ECLI:NL:TAHVD:2026:259 Hof van Discipline 's Gravenhage 260138

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:259
Datum uitspraak: 10-08-2026
Datum publicatie: 10-08-2026
Zaaknummer(s): 260138
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De door klaagster gewenste procedure heeft geen redelijke kans van slagen. Bovendien kan die procedure bij de kantonrechter worden gevoerd en daarbij is geen bijstand door een advocaat voorgeschreven. 

Beslissing van 10 augustus 2026
in de zaak 260138

    
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

    
klaagster
    
tegen:
    
mr. W.W.H. Timmermans
Deken van de Orde van Advocaten 
in het arrondissement Gelderland

de deken

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken
1.1    Klaagster heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 8 april 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klaagster zich voor de door haar gewenste procedure kan wenden tot de kantonrechter, waarbij zij niet verplicht is om zich te laten bijstaan door een advocaat. Daarbij komt nog dat de deken van oordeel is dat de door klager gewenste procedure onvoldoende kans van slagen heeft.

Bij het hof
1.3    Klaagster heeft op 18 april 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het hof. 

1.4    Verder bevat het dossier:
-    het verweer van de deken
-    de repliek
-    de dupliek.

1.5    Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier. 

2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1    Klaagster huurt sinds 2014 de door haar bewoonde woning. In artikel 1.2 van de huurovereenkomst staat dat het gaat om een ‘woonhuis met bedrijf’. De huidige verhuurder heeft het pand waarin het gehuurde zich bevindt, medio 2023 in eigendom verkregen. 

2.2    Bij beslissing van 15 juli 2024 heeft de huurcommissie de huurprijs verlaagd vanwege gebreken aan het gehuurde. Klaagster heeft daarna bij de kantonrechter een vordering ingesteld om de verhuurder te veroordelen tot herstel van de gebreken onder oplegging van een dwangsom. De verhuurder heeft in reconventie ontbinding van de huurovereenkomst gevorderd, omdat de bewoning door klaagster in strijd zou zijn met het bestemmingsplan. 

2.3     Op 29 november 2024 heeft de verhuurder een verzoek tot handhaving ingediend met betrekking tot de bewoning van de door klaagster gehuurde woning. Bij brief van 10 maart 2025 heeft de gemeente de verhuurder bericht dat het perceel de bestemming horeca heeft en dat de bewoning in strijd is met het omgevingsplan. De gemeente heeft de verhuurder medegedeeld dat zij bereid was om mee te werken aan legalisatie van de bewoning en heeft de verhuurder in de gelegenheid gesteld om daartoe een aanvraag in te dienen. Dat heeft de verhuurder niet gedaan. Uiteindelijk heeft de gemeente zowel klaagster als de verhuurder op 2 juli 2025 een last tot dwangsom opgelegd, inhoudende dat klaagster voor 1 januari 2026 het perceel moest hebben verlaten onder oplegging van een dwangsom van € 20.000,-.

2.4    Op 29 juli 2025 heeft de mondelinge behandeling van het huurgeschil bij de kantonrechter plaatsgevonden. Na de inhoudelijke behandeling heeft de kantonrechter de zitting geschorst voor overleg tussen partijen. Partijen hebben vervolgens een regeling getroffen, die is vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting. Kern van de gemaakte afspraken is dat de huurovereenkomst per uiterlijk 31 december 2026 eindigt, “onder het voorbehoud van het verkrijgen van instemming binnen één maand of zoveel langer als noodzakelijk is met een maximum van drie maanden na heden van het College van B&W van de gemeente (…)”. 

2.5    Bij brief van 22 september 2025 heeft de gemeente aan de advocaat van de verhuurder als volgt bericht: 
Civiele procedure
Op 29 juli 2025 heeft een mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden In de civiele procedure tussen uw cliënt en de huurster van het pand daarbij is de afspraak gemaakt dat de huurster uiterlijk 31 december 2026 de woning aan de […] leeg en ontruimd moet hebben. Deze termijn is langer dan de termijn zoals door ons opgenomen in de last onder dwangsom van 2 juli 2025. Gelet op het voorgaande heeft u verzocht om instemming met deze langere termijn.

U heeft het verzoek om handhaving en het bezwaar tegen het besluit van 2 juli 2025 ingetrokken.

Wij trekken de last onder dwangsom in

Op 17 september 2025 heeft u per mail het handhavingsverzoek van 29 november 2024 en het bezwaarschrift van 11 augustus 2025 ingetrokken. Tevens heeft u verzocht om intrekking van ons besluit van 2 juli 2025. Zoals aangekondigd trekken wij hierbij ons besluit van 2 juli 2025 in.”

2.6    De last onder dwangsom is op verzoek van klaagsters advocaat op 17 september 2025 ook jegens klaagster ingetrokken.

3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag
3.1    Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Zij heeft de navolgende gronden aangevoerd:
-    De opschortende voorwaarde van de vaststellingsovereenkomst is niet vervuld, omdat de gemeente geen officieel besluit heeft genomen, waarbij met de overeenkomst is ingestemd. Daardoor is de vaststellingsovereenkomst vervallen;
-    De gemeente heeft mandaatfouten gemaakt in de handhaafbrieven;
-    De verhuurder heeft verzwegen dat de gemeente bereid was om te legaliseren;
-    De twee door klaagster geraadpleegde advocaten hebben onjuist geadviseerd, omdat een officieel besluit van de gemeente ontbreekt;
-    Er is sprake van belangenverstrengeling tussen de verhuurder en de gemeente. De rechter is in het kader van de aankoop van het gehuurde door de verhuurder al misleid over de omvang van het perceel, wat ertoe heeft geleid dat klaagster een stuk van het perceel is kwijtgeraakt (grondroof);
-    Klaagster wil een executiegeschil beginnen, omdat de verhuurder de executoriale titel van de vaststellingsovereenkomst onrechtmatig gebruikt. Daarvoor moet zij een kort geding voeren, waarvoor de bijstand van een advocaat noodzakelijk is. 

Verweer
3.2    Het verweer van de deken zal hierna, voor zover van belang, worden besproken. 

   BEOORDELING

Toetsingskader
4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft. 

Beoordeling 
4.2    Met de deken – en de twee door klaagster geraadpleegde advocaten – is het hof van oordeel dat de door klaagster gewenste procedure geen redelijke kans van slagen heeft. In de vaststellingsovereenkomst is niet bepaald dat de instemming van de gemeente in de vorm van een formeel besluit moest worden gegoten. De instemming van de gemeente met de vaststellingsovereenkomst blijkt genoegzaam uit het intrekken van de handhavingsbesluiten. Wat klaagster verder heeft aangevoerd, was bij het aangaan van de overeenkomst al bekend of niet relevant voor de rechtsgeldigheid van de vaststellingsovereenkomst. In het bijzonder het feit dat de gemeente bereid is geweest om de situatie te legaliseren, is blijkens het proces-verbaal van de zitting uitgebreid aan de orde geweest. 
 
4.3    Daarbij komt dat de mogelijkheid die artikel 13 Advocatenwet biedt om een advocaat aangewezen te krijgen, in beginsel beperkt is tot zaken, waarin de bijstand door een advocaat verplicht is gesteld. Die situatie doet zich hier niet voor. Klaagster kan het door haar gewenste executie kort geding bij de kantonrechter voeren en daarbij is geen bijstand door een advocaat voorgeschreven. De deken kan in zo’n geval de aanwijzing van een advocaat achterwege laten. 

4.4    Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de deken terecht en op goede gronden het verzoek van klaagster tot aanwijzing van een advocaat heeft afgewezen en dat het beklag ongegrond is.

5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 8 april 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. K.H.A. Heenk en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2026.

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 10 augustus 2026.