Zoekresultaten 13901-13950 van de 48197 resultaten

  • ECLI:NL:TADRSHE:2021:60 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 21-038/DB/OB

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen advocaat wederpartij. Niet gebleken dat verweerster heeft klagers belangen onnodig en onevenredig heeft geschaad door conservatoir beslag te leggen, noch dat zij in het beslagrekest onwaarheden heeft vermeld en aldus de voorzieningenrechter onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2021:68 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/009

    Klager verwijt verweerster dat haar uitlatingen via sociale media en televisie over de noodzaak van (kort gezegd) het doen van PCR-testen bij kinderen schadelijk zijn voor kinderen en leiden tot bangmakerij. De klacht is kennelijk niet-ontvankelijk omdat de aangehaalde uitspraken en uitlatingen van beklaagde geen betrekking hebben op een specifiek persoon en de bevordering of bewaking van diens gezondheid. De verweten gedragingen hebben onvoldoende weerslag op de individuele gezondheidszorg en vallen niet onder de tweede tuchtnorm. Niet-ontvankelijk

  • ECLI:NL:TADRSHE:2021:61 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 21-133/DB/LI

    Voorzittersbeslissing. Klacht over voormalig advocaat. Executie bevel tot betaling eigen bijdrage. Verweerder kan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt van het feit dat hij bij uitblijven van betaling de deurwaarder heeft verzocht om tot executie van de beschikking van de rechtbank over te gaan. Klachtonderdeel 1 is kennelijk ongegrond. Hoewel verweerders reactie op de klacht buiten de door de deken bij e-mail van 5 augustus 2020 gestelde termijn van drie weken heeft plaatsgevonden, heeft verweerder wel binnen de op basis van de interne klachtenregeling van verweerders kantoor geldende termijn van een maand gereageerd. De klacht dat verweerder de opdracht van de deken niet heeft uitgevoerd door de klacht niet intern te behandelen mist naar het oordeel van de voorzitter dan ook feitelijke grondslag. Ook klachtonderdeel 2 is dan ook kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2021:62 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 21-067/DB/ZWB

    Advocaat heeft als oud-collega in procedure tussen klager en zijn voormalige kantoor een verklaring afgelegd. Niet gebleken dat die advocaat valse informatie aan de kantonrechter heeft verstrekt. Advocaat voelde zich gegriefd door de inhoud van een brief van klager aan de kantonrechter. Het stond die advocaat vrij daarover een klacht bij de deken in te dienen.

  • ECLI:NL:TNORARL:2020:37 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/367793 / KL RK 20-32

    1)Uit de aantekeningen van de notaris volgt dat de notaris bij haar werkzaamheden in deze zaak wel degelijk het Stappenplan gevolgd heeft. De omstandigheid dat er in deze zaak weinig tijd was tussen het eerste, het tweede en het passeergesprek met erflaatster volgt uit de medische toestand van erflaatster. Geen grond aan te nemen dat wilsbekwaamheid onzorgvuldig zou zijn beoordeeld. 2) De kamer is van oordeel dat de notaris een plausibele verklaring geeft voor de aanpassing van de passeerdatum in het CTR, die ook volledig aansluit op de feiten zoals klager die stelt. 3) De notaris stelt weliswaar terecht dat zij de instemming van de zoon van klager/executeur van het testament nodig had om klager een volledig afschrift van het testament te kunnen verstrekken, maar voor het vragen van deze toestemming - waardoor de zoon van klager op dat moment bekend werd met klagers belangstelling voor het testament - had de notaris in dit geval eerst toestemming moeten vragen aan klager.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2021:59 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 21-040/DB/OB

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen advocaat wederpartij. Nu niet is gebleken dat verweerster bij het behartigen van de belangen van H Advocaten de grenzen van de aan haar, in haar hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden, zal de voorzitter de klachtonderdelen 1, 2, 3 en 5, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk onderdelen kennelijk ongegrond verklaren. Klager heeft bij e-mail d.d. 7 augustus 2019 bij de deken geklaagd over gedragingen die op 7 augustus 2015 en 2 februari 2016 hebben plaatsgevonden, zodat de in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet genoemde termijn is verstreken en klachtonderdeel 4 niet-ontvankelijk wordt verklaard. Omdat klachtonderdeel 6 ziet op vermeend handelen van mr. W kan klager niet in dit klachtonderdeel worden ontvangen. De voorzitter zal dit klachtonderdeel met toepassing van artikel 46j lid 1 sub b Advocatenwet kennelijk niet-ontvankelijk verklaren.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2021:55 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 20-598/DB/OB

    De raad is van oordeel dat de voorzitter bij de beoordeling van de klacht het juiste beoordelingscriterium heeft gehanteerd en acht heeft geslagen op alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. De raad is voorts van oordeel dat de voorzitter terecht en op juiste gronden toepassing heeft gegeven aan artikel 46j lid 1 sub c Advocatenwet, op grond waarvan de klacht zonder voorafgaande mondelinge behandeling bij beslissing van de voorzitter kan worden afgedaan. Nu het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter ook overigens geen nieuwe gezichtspunten oplevert is er geen plaats voor verder onderzoek naar de klacht en moet het verzet ongegrond worden verklaard. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2021:56 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 20-982/DB/OB

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen advocaat wederpartij. Verweerder heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door zonder aankondiging conservatoir beslag te doen leggen. Klager verwijt verweerder voorts dat deze heeft geweigerd om het beslag op het bedrag dat de vermeende vordering van zijn cliënte overstijgt op te heffen. Naar het oordeel van de voorzitter mist dit klachtonderdeel feitelijke grondslag. Immers, naar aanleiding van het verzoek van klagers advocaat om tot opheffing over te gaan heeft verweerder aan klagers advocaat kenbaar gemaakt onder welke voorwaarden zijn cliënte bereid was om tot opheffing over te gaan. Dat klagers advocaat niet op dat voorstel heeft gereageerd kan verweerder niet tuchtrechtelijk worden aangerekend. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat verweerders cliënte niet gehouden was om de beslagen op te heffen. Derhalve valt niet in te zien op grond waarvan verweerder de gelegde beslagen (deels) had moeten opheffen. Tot slot is niet gebleken dat verweerder zich schandalig heeft opgesteld en een advocaat onwaardig gedrag heeft vertoond. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2021:57 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 21-042/DB/OB

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen advocaat in hoedanigheid van managing-partner. Klacht deels niet-ontvankelijk op grond van het verstrijken van de termijn als bedoeld in art. 46g Advocatenwet. Klacht voor het overige kennelijk ongegrond nu niet is gebleken dat verweerder zich bij de vervulling van diens andere hoedanigheid zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is ondermijnd.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2021:58 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 21-043/DB/OB

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen advocaat in hoedanigheid van managing-partner. Klacht kennelijk ongegrond nu niet is gebleken dat verweerder zich bij de vervulling van diens andere hoedanigheid zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is ondermijnd.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:53 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200228

    Anders dan de raad acht het hof een klachtonderdeel niet-ontvankelijk wegens tijdsverloop. Een ander klachtonderdeel, betreffende het niet nakomen van een door de beklaagde advocaat met klager gemaakte verrekeningsafspraak is gegrond. Verweerder was niet de advocaat van klager, hoewel de belangen van klager en de cliënten van verweerder deels parallel liepen. Het hof hanteert de maatstaf van de advocaat van de wederpartij. De ongegrondverklaring door de raad van het laatste klachtonderdeel over bejegening wordt bekrachtigd.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:54 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200225

    Bekrachtiging beslissing raad. Waarschuwing omdat verweerder geen stukken voor klager had mogen achterhouden op het moment dat hij nog geen declaratie had opgesteld en dus ook nog geen betalingstermijn was gaan lopen, laat staan verstreken.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:55 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200230

    Klacht over de advocaat van de wederpartij ongegrond. bekrachtiging beslissing raad.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:56 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200220

    Beslissing van de raad op klacht tegen eigen advocaat over kwaliteit van de dienstverlening in een strafzaak wordt grotendeels bekrachtigd. Verwijt dat een (het hof onbekende brief) niet zou zijn overgelegd in een procedure ongegrond. Geen tuchtrechtelijke verwijtbaarheid na onttrekking door verweerder, ook al was dat wel erg kort voor de zitting. Dat verweerder klager een cassatieschriftuur niet op voorhand in concept heeft toegezonden is wel tuchtrechtelijk verwijtbaar. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:41 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 100/2020

    Klacht van een zorgverzekeraar over onjuist declareren door beklaagde, tandarts (destijds met specialisme kaakchirurgie). Klacht gegrond, doorhaling en schorsing bij wijze van voorlopige voorziening.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:42 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 102-2021

    Klacht van een zorgverzekeraar over onjuist declareren door beklaagde, tandarts (destijds met specialisme kaakchirurgie en het niet meewerken aan een (fraude-)onderzoek van de verzekeraar. Klacht gegrond, doorhaling en schorsing bij wijze van voorlopige voorziening.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2021:39 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2020/242

    Klaagster verwijt de huisarts dat zij 1) nalatig is geweest, 2) de verkeerde diagnose heeft gesteld, 3) (de klachten van) klaagster niet serieus heeft genomen en 4) te laat actie heeft ondernomen. De huisarts betwist dat zij klaagster niet serieus heeft genomen. Het is juist dat de huisarts de diagnose heeft gemist, maar de huisarts betwist dat zij hierdoor tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten. De huisarts betreurt het dat zij klaagster niet eerder heeft doorverwezen. In retrospectie, met de wetenschap van nu, had zij dat liever eerder gedaan. De huisarts begrijpt dat klaagster van mening is dat zij (te) laat actie heeft ondernomen. De huisarts voelt zich schuldig maar meent te hebben gehandeld zoals van een redelijk bekwaam handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. De huisarts verzoekt het college de klachten af te wijzen als (kennelijk) ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:43 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 131/2020

    Klacht over verloskundige. Klaagster verwijt beklaagde o.a. dat zij haar geen goede zorg heeft geboden en haar niet met respect heeft behandeld. Klaagster, op het moment van het eerste contact met de praktijk van beklaagde 27 weken zwanger, werd tot dan toe niet begeleid door een verloskundige. Zij had een afwijkende zorgbehoefte. Beklaagde maakte zich zorgen omdat de zwangerschap tot dan toe onbegeleid was verlopen. Zij had bij een eerdere zwangerschap een keizersnee gekregen, zonder dat beklaagde bekend was waarom. Klaagster was terughoudend informatie te geven en wilde eerder gemaakte echo’s niet geven. Er vindt één thuisbezoek plaats waar geen bijzonderheden worden vastgesteld. Klaagster zegt een vervolgafspraak af en laat weten niet verder te willen met de praktijk van beklaagde. Beklaagde legt de casus geanonimiseerd ter advies voor aan Veilig Thuis (VT). Vervolgens mailt zij klaagster met de boodschap dat zij zich verplicht acht melding te doen bij VT als klaagster niet vertelt wie de opvolgend verloskundige is. Het college oordeelt dat beklaagde onvoldoende oog heeft gehad voor de wensen van klaagster bij zwangerschapsbegeleiding. Het thuisconsult gaf geen aanleiding tot zorgen. Ze had klaagster moeten spreken i.p.v. mailen. Meldcode kindermishandeling niet goed gevolgd. Geen plicht tot melding. Klacht gedeeltelijk gegrond, waarschuwing.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2021:3 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2020/36 en 37

    Klaagster verwijt de notarissen dat zij met een beroep op hun geheimhoudingsplicht weigeren om inzage te verlenen in de aantekeningen die zijn gemaakt bij het opmaken/passeren van erflaters testament. De kamer heeft de klachten ongegrond verklaard. Op grond van artikel 22 lid 1 Wna is een notaris in beginsel verplicht tot geheimhouding van alle informatie waarvan hij/zij uit hoofde van zijn/haar werkzaamheden als zodanig kennis neemt. De vraag hoe ver de geheimhoudingsplicht van een notaris zich uitstrekt, wordt in beginsel door de betrokken notaris zelf beantwoord. Immers, alleen de notaris kan precies beoordelen of bepaalde gegevens onder zijn verschoningsrecht vallen. De (tucht)rechter moet het beroep van de notaris op diens verschoningsrecht aanvaarden zolang hij aan redelijke twijfel onderhevig acht of verstrekking van de gevraagde gegevens zou kunnen geschieden zonder dat (tegenover klaagster) geopenbaard wordt wat verborgen dient te blijven. De kamer heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat notaris 1 - die als kandidaat-notaris betrokken was bij het opmaken van het testament en later het protocol van de oud-notaris heeft overgenomen en ook met betrekking tot hetgeen vóór zijn ambtsperiode werd toevertrouwd en aan de bij zijn protocol behorende archieven werd toegevoegd een geheimhoudingsplicht heeft - zich in de gegeven omstandigheden ten onrechte op zijn geheimhoudingsplicht jegens klaagster beroept. Ten aanzien van notaris 2 overweegt de kamer dat de opgevraagde aantekeningen niet tot haar protocol behoren en dat zij reeds hierom niet bevoegd is klaagster inzage te verlenen in de aantekeningen en/of kopieën van deze aantekeningen aan klaagster te verstrekken.

  • ECLI:NL:TNORARL:2021:6 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/377342 KL RK 20-115

    De notaris heeft naar het oordeel van de kamer tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld met betrekking tot de derdengeldenrekening. De notaris heeft met zijn handelen bewust een bewaringstekort gecreëerd en dit niet ter stond aangezuiverd. Bovendien heeft de notaris het ontstane tekort niet onverwijld en volledig gemeld aan klager. Voorts zijn structurele onzorgvuldigheden geconstateerd ten aanzien van de financiële administratie. Op een gedeelte van deze onzorgvuldigheden is de notaris eerder door klager gewezen. Ook heeft de notaris het uitleenverbod geschonden. De kamer heeft de notaris de maatregel van ontzetting uit het ambt opgelegd en dit als volgt gemotiveerd. Het gerechtshof Amsterdam heeft meermaals het uitgangspunt geformuleerd dat een inbreuk op de bewaringsplicht in beginsel leidt tot ontzetting uit het ambt, tenzij de omstandigheden van het specifieke geval aanleiding geven van dit uitgangspunt af te wijken. Naar het oordeel van de kamer zijn alleen al de feiten ten aanzien van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de notaris met betrekking tot de derdengeldenrekening zo ernstig dat ontzetting uit het ambt, overeenkomstig het hiervoor genoemde uitgangspunt, op zijn plaats is. De kamer licht dit hierna toe. De kamer stelt voorop dat de notaris in de maatschappij een positie bekleedt die mede is gegrond op vertrouwen in zijn ambt. Voor dat vertrouwen is onder meer voorwaarde dat de notaris zeer zorgvuldig omgaat met de hem toevertrouwde gelden en deze te allen tijde daadwerkelijk beschikbaar heeft. Een notaris moet dus onmiddellijk en zonder enige beperking over deze derdengelden kunnen beschikken. Door gelden van de derdengeldenrekening te gebruiken voor privédoeleinden, terwijl de notaris wist dat hierdoor onmiddellijk een bewaringstekort zou ontstaan, heeft de notaris willens en wetens gehandeld in strijd met zijn wettelijke verplichtingen. Dit handelen heeft op meerdere momenten plaatsgevonden. Desondanks is de notaris niet tot inkeer gekomen. Ook structureel is sprake van onzorgvuldig beheer van derdengelden. Op meerdere punten voldoet de notaris met zijn financiële administratie niet aan de geldende wet- en regelgeving, die er op gericht is om de belangen van derden te beschermen. Dit klemt te meer nu klager in 2014 en 2015 reeds onderzoek heeft gedaan en de bevindingen daaruit in een norm-overdragend gesprek met de notaris heeft besproken. Desondanks heeft de notaris geen dan wel onvoldoende verbeteringen doorgevoerd en heeft klager in het onderzoek van 2020 deels dezelfde bevindingen geconstateerd als in de onderzoeken uit 2014 en 2015. De notaris heeft met zijn handelen de belangen van derden onvoldoende gewaarborgd en het vertrouwen van de maatschappij in het notariaat in ernstige mate geschaad. De notaris heeft weliswaar enkele verbetermaatregelen doorgevoerd, maar de kamer acht deze, gelet op de ernst van de verwijten, onvoldoende. Daarbij weegt de kamer mee dat het verweer en de houding van de notaris bij de behandeling van de klacht niet duiden op besef van zijn verantwoordelijkheid als notaris. De notaris lijkt het laakbare van zijn handelen niet althans onvoldoende in te zien, hetgeen de kamer hem ernstig aanrekent. Op grond van het voorgaande komt de kamer dan ook tot de slotsom dat ter bescherming van het maatschappelijk vertrouwen in de integere en zorgvuldige vervulling van het notarisambt het noodzakelijk is de notaris de maatregel van ontzetting uit het ambt op te leggen.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2021:54 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 20-754/DB/ZWB

    Raadsbeslissing. Klacht tegen advocaat wederpartij. Verweerster heeft in haar verweer naar voren gebracht dat niet zij, maar de man, het onderzoeksbureau I B.V. heeft ingeschakeld en de opdracht heeft verstrekt aan het bureau om een rapport op te stellen. Uit de aan de raad overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is de raad niet gebleken dat verweerster opdracht heeft gegeven tot, dan wel op enigerlei wijze betrokken is geweest bij, het vergaren van informatie, noch dat zij het onderzoeksbureau heeft ingeschakeld of de zoon heeft aangezet om informatie te vergaren. De raad is dan ook van oordeel dat de verwijten dat de zoon door toedoen van verweerster in een loyaliteitsconflict is gebracht, dat dit loyaliteitsconflict door toedoen van verweerster is verergerd en dat zij de man ervan had moeten weerhouden om via de zoon informatie te vergaren, feitelijke grondslag missen. De door het bureau verrichte observaties kunnen voorts niet als “stalking” worden gekwalificeerd. Ook het verwijt dat verweerster goedkeuring heeft verleend aan stalking van de huidige partner van klaagster, diens kinderen en de zoon mist feitelijke grondslag. Het stond verweerster vrij om ter onderbouwing van het verzoek van haar cliënt de van haar cliënt verkregen informatie ter onderbouwing van het verzoek in het geding te brengen. Klacht in alle onderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2021:20 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 2091

    Klacht tegen een verweerster die een registratie heeft als verpleegkundige, die als zodanig werkzaam is binnen de instelling en tevens werkzaam als systemisch - en psychosociaal therapeut. In de relatie met klaagster is verweerster opgetreden in de hoedanigheid van therapeut. Het college is van oordeel dat klaagster ontvankelijk is in haar klacht. Verweerster wordt onder meer verweten dat: 1) zij haar (privé)gevoelens met klaagster, als cliënt, heeft gedeeld, terwijl klaagster nog bezig was met relatietherapie. Klaagster had nooit willen weten dat verweerster liefdesgevoelens voor haar ex-partner had gekregen. Klaagster vindt dat erg onprofessioneel en er is geen rekening gehouden met haar kwetsbare psychische staat van zijn op 26 juni 2020; 2) zij na het ontdekken van haar gevoelens niet meteen de behandeling met klaagster heeft stopgezet, maar zeker nog één therapie aan klaagster heeft gegeven; Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht deels ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2021:21 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 20135

    Klacht tegen een verpleegkundige. De inspectie verwijt de verpleegkundige dat zij heeft gehandeld in strijd met de professionele grenzen door een (seksuele) relatie aan te gaan met een cliënt kort na het eindigen van de zorgrelatie die zij met hem had. Zij had de cliënt leren kennen in het kader van de zorg die zij als verpleegkundige bij de instelling aan de cliënt verleende. Ondanks dat zij zich bewust was van de professionele normen heeft zij ervoor gekozen een relatie aan te gaan met de cliënt zonder daarbij de vereiste afkoelingsperiode in acht te nemen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht gegrond en legt aan verweerster op de maatregel van schorsing van de inschrijving in het BIG-register voor de duur van zes maanden, met bepaling dat deze schorsing niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij het bevoegde regionale of centraal tuchtcollege later anders mocht bepalen op grond dat verweerster voor het einde van de proeftijd van twee jaren zich schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg

  • ECLI:NL:TADRSHE:2021:51 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 20-765/DB/ZWB

    Raadsbeslissing. Klacht tegen advocaat wederpartij. Vast staat dat verweerder in zijn e-mail d.d. 7 november 2019 aan de deken heeft verklaard dat hij “de inhoud van de confraternele correspondentie niet betwist”. Tevens staat vast dat klaagster sub 2 en C B.V. al geruime tijd twisten over de vraag of een finale overeenstemming over de beëindiging van hun samenwerking is tot stand gekomen. Verweerder heeft namens zijn cliënten het standpunt ingenomen dat weliswaar in 2016 is gecorrespondeerd, maar dat geen overeenstemming is bereikt. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft verweerder gesteld dat C B.V. in de onderhandelingen een nadrukkelijk voorbehoud heeft gemaakt, inhoudend dat het relatie- en concurrentiebeding van kracht moest blijven, welk voorbehoud door klaagster sub 2 niet werd geaccepteerd. De raad is van oordeel dat deze vaststaande feiten niet tot de conclusie leiden dat verweerder bewust onjuiste informatie heeft verstrekt. De raad kwalificeert het optreden van verweerder niet als handelen in strijd met gedragsregel 8 omdat het hier niet gaat om het verkondigen van evident feitelijke onjuistheden, maar om het naar voren brengen van het standpunt van zijn cliënten over een juridisch twistpunt. . Klaagster sub 2 is wegens het ontbreken van een rechtstreeks eigen belang niet-ontvankelijk in de klacht over schending van gedragregel 24. Klager sub 1 is wel ontvankelijk in dit klachtonderdeel, maar de klacht is ongegrond. Dat verweerder het indienen van een tuchtklacht bij klager sub 1 heeft aangekondigd maakt niet dat sprake is van “dreigen”, zoals door klager gesteld. Klachtonderdelen 1 en 2 ongegrond. Klachtonderdeel 3 deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2021:46 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2020/282

    De IGJ verwijt de verpleegkundige dat hij professionele grenzen heeft geschonden door 1) met een patiënt tijdens de behandelrelatie een (langdurige) vriendschappelijke relatie aan te gaan en 2) leningen van die patiënt in ontvangst te nemen, te vragen hem nogmaals geld te lenen (zelfs nadat hij door de zorgaanbieder op non-actief was gesteld) en bij die patiënt - na afwijzing van zijn verzoek - daarop aan te dringen. De verpleegkundige heeft, ondanks toezeggingen, het geleende geld aan die patiënt niet terugbetaald. Enkele jaren eerder was er al een dringend advies van de inspectie jegens de verpleegkundige zijn professionele grenzen te bewaken als hij weer in de zorg zou gaan werken. De verpleegkundige heeft inmiddels zijn registratie als verpleegkundige in het BIG-register laten doorhalen. De inspectie verzoekt de klacht gegrond te verklaren en als maatregel op te leggen een ontzegging van het recht wederom als verpleegkundige in het register te worden ingeschreven. Gegrond

  • ECLI:NL:TADRSHE:2021:52 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 20-772/DB/ZWB/D

    Dekenbezwaar. Verweerder heeft niet binnen de gestelde termijn de CCV-opgave gedaan en heeft in het jaar 2019 niet aan de opleidingsverplichting voldaan. Berisping. Proceskostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2021:47 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2020/121

    Klager dient een klacht in tegen een huisarts met onder andere het verwijt dat hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden door te spreken over klager met iemand van het wijkteam zonder toestemming van klager. Verweerder voert verweer. Gegrond, waarschuwing

  • ECLI:NL:TADRSHE:2021:53 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 20-908/DB/ZWB/D

    Dekenbezwaar. Verweerster heeft in strijd met inhoud en strekking van de artikelen 6.10 en 6.11 Voda en de kernwaarde integriteit gehandeld door aan haar levenspartner een geheimhoudernummer ter beschikking te stellen en te laten gebruiken. Hierdoor is het vertrouwen in de advocatuur geschaad. Onderdeel 1 van het dekenbezwaar is derhalve gegrond. Op grond van de stukken, het verhandelde ter zitting en de vaststaande feiten is de raad van oordeel dat verweerster de op haar rustende geheimhoudingsplicht heeft geschonden. De raad stelt voorop dat het enkele feit dat verweersters levenspartner haar regelmatig naar zittingen en afspraken brengt, niet maakt dat hij gerekend kan worden tot de medewerkers of het personeel van verweerster in de zin van artikel 11a lid 1 Advocatenwet. Een cliënt dient erop te kunnen vertrouwen dat de gegevens die hij/zij in vertrouwen aan zijn/haar advocaat ter beschikking stelt, niet ter kennis van derden worden gebracht. Uit hetgeen verweerster in de stukken en ter zitting heeft verklaard blijkt dat de praktische inrichting van haar kantoor zodanig is dat zij die vertrouwelijkheid niet kan waarborgen. Dat is in strijd met de op verweerster rustende geheimhoudingsplicht. Dat verweerster haar levenspartner een geheimhoudingsverklaring heeft laten ondertekenen maakt dit niet anders. Immers, de cliënten van verweerster moeten er op kunnen rekenen dat de zaken die zij met verweerster bespreken, niet ter kennis komen van derden en dus ook niet van haar levenspartner. Ook onderdeel 2 van het dekenbezwaar is derhalve gegrond. Voorwaardelijke schorsing van drie weken. Proceskostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:49 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-119

    Klagers verwijten verweerder dat hij tegen klagers is opgetreden in een geschil waarin verweerder eerder voor klaagster optrad en dat verweerder oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van de stichting derdengelden van zijn kantoor door geruime tijd een bedrag onder zich te houden dat niet kwalificeert als derdengelden en evenmin aan verweerder of zijn stichting toebehoort. Hoewel er de eerste keer wellicht geen sprake was van een formele opdracht aan verweerder om als advocaat voor klaagster op te treden heeft verweerder zich wel als zodanig naar buiten toe voorgedaan. Verweerder is extern als advocaat opgetreden en daarmee zijn de gedragsregels op hem van toepassing geworden. De uitzonderingssituatie zoals genoemd in lid 3 van gedragsregel 15 geldt alleen indien voldaan is aan drie cumulatieve voorwaarden, te weten (a) dat de belangen niet dezelfde zaak betreffen, (b) de advocaat niet over vertrouwelijke informatie beschikt en (c) niet is gebleken van redelijke bezwaren aan de zijde van onder meer de voormalige cliënt. Aan deze voorwaarden is niet voldaan. Klacht gegrond. Met instemming van verweerder is op verzoek van de cliënte van verweerder een bedrag afkomstig van een bankrekening die klagers en de cliënte van verweerder gezamenlijk toebehoorde op de derdengeldenrekening van verweerder overgemaakt. Verweerder heeft daarmee gehandeld in strijd met artikel 6.22 lid 3 en 6.19 lid 2 van de Voda. Een derdengeldenrekening dient voor geen ander doel te worden gebruikt dan voor het beheer van derdengelden. Het gebruik dan wel het parkeren van derdengelden zonder noodzaak of redelijk doel op deze rekening is niet geoorloofd. Van een noodzaak was geen sprake, aangezien ook op andere manieren, zoals door het leggen van conservatoir beslag, het door verweerder gewenste doel bereikt had kunnen worden. Klacht gegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:51 Raad van Discipline Amsterdam 20-793/A/NH

    Klacht tegen advocaat wederpartij in verband met beschuldigingen van (onder meer) valsheid in geschrifte, diefstal en verduistering in een processtuk. Bij het uiten van dergelijke beschuldigingen mag van een advocaat worden verwacht dat hij zich er tevoren van vergewist dat hier voldoende grond voor bestaat. Naar het oordeel van de raad had verweerder terughoudend behoren te zijn met het presenteren van dergelijke beschuldigingen als vaststaand feit. Dat de beschuldigingen citaten waren uit een processtuk van een andere advocaat in een andere procedure doet aan het voorgaande niet af. Waarschuwing en kostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TDIVTC:2021:1 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VB 2020/14

    Koe. Noodslachting. Ante mortem onderzoek en het invullen van de noodslachtverklaring.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:50 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-152

    Klacht tegen eigen advocaat. Advocaat heeft in een WIA zaak niet binnen tien dagen voor de mondelinge behandeling de relevante medische stukken (rapportage) bij de rechtbank ingediend waardoor die stukken bij de beslissing buiten beschouwing zijn gebleven. De zaak werd oorsponkelijk door cliënt zelf of Achmea behandeld en werd door verweerder van een zieke kantoorgenote die de zaak in behandeling had genomen overgenomen. De raad is van oordeel dat verweerder zijn onbekendheid met de behandelingsdatum niet kan gebruiken als verontschuldiging voor het feit dat de medische rapportage te laat is ingediend. Een advocaat dient de termijnen in door hem behandelde zaken te bewaken en dient deze dus ook te kennen. Verweerder had een brief van klager moeten opvatten als een klacht waarvoor hij de interne klachtenregeling in werking had moeten laten treden en had in ieder geval op de brief van klager moeten reageren. Door dit na te laten heeft verweerder niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Klachten gegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:52 Raad van Discipline Amsterdam 20-730/A/A

    Klacht van de advocaat van de wederpartij over niet-verschijning van verweerder ter zitting deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:51 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-951

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Eén onderdeel kennelijk niet-ontvankelijk vanwege ne bis in idem. Overige klachtonderdelen kennelijk ongegrond, onder meer omdat verweerder de hem toekomende ruime mate van vrijheid niet te buiten is gegaan.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:53 Raad van Discipline Amsterdam 20-647/A/A

    Klacht tegen advocaat wederpartij. Verweerder heeft citaten uit correspondentie tussen de advocaat wederpartij en diens cliënt in het geding gebracht, hetgeen een schending oplevert van de vertrouwelijke relatie tussen advocaat en cliënt. Berisping en kostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:54 Raad van Discipline Amsterdam 20-565/A/A

    Ongegrond verzet.

  • ECLI:NL:TDIVBC:2021:1 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VB 2020/15

    Hond. Het Veterinair Beroepscollege komt tot de slotsom dat de dierenarts niet te kort is geschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten aanzien van de hond van klager, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen, als bedoeld in artikel 4.2. van de Wet dieren. Het beroep is daarom gegrond. Dit betekent dat de beslissing van het Veterinair Tuchtcollege zal worden vernietigd en dat de klacht alsnog ongegrond zal worden verklaard.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:47 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-392

    De raad heeft het verzet tegen de voorzittersbeslissing van 7 oktober 2019 niet-ontvankelijk verklaard. Het verzetschrift is door klager weliswaar tijdig ingediend maar onvoldoende onderbouwd zoals is vereist ex artikel 46h lid 1 Advocatenwet. Klager heeft alleen een procedureel standpunt ingenomen maar niet gemotiveerd toegelicht welke gronden aan zijn verzet ten grondslag liggen. Anders dan de gemachtigde van klager ter zitting nog heeft aangevoerd, is rechtsbijstand in tuchtrechtelijke (verzet)zaken geen vereiste. Bovendien wist klager, dan wel had klager kunnen weten uit de ‘mededelingen van de griffier ter informatie’ onderaan de voorzittersbeslissing, dat een verzetschrift tijdig binnen de wettelijke termijn en meteen gemotiveerd had moeten worden ingediend.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:55 Raad van Discipline Amsterdam 20-476/A/A

    Ongegrond verzet.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2021:4 Kamer voor het notariaat Amsterdam 685232 / 20-22 en 684237 / 20-23

    Uit het voorgaande volgt reeds, dat sprake is van ernstige normschendingen. In het best mogelijke scenario is, indien alle ook door het BFT gevraagde informatie voor beoordeling beschikbaar zou zijn gekomen (hetgeen noch voor noch in deze procedure het geval is), denkbaar dat geoordeeld wordt dat zich geen ongeoorloofde transacties hebben voorgedaan en deze niet door notaris of kandidaat-notaris zijn gefaciliteerd. De essentie is echter dat, dit uit geen van de onderzochte dossiers voldoende blijkt, of blijkt dat daarnaar (voldoende) onderzoek is gedaan. Dat laatste is voldoende om een ernstige normschending vast te stellen. Ook als zich niets ongeoorloofds heeft voorgedaan, blijft overeind dat de notarissen zichzelf niet in de positie hebben gebracht om te bepalen of aanleiding bestond hun diensten te weigeren en deze zijn blijven verrichten zonder dat de verplichting tot het doen van (verscherpt) cliëntenonderzoek is nageleefd. Op grond van de gebrekkige vastlegging kan niet worden geverifieerd of sprake is van het vervullen van de poortwachtersrol. Het optreden in het algemeen als poortwachter tegen witwassen en criminaliteit is een wezenlijke maatschappelijke functie van het notariaat, zodat sprake is van een ernstig tekortschieten. Ook als ervan wordt uitgegaan dat notarissen over een beperkt instrumentarium beschikken om hun poortwachtersrol te vervullen, moet in dit geval worden geconcludeerd dat de notarissen de daarvoor wel voorhanden zijnde instrumenten vrijwel volledig onbenut hebben gelaten. Naar het oordeel van de kamer illustreren de vastgestelde normschendingen de lichtvaardige en onzorgvuldige wijze waarop de notarissen hun ambt hebben uitgeoefend. De notarissen hebben aangevoerd dat het onderzoek en de conclusies die het BFT daaraan gekoppeld heeft, als een ware schokgolf over kantoor zijn gespoeld. Gelet op de inhoud van de brief van 19 september 2019 in reactie op de vragen van het BFT vraagt de kamer zich echter af of de notarissen wel zijn doordrongen geraakt van de ernst van de geconstateerde normschendingen. Een zware maatregel lijkt daarom geboden.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:48 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-495

    Klacht tegen advocaat van de wederpartij over tegenstrijdige belangenbehartiging en onvoldoende inzet tonen om een minnelijke regeling te bereiken in een echtscheidingsprocedure. Een derde heeft verweerder gebeld en tijdens dit telefoongesprek is gesproken over de mogelijkheid dat en de voorwaarden waarop verweerder de gezamenlijke belangen van klaagster en haar echtgenoot zou behartigen. Vervolgens is dit niet gebeurd en verweerder heeft zich voordat hij voor de ex-echtgenoot van klaagster ging optreden niet inhoudelijk met de zaak bemoeid en/of zaaksgebonden informatie ontvangen. Een minnelijke regeling verdient altijd de voorkeur maar als de standpunten van partijen te ver uiteen liggen en er juridische kwesties spelen die uitgezocht dienen te worden, kan de weg van een juridische procedure gevolgd worden teneinde de rechter over de geschilpunten te laten beslissen. Klachten ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:50 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200169H

    Herzieningsverzoek. Verzoeker is in de tuchtprocedure de klagende partij en geen advocaat aan wie een maatregel is opgelegd. Verzoeker kan dan ook geen beroep doen op de in het herzieningsprotocol opgenomen uitzonderingen. Op grond van het voorgaande zal het herzieningsverzoek van verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:51 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 210045

    Appelverbod. Klager gaat in beroep tegen een verzetsbeslissing van de raad en doet een beroep op fundamentele rechtsbeginselen, namelijk schending van hoor en wederhoor. Gesteld noch gebleken is dat klager tijdens de procedure bij de raad zijn standpunten niet naar voren heeft kunnen brengen en/of dat hij zich niet over het standpunt van verweerder heeft kunnen uitlaten. De overige klachten van klager hebben betrekking op de inhoudelijke beslissing van de zaak en raken niet de fundamentele rechtsbeginselen. Klager zal in zijn beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:52 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200242

    Klacht tegen de eigen advocaat. De raad heeft verweerder de maatregel van een voorwaardelijke schorsing van zestien weken opgelegd. Op grond van de ernst van de verwijten, het tuchtrechtelijk verleden van verweerder en het feit dat verweerder ter zitting geen, althans onvoldoende, inzicht heeft getoond in zijn eigen handelen, acht de raad deze maatregel passend en geboden. Verweerder is hiertegen in beroep gegaan en voert aan dat de opgelegde maatregel exorbitant is in relatie met de gegrondverklaring van de klachten. Het hof is van oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de betamelijkheidsnorm omdat verweerder niet heeft kunnen uitleggen waarom het in dit geval niet nodig was het antwoord van klager op het tegenvoorstel van de advocaat van de buren schriftelijk vast te leggen en dit aan klager te bevestigen. Daarnaast heeft verweerder de kernwaarde deskundigheid geschonden, doordat hij heeft nagelaten regie te voeren in de zaak van klager tegen de buren. Ook heeft verweerder de kernwaarde integriteit geschonden door na te laten derdengelden die klager toebehoren – zo spoedig mogelijk – aan klager over te maken. Het hof ziet aanleiding de door de raad opgelegde maatregel te wijzigen. Het hof vernietigt de beslissing van de raad en acht een schorsing in de uitoefening van de praktijk van zes weken waarvan vier voorwaardelijk op zijn plaats.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:48 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 210026

    Appelverbod. Op grond van art. 56 lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet kan een klager hoger beroep instellen van een beslissing van een raad waarbij de klacht geheel of ten dele ongegrond is verklaard. Het beroep van klaagster is gericht tegen een beslissing van de raad waarin de raad de klachten van klaagster gegrond heeft verklaard. Op grond van het voorgaande zal het hoger beroep van klaagster niet-ontvankelijk worden verklaard.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:49 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200272

    Artikel 13 beklag. De kantonrechter is de aangewezen rechter om de procedure die klager wenst in te stellen te behandelen. Omdat er geen sprake is van een procedure waarin vertegenwoordiging of bijstand van een advocaat verplicht is gesteld, is het beklag van klager tegen de afwijzing door de deken van het verzoek om een advocaat af te wijzen ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:61 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.122

    Klacht tegen psychiater. De klacht betreft de behandeling van klaagster door de psychiater. Klaagster woont bij haar ouders. De moeder van klaagster is klaagsters gemachtigde in deze procedure. Klaagster is in 2013 opgenomen geweest op een PAAZ-afdeling. Tijdens deze periode was de beklaagde psychiater de eindverantwoordelijke psychiater-supervisor. Beklaagde heeft klaagster aangemeld voor het FACT-team per brief waarin onder meer de diagnose autisme is opgenomen die eerder door een andere psychiater was vastgesteld. Klaagster verwijt beklaagde 1) dat hij de hoofddiagnose autistische stoornis heeft gesteld, zonder dat neuropsychologisch onderzoek heeft plaatsgevonden, en 2) dat hij weigert de diagnose autisme uit het dossier te halen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft beide klachtonderdelen ongegrond verklaard. Klaagster heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld. Het Centraal Tuchtcollege is met het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat klachtonderdeel 1 ongegrond is, maar verklaart klachtonderdeel 2 wel gegrond. In de gegeven omstandigheden ziet het Centraal Tuchtcollege evenwel geen reden voor oplegging van een maatregel.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:39 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 079/2020

    Klacht over diagnose (eerder vastgestelde bipolaire-I-stoornis) en voorgeschreven medicatie. Het medisch dossier vanaf het moment dat beklaagde bij de behandeling was betrokken bevat geen aanwijzingen dat de eerder gestelde diagnose onjuist zou zijn. Dat beklaagde geen nader onderzoek heeft gedaan naar de juistheid van deze diagnose kan hem dan ook niet worden verweten. Ook is niet gebleken dat beklaagde – vóór het indienen van deze tuchtklacht – wist of kon weten dat klaagster een onafhankelijk onderzoek naar de eerder gestelde diagnose wilde. Wat betreft de medicatie moet ervan worden uitgegaan dat beklaagde niet van de bijwerkingen bij klaagster op de hoogte was. Nu voorts de voorgeschreven medicatie paste bij de bij klaagster gestelde diagnose én bij het beeld van dat moment, kan beklaagde niet worden verweten dat hij niet heeft onderzocht of en in hoeverre deze medicatie kon worden afgebouwd of vervangen door andere medicatie.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:62 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.123

    Klacht tegen psychiater. Klager is onder behandeling bij een ontwikkelingsstoornissenteam. Beklaagde heeft klager beoordeeld in het kader van een second opinion en heeft daarnaast voor school een verklaring over de vaststelling van bij klager aanwezige beperkingen afgegeven. Klager verwijt beklaagde dat hij het beroepsgeheim heeft geschonden, in de eerste plaats door in het bijzin van klagers moeder een diagnose te stellen en ten tweede door in strijd met gemaakte afspraken (meer) informatie met school te delen dan was afgesproken. Dit tweede deel van de klacht is door het Regionaal Tuchtcollege, zonder oplegging van een maatregel, grond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege wijst het beroep van klager tegen de ongegrondverklaring van het eerste deel van de klacht af.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2021:36 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2020/155

    Klager verwijt verweerster, GZ-psychologe, dat zij (als regiebehandelaar) heeft ingegrepen in de gesprekken die klager had met zijn behandelend basis psycholoog, waardoor hij stelt ernstig beschadigd te zijn in zijn vooruitgang. Klager had gevoelens voor deze psychologe ontwikkeld en heeft hierdoor geen afrondende gesprekken met haar kunnen hebben. De afsluiting en nazorg zijn volgens klager niet goed geweest. Verweerster bestrijdt de klachtonderdelen. Ongegrond