Zoekresultaten 21-40 van de 47599 resultaten

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:140 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-347/AL/MN

    voorzittersbeslissing. Volgens klaagster heeft verweerder zonder opdracht van de cliënte zelfstandig een zaak tegen klaagster opgestart. Naar het oordeel van de voorzitter heeft klaagster geen eigen belang bij haar klacht, zodat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk wordt verklaard.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:72 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-374/DB/ZWB

    Voorzittersbeslissing. Klacht van een derde over de uitlating van een advocaat op een zitting. Verweerder heeft het dienstig mogen achten om toe te lichten wat de ervaringen van de VvE zijn met de bewoner van het appartement, die kennelijk klaagster betreft. Meegewogen wordt dat de naam van klaagster daarbij niet is genoemd, zodat de uitlating ook niet direct aan de persoon van klaagster werd gekoppeld. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:66 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-306/DB/OB

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij op grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet niet-ontvankelijk wegens tijdsverloop.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:133 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8754

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster heeft een klacht ingediend naar aanleiding van de behandeling van haar op 16 april 2023 overleden vader door de huisarts. Tegen de waarnemend huisarts van de patiënt is door klaagster ook een klacht ingediend (zaaknummer A2025/8753). Gegeven de situatie dat de patiënt op 11 april 2023 opnieuw gezien zou worden door de waarnemend huisarts en ook al vervolgafspraken had in het ziekenhuis bij de cardioloog en de internist, acht het college het dan ook begrijpelijk dat zij op 7 april 2023 geen concrete vervolgstappen heeft genomen of bij de patiënt op visite is gegaan. Dat de huisarts de klachten en zorgen niet serieus heeft genomen en de ernst van de situatie niet juist heeft ingeschat is naar het oordeel van het college niet gebleken. Alle onderdelen van de klacht zijn kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2026:17 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2025/61

    Vestiging van hypotheekrechten op registergoederen die door een Groninger akte waren geleverd, terwijl de ontbindende voorwaarde nog niet was vervallen. De kamer oordeelt dat de notaris in de gegeven omstandigheden onvoldoende reden had om erop te mogen vertrouwen dat de klaagster (een crowdfundingplatform) zich bewust was van het ongebruikelijke en specifieke risico dat haar investeerders 2,5 miljoen euro aan de koper leenden zonder dat daar een (onvoorwaardelijk) zekerheidsrecht tegenover stond. Onvoldoende invulling van informatie- en waarschuwingsplicht. In de hypotheekakten is ook niet vermeld dat de registergoederen onder een ontbindende voorwaarde waren geleverd, terwijl dit voor de rechtstoestand van de registergoederen van belang was. Klacht over uitbetaling van deel van geleende gelden aan de hypotheekgever in plaats van aan de verkoper, zonder te verifiëren of de klaagster daarmee instemde, ongegrond. Berisping en proceskostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:73 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-294/DB/LI

    Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Klaagster verwijt verweerder dat hij namens NN in de randnummer 38 tot en met 41 van de conclusie van antwoord van 10 juli 2025 een apert onjuist en onpleitbaar verweer gevoerd en gehandhaafd. Verweerder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. De voorzitter is van oordeel dat verweerder genoegzaam gemotiveerd heeft toegelicht dat en waarom hij het nodig vond om in de gerechtelijke procedure de rechtsgeldigheid van de cessie te betwisten en dit verweer (ook nadat klaagster nadere stukken had ingediend) te handhaven. Niet gebleken dat verweerder de grenzen van de aan hem, in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:67 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-324/DB/ZWB

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. De tuchtrechtelijke verwijten over de verzonden declaraties zijn deels niet-ontvankelijk wegens tijdsverloop en deels kennelijk ongegrond, omdat niet van excessief declareren is gebleken en omdat verweerder wel degelijk op klagers bezwaren heeft gereageerd. De klacht dat verweerder klager ten onrechte heeft geadviseerd om te schikken is kennelijk ongegrond omdat van onjuiste advisering niet is gebleken.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:134 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8842

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster is van mening dat de huisarts in de behandelrelatie structureel grensoverschrijdend, nalatig en psychisch schadelijk heeft gehandeld en dat het niet mogelijk was om dit bij de huisarts aan te kaarten. Het college overweegt dat de vragen van de huisarts vragen zijn die op grond van de NHG Standaard Depressie/module suïcidaliteit relevant zijn om een inschatting van het gevaar te kunnen maken. Het college gaat er dan ook vanuit dat de opmerkingen van de huisarts zijn gemaakt in die context, en niet in de betekenis die klaagster aan die woorden heeft gegeven. Omdat er verder twee verschillende lezingen zijn en onderbouwing ontbreekt, kan het college niet vaststellen wat er precies is gezegd. Van bagatellisering van de situatie van klaagster door de huisarts is het college niet gebleken. Alles afwegende komt het college tot de conclusie dat de huisarts correct en adequaat heeft gehandeld in een situatie die uitermate complex is. Alle onderdelen van de klacht zijn kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:68 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-326/DB/ZWB

    Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Klagers verwijten verweerder dat hij een overeenkomst van geldlening in het geding heeft gebracht, terwijl hij wist of behoorde te weten dat dit stuk vals was. Naar het oordeel van de voorzitter is uit de overgelegde stukken niet gebleken dat verweerder reden had om te twijfelen aan de authenticiteit van de overeenkomst van geldlening. Niet gebleken dat verweerder de grenzen van de aan hem, in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:135 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8936

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klagers hebben een klacht ingediend in verband met de behandeling van hun moeder voorafgaand aan haar overlijden. Het college overweegt dat de huisarts de geldende protocollen ten aanzien van de palliatieve sedatie op een juiste wijze heeft doorlopen. Op medisch gebied heeft de huisarts dan ook de juiste zorg geleverd. Het college overweegt dat de communicatie met klagers en patiënte rondom het verloop van een palliatieve sedatie en hoe zich dat verhoudt ten aanzien van het verloop van een euthanasie wellicht beter had gekund. Daarbij had de huisarts eerder en helderder kunnen communiceren over haar persoonlijke bezwaren tegen euthanasie, omdat dit had kunnen bijdragen aan een beter verwachtingsmanagement voor patiënte en haar familie. Het college is echter van mening dat het handelen van de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Alle onderdelen van de klacht zijn kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:115 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3178 herziening

    Klager heeft bij het Centraal Tuchtcollege op de voet van artikel 52 Wet BIG een verzoek ingediend tot herziening van de beslissing van het Centraal Tuchtcollege van 26 november 2025. Het Centraal Tuchtcollege concludeert dat alleen om herziening kan worden verzocht door degene over wie is geklaagd. Daarnaast is herziening bedoeld om een beslissing te herstellen die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt en niet voor een hernieuwde discussie over uitspraken. Op basis hiervan heeft het Centraal Tuchtcollege verzoeker (klager) niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot herziening van de beslissing van 26 november 2025

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:175 Hof van Discipline 's Gravenhage 260039

    Beklag artikel 13 Advocatenwet. Ongegrond. Het hof is, overeenkomstig het standpunt van de deken, van oordeel dat van een aan te wijzen advocaat in de resterende tijd tussen het moment dat het verzoek van klaagster in behandeling kon worden genomen en de datum waarop de cassatietermijn zou verstrijken, redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat deze het dossier zou opvragen, bestuderen, een cassatieadvies zou uitbrengen en - in geval van een positief advies - een verzoekschrift met cassatiemiddelen zou opstellen en indienen bij de Hoge Raad. Dit betekent dat klaagsters doel – een rechtsmiddel instellen – niet meer kon worden bereikt, zodat aanwijzing van een advocaat voor dat doel zinloos was geworden. Op die grond dient het beklag van klaagster al te worden afgewezen. Verder is het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter niet absoluut, maar mag dit aan beperkingen worden onderworpen. Ook in dit geval komt de beslissing van de deken niet in strijd met artikel 6 EVRM omdat, ook wanneer rechtsbijstand noodzakelijk is om het recht op toegang tot de rechter effectief te doen zijn, de aanspraak daarop niet onbegrensd is.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:169 Hof van Discipline 's Gravenhage 250448

    De klacht gaat over de advocaat van de wederpartij in een arbeidsgeschil. Klaagster komt geen beroep toe op gedragsregel 15 (belangenverstrengeling). Verweerster heeft geen onduidelijkheid laten ontstaan voor welke partij zij optrad. De civielrechtelijke veroordeling dat B&S jegens klaagster onrechtmatig heeft gehandeld leidt niet zonder meer tot gegrondverklaring van de klacht over verweerster. Verweerster was geen partij in die procedure en geen onderdeel van de onderzoekscommissie van B&S. De tuchtrechter is ook niet zonder meer aan een uitspraak van een civiele rechter gebonden omdat de tuchtrechter oordeelt vanuit een ander kader (artikel 46 Advocatenwet) dan de civiele rechter. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad die de klacht ongegrond heeft verklaard.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:112 Raad van Discipline Amsterdam 25-865/A/A

    Raadsbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij. Onderliggende procedure betreft een conflict in een VvE. De raad is van oordeel dat verweerder met een geldige opdracht de VvE heeft bijgestaan in de verzoekschriftprocedure die klagers tegen de VvE waren gestart. Klacht in zoverre ongegrond. Klagers hebben geen rechtstreeks belang bij hun klacht over de cliëntrelatie tussen verweerder en zijn cliënten (de VvE en individuele leden van de VvE). Klacht in zoverre niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:170 Hof van Discipline 's Gravenhage 250420

    Deze zaak gaat over een klacht over de eigen advocaat en houdt in dat de schriftelijke (financiële) voorlichting door (het kantoor van) verweerder aan klaagster bij aanvang en gedurende de rechtsbijstand aan klaagster duidelijker had gemoeten. Tijdens de zaaksbehandeling is verweerder met klaagster blijven communiceren over financiële aangelegenheden. Verweerder is klaagster ook meerdere malen tegemoet gekomen door declaraties te crediteren en gewerkte uren niet (volledig) door te belasten. In het licht van de omstandigheden van het geval is het hof tot het oordeel gekomen dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het hof heeft de raadsbeslissing op dit klachtonderdeel vernietigd.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:113 Raad van Discipline Amsterdam 25-913/A/A

    Raadsbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij (gedeeltelijk) gegrond. Verweerder heeft de grenzen van het betamelijke overschreden door meerdere malen in strijd met het procesreglement te handelen en de waarheids- en substantiëringsplicht te schenden door de rechter onvolledig te informeren. Een waarschuwing is passend en geboden.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:171 Hof van Discipline 's Gravenhage 240356H

    Herzieningsverzoek afgewezen. Op grond van het herzieningsprotocol (artikel 1.2) kan bij wijze van uitzondering een onherroepelijke beslissing alleen worden herzien als blijkt van nieuwe feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór de beslissing, verzoeker daarvan niet eerder op de hoogte was en ook niet kon zijn en die tot een andere beslissing van het hof zouden hebben kunnen leiden als zij wel eerder bekend waren geweest. Verzoeker doet in het herzieningsverzoek geen beroep op dergelijke nieuwe feiten en omstandigheden. De in het herzieningsprotocol opgenomen uitzonderingen op grond waarvan een herzieningsverzoek in behandeling kan worden genomen zijn dan ook niet van toepassing. Reeds om die reden dient het verzoek te worden afgewezen.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:114 Raad van Discipline Amsterdam 26-005/A/A

    Raadsbeslissing; gegronde klacht over de kwaliteit van dienstverband. Verweerder heeft nagelaten om klager adequaat te informeren over de inzet van de juridisch medewerker en geen regie over de werkzaamheden van de juridisch medewerker gehouden (gedragsregel 13). Verweerder heeft verder nagelaten belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen (gedragsregel 16 lid 1). Een duidelijk plan van aanpak ontbrak. Bovendien was het tempo van de behandeling van de zaak ondermaats. In deze omstandigheden is een waarschuwing passend en geboden.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:108 Raad van Discipline Amsterdam 25-720/A/A

    Ongegrond verzet.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:172 Hof van Discipline 's Gravenhage 250230

    Bekrachtiging. Waarschuwing. In een familierechtelijke procedure tussen klager en zijn ex-partner was verweerder de advocaat van klagers ex-partner. Klager verwijt verweerder dat hij vertrouwelijke informatie uit het mediationtraject tussen klager en zijn ex-partner naar de rechtbank heeft gestuurd. De Raad van Discipline in het ressort Den Haag heeft dit klachtonderdeel gegrond verklaard en daarvoor aan verweerder een waarschuwing opgelegd. Het andere klachtonderdeel dat bij de raad aan de orde was, is door de raad ongegrond verklaard. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld. Het hof stelt voorop dat verweerders cliënte en klager voorafgaand aan de mediation in de mediationovereenkomst geheimhouding zijn overeengekomen. Naar het oordeel van het hof valt de informatie in de producties bij het verweerschrift dat verweerder bij de rechtbank heeft ingediend onder de overeengekomen geheimhouding. Verweerder heeft erop gewezen dat hij niet bij de gesprekken bij de mediator betrokken is geweest en de mediationovereenkomst niet heeft gezien en ondertekend. Het betaamt een advocaat echter niet om een rol te spelen bij de schending van een plicht waar zijn cliënt zich aan heeft verbonden. Dit klemt te meer nu de geheimhoudingsplicht waar het in deze zaak om gaat, is bedoeld om de belangen van alle bij de mediation betrokken personen te beschermen. Vertrouwelijkheid, in welk kader de geheimhoudingsverklaring wordt ondertekend, is gebruikelijk bij mediation en is bedoeld om mediation goed te laten functioneren. Door schending van de geheimhoudingsverplichting worden de belangen van alle bij de mediation betrokken personen geschaad, ook als de mediation uiteindelijk niet succesvol wordt afgerond. De geheimhouding blijft in de regel daarom na beëindiging van het traject van kracht. Door de producties toch aan de rechtbank te zenden heeft verweerder naar het oordeel van het hof afbreuk gedaan aan het instituut van mediation en in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit. Dat klager de geheimhoudingsverplichting zelf als eerste heeft geschonden door informatie uit het mediationtraject te delen, zoal verweerder heeft aangevoerd, maakt het oordeel van het hof niet anders. De geheimhouding staat voorop en dient te worden gerespecteerd en bij schending daarvan is het vervolgens zelf delen van vertrouwelijke informatie uit het mediationtraject niet de aangewezen weg en kan dat ook niet rechtvaardigen.