ECLI:NL:TDIVBC:2026:8 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VBC 2026/09 VBC 2026/10
| ECLI: | ECLI:NL:TDIVBC:2026:8 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-08-2026 |
| Datum publicatie: | 10-08-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Honden |
| Beslissingen: | Verwerpt het beroep |
| Inhoudsindicatie: | Klachten van een diereigenaar tegen twee dierenartsen over de behandeling van een hond. Bij de hond was een aantal maanden eerder een kwaadaardige tumor geconstateerd, waarvoor behandeling was ingezet. Klager heeft zich tot een dierenziekenhuis gewend toen de hond niet wilde lopen en eten, had gebraakt en koorts had. Omdat de toestand van de hond verslechterde en klager aanvullend onderzoek wilde, is de hond doorverwezen naar de kliniek van de dierenartsen, waar de hond is opgenomen. Hier verslechterde de toestand van de hond verder, waarna de hond uiteindelijk met toestemming van klager is geëuthanaseerd. Klager maakt de dierenartsen verwijten over hun onderzoek, diagnosestelling en behandeling. De klachten zijn in eerste aanleg ongegrond verklaard, klager heeft beroep ingesteld. Het Veterinair Beroepscollege concludeert dat de dierenartsen aan hun zorgplicht hebben voldaan en dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen niet is gebleken. De beroepen worden verworpen. |
Zaaknummer: Datum uitspraak:
VBC 2026/09 en 10 4 augustus 2026
Uitspraak op het beroep van:
[appellant], wonende te [plaats],
appellant,
tegen de uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege van 5 februari 2026 in zaaknrs. 2023/61
en 2023/62 in het geding tussen:
appellant
(klager in eerste aanleg)
en
drs. [naam] (hierna dierenarts 1) en
drs. [naam] (hierna: dierenarts 2),
beiden dierenarts te [plaats].
1. Verloop van de procedure
Bij uitspraak van 5 februari 2026 heeft het Veterinair Tuchtcollege de klachten van appellant tegen de dierenartsen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant op 31 maart 2026 beroep ingesteld. De dierenartsen hebben een verweerschrift ingediend. Het Veterinair Beroepscollege heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2026, waar partijen zijn verschenen.
2. Voorgeschiedenis
2.1 Het gaat in deze zaak om de hond van klager, een Duitse herder (reu) met
de naam [naam] (hierna: de hond), tien jaar oud ten tijde van de gebeurtenissen die
tot deze tuchtprocedures hebben geleid.
2.2 In februari 2023 is de hond elders gediagnosticeerd met een kwaadaardige tumor, een hemangiosarcoom (HSA) stage III in de milt, met uitzaaiingen in de lever. De milt is operatief verwijderd en vervolgens is de hond gedurende enkele maanden behandeld met experimentele immunotherapie en een chemokuur bij een oncoloog van [dierenkliniek in Barendrecht].
2.3 Op donderdag 6 juli 2023 is appellant met de hond naar [dierenkliniek in Arnhem] gegaan, omdat de hond niet wilde lopen en eten, had gebraakt en koorts had. Er zijn röntgenfoto's gemaakt en er is bloedonderzoek verricht. Hierna is Cerenia toegediend. Bij verergering van de klachten moest door klager contact worden opgenomen. Op vrijdag 7 juli 2023 heeft klager contact gehad met de oncoloog in Barendrecht, die geadviseerd zou hebben de medicatie tijdelijk te stoppen en, als het niet beter zou gaan in het weekend, de hond te laten opnemen. Toen de gezondheidssituatie van de hond in de avond verslechterde, heeft klager de hond naar het dierenziekenhuis in Arnhem gebracht. Er zijn opnieuw röntgenfoto's gemaakt en er is aanvullend bloedonderzoek verricht. Een verslikpneumonie werd het meest waarschijnlijk geacht. De hond is in een zuurstofkooi geplaatst en kreeg antibiotica toegediend. Aan appellant is verteld dat bij uitblijven van verbetering tot euthanasie zou moeten worden overgegaan. Appellant wilde dat zijn hond mechanisch zou worden geventileerd om eventueel verder te kunnen worden onderzocht. Appellant is doorverwezen naar de Universiteitskliniek voor Gezelschapsdieren in Utrecht (hierna: UKG) waar beide dierenartsen destijds werkzaam waren (dierenarts 2 tevens als supervisor). Vooraf is besproken dat de rit daarheen voor de hond risicovol was.
2.4 Op zaterdag 8 juli 2023 is de hond opgenomen op de UKG. De hond is klinisch onderzocht door een collega spoedarts. De medische gegevens uit Arnhem en Barendrecht zijn opgevraagd. De röntgenfoto's zijn beoordeeld, waarbij is geconcludeerd dat er sprake was van een afwijkend longpatroon, een bronchointerstitieel patroon (afwijkingen in zowel de luchtwegen als het omringende longweefsel). Het beeld kon passen bij een pneumonie, maar ook bij metastasen ten gevolge van de HSA-tumor. Er is bloedonderzoek verricht. De zuurstofspanning was tijdens de autorit gedaald van 6,5 naar 6 en de hond had een Body Condition Score (BCS) van 3 uit 9. De spoedierenarts heeft overleg gehad met de specialist IC en er was op dat moment geen indicatie voor mechanische beademing, ondanks de lage paO2 omwille van de klinische presentatie. De hond heeft antibiotica en eetlustopwekkende medicatie gekregen en is in een zuurstofkooi geplaatst. Ondanks de medicatie en zuurstof bleef de hond in het weekend benauwd en at hij vrijwel niets.
2.5 Op maandag 10 juli 2023 omstreeks 08.00 uur is de hond klinisch onderzocht door dierenarts 1. De medische situatie was op dat moment verder verslechterd ten opzichte van het moment van opname. Dierenarts 1 heeft de in Arnhem gemaakte röntgenfoto's besproken met collega's van de afdeling Diagnostische Beeldvorming van de UKG. Geconcludeerd is dat het radiologisch beeld niet duidde op een verslikpneumonie. Mede omdat de hond, ondanks vloeistoftherapie, plaatsing in een zuurstofkooi en de toediening van antibiotica (sinds 7 juli 2023), een verslechtering liet zien, concludeerden de dierenartsen dat een verslikpneumonie onwaarschijnlijk was. Metastasen konden niet worden uitgesloten. Er is opnieuw bloedonderzoek verricht, dat een afwijkend beeld liet zien. Er was sprake van een zeer lage arteriële zuurstofspanning en ernstige hypoxemie. Dierenarts 1 heeft overleg gevoerd met de behandelend oncoloog in Barendrecht en met een Specialist oncologie binnen de eigen kliniek en tenslotte met dierenarts 2. De dierenartsen kwamen tot de conclusie dat, gezien de kritische toestand van de hond in combinatie met de waarschijnlijke diagnose, beademing en behandeling in het kader van het welzijn van de hond feitelijk geen reële optie meer was.
2.6 Dierenarts 1 heeft appellant omstreeks 11.00 uur telefonisch laten weten dat de hond zich in een klinisch zeer kritieke toestand bevond en sterk hypoxemisch was, ondanks de zuurstofsuppletie en de antibiotica, en dat er een significant risico bestond op acuut overlijden. Op de kliniek hebben appellant en dierenarts 1 later het gesprek voortgezet. Dierenarts 1 heeft toen uiteindelijk nog drie opties benoemd: 1. een CT-scan voor een differentiatie bronchopneumonie/metastasen vanuit de HSA in de longen, met het risico op overlijden tijdens de anesthesie, 2. antibiotica voortzetten en hopen op verbetering en 3. euthanasie.
2.7 Appellant heeft dierenarts 1 nog gevraagd naar andere opties, zoals een CRP-bepaling, CT-scan, broncho-alveolaire lavage (longspoeling) en intubatie, maar deze opties zijn afgewezen. Appellant heeft verzocht om een gesprek met de supervisor, dierenarts 2, en heeft dierenarts 1 gevraagd om in afwachting van de uitkomst van dat gesprek de euthanasiemiddelen alvast gereed te leggen voor het geval de hond dreigde te gaan stikken. Korte tijd later werd appellant bij de hond geroepen, die verder achteruit was gegaan. Bij het openen van de zuurstofkooi was de hond er slecht aan toe en had hij een trage ademhaling. Appellant gaf toestemming voor euthanasie en na het toedienen van de eerste inleidende injectie met premedicatie is de hond overleden.
3. Procedure in eerste aanleg
De klacht tegen dierenarts 1
3.1 De verwijten aan dierenarts 1 in eerste aanleg betreffen:
1. het stellen van verkeerde diagnoses;
2. het afleggen van de twijfelachtige verklaring dat elke hond met hemangiosarcoom in maximaal drie maanden sterft;
3. het niet willen uitvoeren van een CRP-bepaling, met de uitleg dat dit twee weken zou duren;
4. het niet willen uitvoeren van een broncho-alveolaire lavage om eventueel de oorzaak van de ziekte te kunnen bepalen;
5. het niet willen intuberen van de hond;
6. het op het laatste moment weigeren van mechanische ventilatie met als reden dat de hond een HSA-tumor had;
7. schending van de zorgplicht.
De klacht tegen dierenarts 2
3.2 Volgens appellant is dierenarts 2, als supervisor en afdelingshoofd, waarschijnlijk eindverantwoordelijk voor de behandeling van de hond. Appellant houdt hem medeverantwoordelijk voor:
1. de verkeerde diagnoses;
2. het onterecht weigeren van het intuberen van de hond;
3. het op het laatste moment weigeren van mechanische ventilatie;
4. schending van de zorgplicht.
De beslissing van het Veterinair Tuchtcollege
3.3 Het Veterinair Tuchtcollege de klachten tegen beide dierenartsen in alle
onderdelen ongegrond verklaard.
4. Gronden van beroep en verweer
Beroepsgronden
4.1 Appellant is het niet eens met de beslissing van het Veterinair Tuchtcollege.
Daartoe heeft hij de volgende gronden van beroep naar voren gebracht:
1. Onjuiste feitelijke grondslag. De overweging van het Veterinair Tuchtcollege dat “niet in geschil is dat de hond bij aankomst op de kliniek van beklaagden reeds in een kritieke toestand verkeerde”, is volgens appellant niet juist, nu uit het patiëntendossier blijkt dat de toestand van de hond zorgwekkend maar stabiel was;
2. Onvoldoende motivering van het oordeel van het Veterinair Tuchtcollege dat het begrijpelijk was dat van intubatie werd afgezien omdat dit het lijden slechts zou verlengen en geen verbetering te verwachten was;
3. Onjuiste waardering van diagnostische onzekerheid en prognose. Appellant acht de conclusie van het Veterinair Tuchtcollege dat behandeling enkel levensverlengend zou zijn en dat intubatie lijden slechts zou verlengen, onvoldoende draagkrachtig, nu de uitspraak niet inzichtelijk maakt waarom het in het dossier genoemde behandel- en escalatiebeleid niet tot verdere stabilisatie- en diagnosepogingen kon leiden;
4. Onjuiste aannames omtrent prognose. Volgens appellant is de conclusie van het Veterinair Tuchtcollege dat de prognose zeer slecht was en dat verbetering niet te verwachten was, onvoldoende onderbouwd;
5. Onjuiste toepassing van het criterium ‘zinloos medisch handelen’. Wanneer het eigen dossier nog een behandelpad openlaat, een actieve differentiaaldiagnose vermeldt en de definitieve diagnose niet kon worden vastgesteld, kan ‘zinloos’ volgens appellant niet zonder kenbare inhoudelijke risico-batenafweging als dragende reden dienen om de afwijzing van ventilatie te rechtvaardigen;
6. Gebrek aan proportionaliteitsafweging. Wat betreft de optie van een CT-scan had het Veterinair Tuchtcollege volgens appellant een kenbare proportionaliteitsafweging moeten toetsen van de risico’s van interventie versus de potentiële baten (stabilisatie, tijd voor diagnostiek), mede gezien het escalatiebeleid richting herbeoordeling en eventuele ventilatie;
7. Onvoldoende gemotiveerde vaststelling door het Veterinair Tuchtcollege dat de spoedarts de optie euthanasie heeft benoemd.
Verweer
7.2 De dierenartsen stellen zich in het algemeen op het standpunt dat het beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden bevat en evenmin juridische of veterinaire gronden aandraagt die tot een andere beoordeling kunnen leiden. Daarnaast hebben zij gemotiveerd verweer gevoerd op de aangevoerde beroepsgronden. Zij hebben het Veterinair Beroepscollege verzocht om het beroep ongegrond te verklaren en de uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege te bekrachtigen.
7.3 Het Veterinair Beroepscollege zal hieronder nader ingaan op de standpunten van partijen.
5. Beoordeling van het beroep
5.1 De vraag die het Veterinair Beroepscollege dient te beantwoorden, is of het Veterinair Tuchtcollege de klachten terecht ongegrond heeft verklaard. In dat kader dient te worden beoordeeld of de dierenartsen al dan niet tekort zijn geschoten in de zorg die zij hadden behoren te betrachten ten opzichte van de hond van appellant.
5.2 De klachten komen er – samengevat en in de kern – op neer dat de dierenartsen hun zorgplicht hebben geschonden, door niet de door appellant gewenste mogelijkheden voor behandeling en diagnostiek uit te voeren, hoewel geen definitieve diagnose was gesteld en er dus ook geen duidelijke prognose was.
5.3 Naar het oordeel van het Veterinair Beroepscollege heeft het Veterinair Tuchtcollege terecht overwogen dat bij aankomst in de kliniek de toestand van de hond al kritiek was. Het feit dat de hond op dat moment nog stabiel was, doet hieraan niet af. Uit klinische onderzoek van de hond bleek dat hij benauwd was en een versnelde en sterk geforceerde ademhaling had. De arteriële zuurstofspanning was 6.1 kPa. Vanwege de benauwdheid van de hond bestond aanleiding om hem in een zuurstofkooi te plaatsen. Desondanks en ondanks de (al voorafgaand aan zijn verblijf in de kliniek gestarte) toediening van breedspectrum antibiotica bleef de hond benauwd en ging zijn toestand steeds verder achteruit. Op 10 juli 2023 was de hond blijkens de voortgangsnotitie lethargisch, met ernstige expiratoire dyspneu en had hij al sinds 8 juli niet meer gegeten. Onder die omstandigheden volgt het Veterinair Beroepscollege de conclusie van het Veterinair Tuchtcollege dat de hond, ongeacht de oorzaak van de klachten, in een te slechte conditie verkeerde voor nadere diagnostiek en dat ook behandeling in de vorm van bijvoorbeeld mechanische ventilatie of nadere diagnostiek in de vorm van een longspoeling – waarvoor narcose en intubatie nodig was – te belastend en levensbedreigend voor de hond zou zijn. Weliswaar zijn het uitvoeren van een CT-scan en het continueren van antibiotica die dag in eerste instantie nog als opties besproken met appellant, maar daarbij is tevens het risico op overlijden aan de orde gesteld. Euthanasie is volgens de notitie als reële optie met appellant besproken. Uiteindelijk is vanwege de ernstige verdere verslechtering van de conditie van de hond voor euthanasie gekozen.
5.4 Hoewel het Veterinair Beroepscollege er oog en begrip voor heeft dat appellant alle mogelijkheden heeft willen aangrijpen om tot een verbetering in de toestand van de hond te komen, is het aan de dierenartsen om in het belang van de hond te handelen en bij hun beslissingen het welzijn van de hond voorop te stellen. In dit geval was het afzien van verdere behandeling en het aanbieden van euthanasie het beste voor de hond. Hiermee is de hond verder lijden bespaard. Hetgeen appellant in zijn beroepsgronden verder heeft aangevoerd kan in dit oordeel geen verandering brengen. Het Veterinair Beroepscollege onderschrijft wel de aanbeveling van het Veterinair Tuchtcollege om, wanneer de behandelend dierenarts geen enkele zinvolle behandeling meer ziet, aan de diereigenaar duidelijker kenbaar te maken dat euthanasie de beste optie is voor het dier zelf, om zodoende eventuele miscommunicatie en valse hoop zoveel mogelijk te voorkomen.
Slotsom
5.5 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de dierenartsen aan hun zorgplicht
hebben voldaan en dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen niet is gebleken. Het
Veterinair Tuchtcollege heeft de klachten terecht ongegrond verklaard. Het Veterinair
Beroepscollege beslist daarom als volgt.
6. Beslissing
Het Veterinair Beroepscollege verwerpt de beroepen.
Aldus gewezen op 4 augustus 2026 door mr. E.A. Minderhoud (voorzitter), mr. J.C.W. Rang,
mr. J.D. Streefkerk (jurist-leden), drs. E.C. de Ruijter, drs. F.R. Kahlmann (dierenarts-leden),
in tegenwoordigheid van mr. M.D. Moeke als secretaris.