ECLI:NL:TADRARL:2026:169 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-486/AL/MN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:169 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-08-2026 |
| Datum publicatie: | 11-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-486/AL/MN |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Verweerster heeft klager bijgestaan in een letselschadezaak. Naar het oordeel van de voorzitter heeft zij klager daarin op zorgvuldige wijze bijgestaan. Hij heeft vooraf ingestemd met de door verweerster voorgestelde persoon van de medisch adviseur als met de uiteindelijke vraagstelling. Zij is daarna op uitgebreide en zorgvuldige wijze telkens opnieuw schriftelijk ingegaan op zijn afwijkende visie op het rapport van de medisch adviseur. Ook heeft verweerster klager op zorgvuldige wijze geadviseerd over de door hem mogelijk te nemen vervolgstappen, waarbij zij zelf verder niet meer betrokken zou zijn. Kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 10 augustus 2026
in de zaak 26-486/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 11 juni 2026 met kenmerk 2531200.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 In februari 2020 heeft klager vreemde klachten gekregen, mogelijk door blootstelling aan Permethrin.
1.2 In opdracht van de rechtsbijstandsverzekeraar van klager, DAS, heeft verweerster klager in de eerste helft van 2021 bijgestaan in verband met zijn (zorg)behandelweigering. Klager is daarna alsnog door een ziekenhuis in Maastricht behandeld.
1.3 Op 23 november 2023 heeft DAS namens klager (opnieuw) aan verweerster de opdracht
verstrekt om klager bij te staan en te adviseren in een geschil met een ziekenhuis
in Amsterdam. De opdrachtbeschrijving luidt als volgt:
Verzekerde heeft een conflict met [een ziekenhuis in Amsterdam]. Volgens verzekerde
heeft het [het ziekenhuis in Amsterdam] geweigerd hem de benodigde zorg te leveren.
Aan u wordt verzocht om in eerste instantie de mogelijkheden en haalbaarheid daarvan
in kaart te brengen.
1.4 Op 6 december 2023 heeft verweerster aan klager de opdracht bevestigd.
1.5 In een e-mail van 11 januari 2024 heeft verweerster aan klager verslag gedaan van hun bespreking op 6 december 2023 en hem gevraagd welke stappen hij wil zetten.
1.6 Op 10 april 2024 heeft klager aan verweerster zijn medisch dossier gestuurd en gevraagd om overleg over de juridische insteek.
1.7 Verweerster heeft in de daaropvolgende correspondentie gereageerd op vragen van klager en geconcludeerd dat zijn voorkeur uitgaat naar een beoordeling door een medisch adviseur. Klager heeft op 6 mei 2024 ermee ingestemd dat verweerster DAS daarvoor om toestemming vraagt.
1.8 Op 28 mei 2024 heeft verweerster in haar e-mail aan DAS, in cc aan klager, haar bevindingen over de zaak van klager gestuurd. Zij heeft DAS gevraagd of zij voor beoordeling van de kwaliteit van de aan klager verleende zorg een medisch adviseur mag inschakelen.
1.9 DAS heeft op 6 juni 2024 aan verweerster (vervolg)toestemming gegeven om medisch advies in te winnen ter bepaling van de vervolgstappen.
1.10 Op 23 juli 2024 heeft verweerster aan klager gemaild dat zij telefonisch overleg met een medisch adviseur, drs. Van A, heeft gehad. Verder heeft zij klager geschreven:
De redenen voor de keus voor hem zijn verschillende:
Hij is, indien dat noodzakelijk zou zijn voor zijn advisering, bereid om te overleggen
over de persoon van een in dat geval door hem te raadplegen neuroloog.
Hij is forensisch arts.
Hij is net als ik, maar dan als medisch adviseur, lid van de WAA ofwel van de Werkgroep
Arts en Advocaat.
Uiteraard moet ook hij eerst weer het dossier ontvangen t.b.v de offerte. Met uw
goedvinden zend ik dat morgen toe samen met de (u inhoudelijk al bekende) vraagbrief.
1.11 Daarop heeft klager op 24 juli 2024 aan verweerster geantwoord:
Als ik op internet kijk zie ik geen vreemde dingen of heel negatieve mensen over deze arts. Samen met uw bevindingen lijkt deze arts mij een prima keuze. (…)
1.12 Verweerster heeft zich daarna, na uitgebreid overleg met klager over de vraagstelling, tot medisch adviseur drs. Van A gewend en gevraagd om medisch advies uit te brengen.
1.13 Op 3 september 2024 heeft drs. Van A zijn medisch advies aan verweerster gestuurd. Verweerster heeft dit op 5 september 2024 aan klager doorgestuurd en hem gevraagd om reactie. Zij heeft klager over het ontvangen advies onder meer geschreven:
Zijn mening is, heel kort samengevat en in mijn woorden:
Het onderzoek had beter gekund, maar er is geen sprake van verwijtbaar/klachtwaardig
handelen. (In dat licht begrijp ik zijn herformulering van de onderzoeksvraag.)
Hij adviseert in elk geval om elders een second opinion aan te vragen waarin al uw
vragen/opmerkingen tot uw tevredenheid aan de orde kunnen komen en beantwoord kunnen
worden.
En om daarna eventueel nog onderzoek aan te vragen op een ander vakgebied. (De uitkomst
daarvan zou de kwetsbaarheid voor bepaalde klachten kunnen verklaren.)
Het antwoord op vraag 8 over de zorgweigering door het ziekenhuis (“Zover ik weet is dat wel toelaatbaar,..”) kan ik mij wel voorstellen maar is qua onderbouwing niet bevredigend. Wanneer het antwoord op die vraag, na dit medisch advies, voor u van belang blijft kan ik deze vraag het beste neerleggen bij uw rechtsbijstandsverzekeraar (die mij terzake geen opdracht zal geven omdat zij dat zelf kunnen uitzoeken). Of misschien volstaat een telefoontje naar uw ziektekostenverzekeraar die de vraag mogelijk vaker krijgt? (…)
1.14 Klager heeft hierop op 24 september 2024 richting verweerster met vragen en opmerkingen gereageerd. Op de reactie van verweerster van 30 september 2024 heeft klager op 10 oktober 2024 gereageerd en zijn standpunt daarin gehandhaafd dat de neurologen zijn tekortgeschoten. In haar e-mail van 18 oktober 2024 aan klager heeft verweerster geconstateerd dat zij hem niet de juridische ondersteuning kan bieden waarvoor klager haar hulp had ingeroepen. Reden voor verweerster om haar werkzaamheden voor klager af te sluiten met het verzoek aan klager om met haar concept brief aan DAS in te stemmen. Klager heeft hiermee niet ingestemd en verzocht om overleg.
1.15 Op 13 december 2024 heeft verweerster aan DAS gemaild dat de medisch adviseur van oordeel is dat de artsen in het ziekenhuis in Amsterdam niet verwijtbaar hebben gehandeld en hij nader onderzoek heeft geadviseerd. Verder heeft verweerster hierin gemeld dat zij van oordeel is dat de aanvankelijke weigering wel verwijtbaar is, maar dat deze verwijtbaarheid is vervallen door de correctie van die weigering ofwel door klager alsnog toe te laten tot behandeling. Tot slot heeft zij geschreven dat klager zich over het vervolg beraadt.
1.16 Op 4 maart 2025 heeft verweerster DAS met instemming van klager bericht dat klager het medisch advies ter discussie wil stellen en daarin door DAS wil worden ondersteund met een opdracht aan een externe advocaat van zijn keus.
1.17 Op 13 mei 2025 heeft verweerster klager bericht dat zij klager niet meer adviseert, omdat zij hem niet meer bijstaat.
1.18 Op 20 mei 2025 heeft klager aan verweerster laten weten dat hij een klacht heeft over haar dienstverlening. De externe klachtfunctionaris heeft de klachten van klager op 21 juli 2025 ongegrond geacht.
1.19 Op 9 mei 2025 heeft DAS aan klager bericht van verweerster te hebben vernomen dat hij haar advies ter discussie stelt en daarvoor juridische bijstand via DAS wil. Omdat op 1 februari 2024 zijn rechtsbijstandsverzekering is geëindigd, heeft DAS het verzoek tot rechtsbijstand afgewezen.
1.20 Op 17 oktober 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) haar bevindingen naar aanleiding van de hulpvraag van klager onvoldoende, dan wel niet juridisch te onderbouwen;
b) niet kritisch genoeg te zijn op het medisch advies;
c) verkeerd advies uit te brengen;
d) de juridische beoordeling door een arts te laten doen;
e) niet de juiste arts te raadplegen.
3 VERWEER
Verweerster heeft tegen de klacht een gemotiveerd verweer gevoerd en dit met stukken onderbouwd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.
4.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de voorzitter als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.3 Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdelen a), b) en c)
4.4 Vanwege hun onderlinge samenhang en overlap ziet de voorzitter aanleiding om deze verwijten gelijktijdig te beoordelen.
4.5 Op 23 november 2023 heeft DAS aan verweerster de opdracht gegeven om klager te adviseren omtrent de mogelijkheden en haalbaarheid van juridisch optreden tegen [een ziekenhuis in Amsterdam]. Verweerster heeft in haar verweer aangevoerd dat zij aan deze (daartoe beperkte) opdracht uitvoering heeft gegeven door haar bevindingen met klager te bespreken en DAS daarover te informeren. Zij heeft klager toen ook uitgelegd dat een medische onderbouwing van een arts nodig is voordat juridisch kan worden vastgesteld dat een arts een verwijt kan worden gemaakt.
4.6 Uit de tussen partijen gevoerde correspondentie, voor zover relevant opgenomen in de feiten hiervoor, is de voorzitter gebleken dat klager ermee heeft ingestemd dat verweerster op 6 juni 2024 aan DAS toestemming heeft gevraagd om een eigen medisch adviseur in te schakelen. Verder is gebleken dat klager stukken van verweerster aan DAS of aan de medisch adviseur in concept vooraf heeft ontvangen en daarop heeft gereageerd. Zowel met de door verweerster voorgestelde persoon van de medisch adviseur als met de uiteindelijke vraagstelling aan die medisch adviseur heeft klager vooraf ingestemd. Klager kan verweerster over deze gang van zaken tuchtrechtelijk en achteraf dan ook geen verwijt maken.
4.7 Verweerster heeft in haar e-mail van 5 september 2024 aan klager in duidelijke bewoordingen uitgelegd wat het medisch advies van de medisch adviseur van 3 september 2024 inhield en heeft haar visie daarop gegeven. In die e-mail heeft zij zich ook kritisch uitgelaten over de beantwoording van een specifieke vraag door de medisch adviseur en klager geadviseerd wat hij op dat punt zelf kan doen.
4.8 Naar het oordeel van de voorzitter is verweerster daarna op uitgebreide en geduldige wijze telkens opnieuw schriftelijk ingegaan op de afwijkende visie van klager op het rapport van 3 september 2024. Dat verweerster over dat rapport een verkeerd juridisch advies heeft gegeven, kan de voorzitter, tegenover de met stukken onderbouwde betwisting daarvan door verweerster, niet vaststellen.
4.9 Op grond van het vorenstaande is de voorzitter van oordeel dat verweerster heeft gehandeld als van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mocht worden verwacht. Klachtonderdelen a), b) en c) zijn kennelijk ongegrond.
Klachtonderdelen d) en e)
4.10 Vanwege hun onderlinge samenhang en overlap ziet de voorzitter aanleiding om deze verwijten gelijktijdig te beoordelen.
4.11 Volgens klager heeft verweerster een vraag door de medisch adviseur laten beoordelen terwijl juist zij klager daarover juridisch had moeten adviseren. Uit de e-mail van 23 april 2024 volgt dat verweerster aan klager heeft uitgelegd dat zij aan een medisch adviseur alleen vragen op medisch vakgebied kan stellen, omdat anders het advies onbruikbaar zou zijn. De medisch adviseur heeft in zijn advies over klager zich tot zijn medisch vakgebied beperkt. Niet valt in te zien waarom verweerster hierin zou zijn tekortgeschoten. Op basis van de bevindingen van de medisch adviseur heeft zij klager juridisch geadviseerd. Dat klager zich daarin niet kon vinden, maakt het optreden van verweerster nog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
4.12 Het verwijt van klager dat verweerster meteen al een neurologische expertise had moeten adviseren, zoals drs. Van A dat in zijn medisch advies ook heeft geadviseerd, faalt. Uit de stukken is de voorzitter gebleken dat verweerster aan klager in haar e-mail van 23 juli 2024 heeft uitgelegd waarom drs. Van A een geschikte medisch adviseur is in de zaak van klager en dat die arts zo nodig bereid was om een andere specialist te raadplegen. Klager heeft met deze arts op 24 juli 2024, ook na eigen onderzoek, uitdrukkelijk ingestemd.
4.13 Verweerster heeft klager daarna naar het oordeel van de voorzitter op zorgvuldige wijze geadviseerd over de door hem mogelijk te nemen vervolgstappen, waarbij zij verder niet meer betrokken zou zijn. Klager kon zelf een aanvullend neurologisch onderzoek vragen, zoals drs. Van A had geadviseerd. Dat bij klager daarna onvrede is ontstaan omdat hij geen rechtsbijstand en geen rechtsbijstandsverzekering meer had, kan verweerster niet worden verweten. Zij heeft tot aan haar onttrekking aan de zaak de belangen van klager naar het oordeel van de voorzitter op zorgvuldige wijze behartigd.
4.14 Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerster tuchtrechtelijk geen verwijt treft. De klachtonderdelen d) en e) worden kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht in alle onderdelen, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 10 augustus 2026