radioloog een beroepsfout heeft gemaakt; 3.dat de behandeling onjuist is geweest en/of er onjuiste c.q. onvoldoende informatie over de behandeling is verstrekt; en 4 dat er zeer ernstige complicaties zijn opgetreden, waarvan klaagster het risico niet had geaccepteerd. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart klaagster ontvankelijk in de klacht en overweegt dat hoewel het beter was geweest als de radioloog na zijn uitleg pas aan de ingreep was begonnen na uitdrukkelijke instemming van klaagster, het College het niet verwijtbaar acht dat hij in de gegeven omstandigheden is afgegaan op stilzwijgende instemming, bestaande uit de medewerking na de uitleg. Klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege geeft aan dat het informed consent al bij de voorbespreking met de collega radioloog tot stand is gekomen en verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:116 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-056

    Gegronde klacht tegen een gz-psycholoog. De gz-psycholoog heeft de melding bij Veilig Thuis niet volgens de Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling gedaan. Zij heeft de melding louter gebaseerd op de informatie die zij van cliënte (de ex-partner van klager) kreeg en het College rekent het zwaar aan dat zij een uitspraak heeft gedaan over vermoedelijke problematiek bij klager die niet is gebaseerd op een eigen waarneming. Zij heeft de melding gedaan zonder de kinderen van klager zelf te hebben gezien of gesproken. Berisping

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:213 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.543

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:207 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.347

    Klacht tegen huisarts. De huisarts was vele jaren de huisarts van klager. In juni 2014 heeft een medewerkster van de gemeente telefonisch contact opgenomen met de huisarts in het kader van de Openbare Geestelijke Gezondheidszorg omdat de gemeente veel brieven van klager ontving. In augustus 2015 heeft een psychiater in opleiding contact met de huisarts opgenomen omdat hij informatie wilde over klager in verband met een rapportage ten behoeve van een rechtelijke machtiging. De huisarts heeft het dossier van klager op zijn verzoek eind 2015 vernietigd. De klacht van klager houdt in dat de huisarts direct had moeten ingrijpen toen hij hoorde wat de medewerkster van de gemeente en de psychiater in opleiding hem vertelden. De huisarts had hen de mond moeten snoeren. In eerste aanleg wordt de klacht ongegrond verklaard. Het beroep van klager wordt verworpen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2011:3 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 6121

    De klacht dat door traag optreden de claim tegen de arts/ziekenhuis is verjaard en dat verweerder niet reageerde op telefoontjes en brieven van klaagster, is ook in hoger beroep gegrond. Onvoorwaardelijke schorsing van 2 weken. Bekrachtiging.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:117 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-243b

    Ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. De vragenlijst die de gz-psycholoog heeft gebruikt voor het psychodiagnostisch onderzoek is gevalideerd en wordt veelvuldig binnen de beroepsgroep gebruikt. Niet gebleken dat het rapport niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:220 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.527

    Klacht tegen arts. Klager heeft bij de gemeente WMO-aanvragen gedaan. In dat kader is klager in opdracht van de gemeente door de arts gezien. Klager verwijt verweerder dat 1) de arts een medische keuring heeft uitgevoerd in een openbare ruimte, bij de opdrachtgevende gemeente, 2) Er een heftige discussie is gevoerd over het aanreiken van het medisch dossier, 3) sprake was van een “zeer intimiderend medisch onderzoek”, 4) de arts medische machtigingen heeft verstrekt die niet voldoen aan de eisen van de KNMG en dat de medische bijlagen daarbij deels verzonnen zijn, 5) keuringen zonder geldige gronden zijn afgewezen en 6) afwijzende adviezen aan de gemeente zijn verstrekt zonder klager in de gelegenheid te stellen gebruik te maken van zijn blokkeringsrecht. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege heeft het beroep verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:214 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.553

    Klacht tegen neuroloog. Klager is door zijn huisarts naar verweerder verwezen vanwege klachten van doofheid van de rechterwijsvinger en paresthesieën. Verweerder heeft een neurologisch onderzoek en een zenuwgeleidingsonderzoek (EMG) verricht bij klager en in een brief aan de huisarts een afwachtend beleid voorgesteld. Klager verwijt verweerder – kort gezegd – onjuiste diagnose en behandeling en onvoldoende onderzoek. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:208 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.419

    Klacht tegen gz-psycholoog en psychiater die in het kader van een tegen klager lopende strafzaak in opdracht van de rechtbank na klinische observatie in multidisciplinair verband een Pro Justitia dubbel-rapportage hebben uitgebracht over de geestvermogens van klager. De klacht houdt in dat de gz-psycholoog het correctierecht/het recht om bezwaren of opmerkingen te maken heeft geschonden door de door klager aan de kliniek verstrekte verklaring met bezwaren over die rapportage niet in bedoelde rapportage op te nemen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager niet-ontvankelijk verklaard op grond van het beginsel van concentratie van klachten. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klager wel ontvankelijk in de klacht overwegende dat het tuchtrecht geen (wettelijke) bepaling kent op grond waarvan een klager gehouden is zijn klachten tegen een zorgverlener alle tegelijk in één tuchtprocedure aanhangig te maken. Het Centraal Tuchtcollege overweegt voorts dat de gz-psycholoog ofwel de schriftelijke verklaring met bezwaren van klager integraal in de Pro Justitia rapportage had moeten opnemen ofwel deze aan de rapportage had moeten hechten, maar legt geen maatregel op nu de geschonden regel niet eerder zo scherp is geformuleerd en de gz-psycholoog handelde conform de toen in de observatiekliniek gebruikelijke werkwijze.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2018:66 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 17232

    De neurochirurg heeft klager niet onvoldoende geïnformeerd over de informed consent, nu het medisch dossier een brief van de neurochirurg aan de huisarts bevat waaruit valt af te leiden dat klager voorafgaand aan de operatie geïnformeerd is over de aard van de ingreep en de eventuele complicaties. Ook blijkt uit deze brief dat klager akkoord is gegaan met de voorgestelde ingreep. Omdat klager zich jaren later tot de neurochirurg heeft gewend met het verzoek om een telefonisch consult, is daarmee een behandelrelatie met klager ontstaan waarbinnen de neurochirurg gerechtigd was om informatie over klager in te winnen. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2011:4 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 6091

    Klacht tegen patroon en stagiaire. De klacht tegen de stagiaire is ongegrond omdat hij ten tijde van het verweten handelen nog geen advocaat was. De klachten tegen de patroon dat hij ten onrechte de indruk heeft gewekt dat hij bij de echtscheiding ook de belangen van klager zou behartigen, ten onrechte heeft aangegeven dat het tekenen van de akte van berusting alleen gevolgen zou hebben voor de inschrijving van de echtscheiding en niet voor de alimentantie, en dat hij, ondanks de belofte nadat hij klager de akte van berusting had laten ondertekenen, niet meer heeft gedaan om het alimentatievraagstuk in der minne op te lossen, zijn gegrond. Berisping.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:118 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-016

    Gegronde klacht tegen een huisarts. De (waarnemend) huisarts had op grond van de NHG Standaard Visusklachten meer regie moeten nemen om te zorgen dat klager binnen korte termijn door een oogarts werd gezien in verband met mouches volantes en lichtflitsen. Zij had dit duidelijker in de verwijsbrief moeten vermelden en betere instructies moeten geven aan alle betrokkenen. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:221 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.528

    Klacht tegen een gz-psycholoog. Klager en zijn ex-echtgenote hebben via hun advocaten gecorrespondeerd over de mogelijkheid hun twee kinderen te laten beoordelen door een psycholoog. Bureau Jeugdzorg stuurt de op de kinderen betrekking hebbende stukken naar de gz-psycholoog. Klager stemt niet in met deze door de moeder voorgestelde psycholoog. Op verzoek van klager stuurt de gz-psycholoog deze stukken daarom weer terug. Zij had de stukken toen al gelezen en daarover met de ex-echtgenote gesproken. Klager verwijt de gz-psycholoog o.m. dat zij zonder toestemming van beide ouders is gestart met oriënterende gesprekken en niet heeft gereageerd op door hem ingesproken voicemailberichten. Klager verwijt de gz-psycholoog voorts dat zij zonder toestemming van beide ouders en zonder de kinderen en beide ouders te hebben gesproken, schriftelijke verklaringen heeft afgelegd over o.m. het welbevinden van de kinderen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht gegrond, voor zover deze betrekking heeft op één van de schriftelijke verklaringen en waarschuwt de gz-psycholoog. Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht voor het overige af. Het Centraal Tuchtcollege bevestigt de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege, voor zover deze de klacht heeft afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:209 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.433

    Klacht tegen gz-psycholoog en psychiater die in het kader van een tegen klager lopende strafzaak in opdracht van de rechtbank na klinische observatie in multidisciplinair verband een Pro Justitia dubbel-rapportage hebben uitgebracht over de geestvermogens van klager. De klacht houdt in dat de psychiater 1) het correctierecht/het recht om bezwaren of opmerkingen te maken heeft geschonden door de door klager aan de kliniek verstrekte verklaring met bezwaren over die rapportage niet in de rapportage op te nemen, 2) heeft gehandeld in strijd met het recht op afschrift van (een deel van) het medisch dossier, door klager niet de verklaring te verstrekken die hij zelf schriftelijk heeft ingediend (en waarover hij thans zelf niet meer beschikt) noch de schriftelijke gegevens omtrent de tijdens zijn opname gehouden groepsgesprekken, 3) zich niet bereikbaar heeft opgesteld (inzake de onder 2 bedoelde verzoeken), 4) weigert medewerking te verlenen aan het indienen van een klacht bij de klachtencommissie en 5) niet beschikt over een klachtenregeling conform de Wkkgz. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel 1 op grond van het beginsel van concentratie van klachten en de klachten voor het overige afgewezen. Klager komt in beroep van de klachtonderdelen 1 en 4. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klager wel ontvankelijk in klachtonderdeel 1 overwegende dat het tuchtrecht geen (wettelijke) bepaling kent op grond waarvan een klager gehouden is zijn klachten tegen een zorgverlener alle tegelijk in één tuchtprocedure aanhangig te maken. Het Centraal Tuchtcollege overweegt voorts dat de psychiater ofwel de schriftelijke verklaring met bezwaren van klager integraal in de Pro Justitia rapportage had moeten opnemen ofwel deze aan de rapportage had moeten hechten, maar legt aan de psychiater geen maatregel op nu de geschonden regel niet eerder zo scherp is geformuleerd en de psychiater handelde conform de toen in de observatiekliniek gebruikelijke werkwijze. Voor het overige wordt het beroep verworpen.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2018:67 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 17258

    Klager had een aneurysma (AAA) van 53 mm. De vaatchirurg heeft een expectatief beleid niet met klager besproken, maar is meteen uitgegaan van een operatie. De radioloog had op grond van de CTA-scan een contra-indicatie gegeven voor een EVAR-procedure vanwege de conische hals van het aneurysma. Voorafgaand aan het gesprek met klager heeft er geen MDO plaatsgevonden. Tijdens het informed consent gesprek waren het advies en de berekeningen van de leverancier van de stent nog niet bekend en had ook de radioloog zijn visie (nog) niet gewijzigd. Klager i s daar niet op gewezen. De vaatchirurg is ook niet binnen de Instructions for Use van de leverancier gebleven. Te grote discrepantie. Berisping.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:119 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-299

    Ongegronde klacht tegen een psychiater. Het College acht het voor de hand liggend dat de administratieve verwerking door het secretariaat plaatsvindt en verzending van het rapport aan klager valt dus buiten de verantwoordelijkheid van de psychiater, geen aanwijzing voor valsheid in geschrifte. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:222 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.534

    Klacht tegen verzekeringsarts. Klager is twee maal uitgevallen voor zijn werk als meewerkend voorman schilder. Verweerder is werkzaam als verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het UWV en heeft twee rapportages over klager uitgebracht. Klagers klacht is gericht tegen de wijze van totstandkoming en de beoordeling van deze twee rapportages. Klager verwijt de verzekeringsarts samengevat dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door geen eigen onderzoek te verrichten, dat hij onzorgvuldig is omgegaan met de feiten, dat hij zich had behoren te onthouden van de tweede rapportage over klager en dat zijn handelwijze onjuist, onzorgvuldig en onrechtmatig was en in strijd met de reeds jaren vaststaande jurisprudentie. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TAHVD:2015:334 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 7574

    Verweerder heeft een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep van klager, omdat klager het beroepschrift in strijd met het Reglement van het hof niet in zevenvoud heeft ingediend. Dit beroep faalt, nu het betreffende voorschrift – dat overigens is ontleend aan art. 56 lid 3 van de Advocatenwet – slechts een orderegel bevat en geen ontvankelijkheidsvereiste is voor het hoger beroep. Het hoger beroep van klager slaagt niet. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:216 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.020

    Klacht tegen huisarts. Twee klagers hebben beiden een klacht ingediend tegen verweerder. Het Regionaal Tuchtcollege heeft over de beide klachten in één beslissing uitspraak gedaan. In deze zaak verwijt klager verweerder in de kern dat hij in het dossier van een van zijn patiënten heeft genoteerd dat klager een pornoverleden heeft, zonder dat hij klager kent. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gegrond verklaard. Ook in de zaak van de andere klager verklaart het Regionaal Tuchtcollege een klachtonderdeel gegrond en deze beide gegrondverklaringen tezamen leiden tot het opleggen aan verweerder van een waarschuwing. De huisarts komt in beide zaken tegen de gegrondverklaring in beroep. Het Centraal Tuchtcollege heeft de zaken in beroep afzonderlijk behandeld, vernietigt in deze zaak de beslissing in eerste aanleg en verklaart de klacht alsnog ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2009:2 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 5260

    De klacht van de deken dat de publiciteitsuiting van verweerder niet in overeenstemming is met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt en dat het gebruik van het visitekaartje het vertrouwen in de advocatuur schaadt, is ook in hoger beroep gegrond. Waarschuwing. Bekrachtiging.

  • ECLI:NL:TAHVD:2013:377 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 6530

    Klacht tegen deken dat hij klaagster ongemotiveerd heeft uitgesloten van rechtsbijstand door haar verzoek tot aanwijzing van een advocaat niet in behandeling te nemen. Nu de deken, na het verzoek om aanwijzing van een advocaat aanvankelijk buiten behandedingen te hebben gsteld, klaagster alsnog in de gelegenheid heeft gesteld een verzoek tot aanwijzing van een advocaat in te dienen, dat verzoek in behandeling is genomen en op dat dat verzoek een uitvoerig gemotiveerd beslissing is gegeven, kan alleen al daarom niet worden geoordeeld dat de deken zich zodanig heeft gedragen dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad en is van tuchtrechtelijk handelen geen sprake. Klacht ongegrond. Bekrachtiging.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:210 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.346

    Klacht tegen oogarts. Bij klager is vanwege een netvliesloslating een plombe in het oog geplaatst. Toen klager later oogproblemen heeft verweerder voor wat betreft het al dan niet verwijderen van de plombe een afwachtend beleid gevoerd. Tien maanden na het laatste consult bij verweerder is de plombe verwijderd. Met zijn klacht verwijt klager verweerder in de kern dat hij na het verwijderen van de plombe op verschillende momenten heeft verzwegen dat hij eerder naar aanleiding van de door klager gemelde problemen aan zijn oog onjuist zou hebben gehandeld door een afwachtend beleid te voeren. Het Regionaal heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Nu het afwachtende beleid van de oogarts bij het Centraal Tuchtcollege geen vragen oproept oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat de eerste vier klachtonderdelen bij gebrek aan feitelijke grondslag dienen te worden afgewezen. Het beroep van klager wordt daarom verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:223 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.545

    Klacht tegen bedrijfsarts. Klager heeft zich ziek gemeld vanwege klachten van overspanning en burn-out. Klager is na zijn ziekmelding begeleid door de bedrijfsarts. Klager verwijt verweerder dat hij 1) niet heeft gehandeld volgens de professionele standaard, zoals beschreven in de relevante richtlijnen, 2) een onjuiste c.q. geen diagnose heeft gesteld, 3) de diagnose van klagers behandelend psychiater heeft gemarginaliseerd en genegeerd, 4) onjuiste adviezen heeft gegeven ten aanzien van de behandeling en re-integratie van klager, 5) onvolledige en onjuiste rapportages en verklaringen heeft afgegeven, 6) dat hij de wettelijke meldingsplicht beroepsziekten niet heeft nageleefd, 7) dat hij op enig moment grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond, en 8) dat hij in een telefoongesprek met de verzekeringsarts onwaarheden heeft verteld over klager, zijn werk en zijn gezondheid en klager in een kwaad daglicht heeft gesteld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht op alle onderdelen ongegrond verklaard en afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege heeft het beroep verworpen.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:120 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-030

    Ongegronde klacht tegen een psychiater. De psychiater is op goede gronden uitgegaan van de diagnose schizofrenie, behandeling met antipsychotica is passend bij de diagnose. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:217 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.050

    Klacht tegen oogarts. Klager heeft diverse hoorntransplantaties aan zijn linkeroog ondergaan. Na een door verweerder verrichte hoornvliestransplantatie in 2012 is klager, een dag na de operatie en nog tijdens zijn ziekenhuisopname, buiten bewustzijn geraakt en op de geopereerde zijde van zijn gezicht gevallen. Door de val is de operatiewond opengesprongen en is een bloeding achter het netvlies ontstaan. Klager is vervolgens met spoed geopereerd, onder ander door verweerder. Klager verwijt verweerder dat hij klager tweemaal een hoge dosis Diamox heeft gegeven. Volgens klager is er de dag na de operatie onvoldoende toezicht gehouden en is hij onvoldoende begeleid. Tevens verwijt klager verweerder dat hij na de val te lang allen is gelaten met een gewond en onbeschermd oog. Tot slot maakt klager verweerder het verwijt dat de verslalegging in de status niet juist is. Datzelfde geldt voor de weergave van het ongeluk door de klachtencommissie. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:211 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.461

    Klacht tegen neuroloog. Klager werd in een periode van vier jaar meerdere keren door verweerder op het spreekuur gezien, aanvankelijk in verband met hoofdpijnklachten, toen een lange periode niet en uiteindelijk vanwege wegrakingen. Omstreeks dit laatste consult heeft verweerder zijn praktijk beëindigd. Klager verwijt verweerder dat hij onjuiste diagnoses heeft gesteld en ten onrechte medicatie heeft voorgeschreven. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager deels niet-ontvankelijk verklaard en de klacht voor het overige als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TNORARL:2018:25 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/330660 KL RK 17-208

    Klager vertegenwoordigt de belangen van diverse leden van de familie X. De familie X heeft in 1981 circa 46 ha grond in eigendom overgedragen aan Y. In die akte stonden een aantal bijzondere bepalingen opgenomen. De gronden die Y in 1981 van X heeft gekocht zijn op 8 december 2014 middels een akte van toedeling kavelruil, gepasseerd ten overstaan van de notaris, toebedeeld aan de CV. Klager is van mening dat de notaris zijn ministerie had moeten weigeren ten aanzien van de akte van 8 december 2014. Subsidiair is klager van mening dat de notaris meer onderzoek had moeten verrichten en meer subsidiair dat de notaris eerst had bij X had moeten nagaan of alle verplichtingen voortvloeiend uit de akte uit 1981 waren vervuld. De kamer is van oordeel dat de kavelruil een grote transactie betrof die met de grootst mogelijke aandacht en zorgvuldigheid voorbereid diende te worden. Bij de voorbereiding van de kavelruil kwam de akte uit 1981 aan bod. De akte uit 1981 betreft een complexe akte met een aantal bijzondere bepalingen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn. De kamer rekent het de notaris aan dat hij, ondanks dat de bepalingen in de akte uit 1981 voor meerdere uitleg vatbaar waren en zonder hierover navraag te doen bij Y, de conclusie heeft getrokken dat de bepalingen onder H in de akte uit 1981 in samenhang dienden te worden gelezen met de bepalingen onder A en B in de betreffende akte. Hierdoor is de notaris onvoldoende nagegaan of hij in het belang van derden meer onderzoek had moeten doen waar het gaat om de bepalingen onder H. Het onderzoek door de notaris is gestopt na antwoord van Y over sub A en B, waarna de notaris wat betreft sub H zijn eigen idee heeft gevormd, zonder dit, allereerst bij Y te verifiëren. De notaris is daarom ook niet toegekomen aan een afweging over het al dan niet raadplegen van klager en het vragen van toestemming van Y daarvoor. Daarom komt de kamer tot het oordeel dat de notaris onvoldoende zorgvuldig en derhalve tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De kamer verklaart dit klachtonderdeel gegrond en legt de notaris de maatregel van waarschuwing op.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:173 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-691 17-692

    Verzetbeslissing. De curator heeft mogen handelen zoals hij heeft gedaan. De curator behoeft de toestemming van de rechter-commissaris voor het verrichten van rechtshandelingen waaronder het treffen van een regeling maar er bestaat geen verplichting om in elke stand van de onderhandelingen die de curator met een wederpartij voert met de rechter-commissaris overleg te plegen, te meer niet als, zoals in dit geval, de rechter-commissaris voorafgaand aan de onderhandelingen is betrokken en daarbij zijn goedkeuring heeft gegeven aan de in dat verband aan te houden kaders. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRGRO:2018:45 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2018/34

    Klacht tegen arts/apotheker in zijn hoedanigheid van expert in een strafzaak. Verweerder wordt verweten dat hij zich onnodig grievend heeft uitgelaten over zijn collega expert in contra-expertise. De vraag is of sprake is van handelen in strijd met de tweede tuchtnorm. Hiervan is sprake als de gedraging weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg. Dit kan het geval zijn als de grievende uitlatingen in het openbaar zijn gedaan. Het college oordeelt dat hiervan in onderhavige zaak sprake was omdat de uitlatingen van verweerder tijdens een openbare strafzaak naar voren zijn gebracht. Klager is derhalve ontvankelijk. Dan rijst de vraag of het handelen van verweerder de toets aan de norm van artikel 47 lid 1 sub b Wet BIG kan doorstaan. Het college beantwoordt die vraag bevestigend. Verweerder en klager zijn beiden in een strafzaak als deskundigen benoemd. Verweerder heeft op het rapport van klager gereageerd in een brief aan de rechtbank. Dit stuk behelst de uitlatingen waarop de klacht in deze procedure ziet. De uitlatingen van verweerder en de setting waarin verweerder die heeft gedaan dienen in de context te worden beschouwd van de strafzaak en de in dat verband eerder gedane uitlatingen van klager in zijn rapportage in reactie op de rapportage van verweerder. Klager heeft zich in zijn rapportage meerdere malen denigrerend en onnodig diskwalificerend uitgelaten over de conclusies en de persoon van verweerder. Daarmee heeft klager het vertrouwen van de justitiabelen en de rechtstreeks bij het strafproces betrokken partijen in verweerder als gerechtelijke deskundige ondermijnd. Het college heeft in deze context dan ook begrip voor het feit dat verweerder op deze uitlatingen van klager ter zitting heeft willen reageren en in dat verband bovendien de behoefte heeft gevoeld de rechtbank – gelet op de ernst en aard van de strafzaak - te informeren over de hoedanigheid en (beperkte) kundigheid van klager in de betreffende strafzaak te rapporteren. Conclusie: klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:174 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-786

    Verzetbeslissing. De verzetgronden zijn nieuwe bezwaren tegen het optreden van verweerster die door de deken niet als klacht zijn aangewezen. De raad kan deze nieuwe bezwaren niet in behandeling nemen. Het verzet is beperkt tot de klachtonderdelen die in de voorzittersbeslissing zijn beoordeeld. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:175 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-300

    Tussenbeslissing waarin de raad de klacht terugverwijst naar de deken voor nader onderzoek. Om te kunnen beoordelen of sprake is geweest van het ontijdig en/of ten onrechte treffen van rechtsmaatregelen tegen klaagster (als voormalig cliënt) moet worden onderzocht wanneer volgens verweerder sprake was van opeisbaarheid van de vordering en of verweerder mocht overgaan tot het incasseren hiervan. Terugverwijzing naar een andere deken dan de deken die de klacht heeft onderzocht om elke schijn van partijdigheid uit te sluiten.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:147 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 127/2018

    Klacht van de inspectie tegen een verloskundige met betrekking door de verloskundige verleende zorg inzake een zorgvraag vallend onder de Leidraad ‘Verloskundige zorg buiten richtlijnen’ (een stuitbevalling in de thuissituatie). De klacht wordt in alle onderdelen gegrond verklaard. Volgt ontzegging van het recht wederom in het BIG-register te worden ingeschreven.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:172 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-889

    Dekenbezwaar betreft handelen van advocaat in hoedanigheid van curator. In verband daarmee loopt tegen de advocaat een strafrechtelijk onderzoek. Verweerder verweert zich tegen de dekenbezwaren maar wil niet inhoudelijk op de dekenbezwaren ingaan. Als verweerder zaken naar voren brengt kan hij zich incrimineren. Ter zitting doet verweerder de toezegging om afspraken te maken met als thema dat hij zich voorlopig niet op het tableau laat inschrijven. Om deze zaak goed te kunnen beoordelen en daaraan het tuchtrechtelijk gevolg te kunnen geven dat bij de zaak past, oordeelt de raad van belang om over zoveel mogelijk feiten te kunnen beschikken. De raad geeft een tussenbeschikking en verwijst de zaak voor aanvullend onderzoek terug naar de deken met verzoek over enige tijd te rapporteren over de verdere ontwikkelingen en het standpunt van partijen.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:165 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-033

    Gegronde klacht tegen een specialist ouderengeneeskunde. De IGJ heeft geklaagd over euthanasie bij een demente patiënte in een verpleeghuis. Aanleiding hiervoor was het oordeel van de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie (RTE) dat de euthanasie op onderdelen niet zorgvuldig was geweest. Het College is het hier grotendeels mee eens. De schriftelijke wilsverklaring was in dit geval niet in orde en de arts had moeten proberen om de uitvoering van de levensbeëindiging tevoren met patiënte te bespreken. Aan de arts, die zich open en toetsbaar heeft opgesteld, is een berisping opgelegd.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:160 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-958

    Klacht van geschrapte oud-advocaat tegen verweerster, in haar hoedanigheid van (voormalig) lid van de Raad van de Orde, ongegrond. Dat verweerster zich tijdens een kantoorbezoek aan klager (toen nog advocaat) heeft misdragen en onder meer dit tot de schrapping van klager heeft geleid, heeft de raad niet kunnen vaststellen.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:167 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 18-280

    Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat wederpartij kennelijk ongegrond. Verweerster heeft geen feiten geponeerd waarvan zij de onwaarheid kende of redelijkerwijs had moeten kennen. Voorts is zij niet onzorgvuldig met de belangen van klaagster omgegaan.