ECLI:NL:TACAKN:2026:70 Accountantskamer Zwolle 24/3896 Wtra AK 25/1199 Wtra AK
| ECLI: | ECLI:NL:TACAKN:2026:70 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-08-2026 |
| Datum publicatie: | 10-08-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht; berisping. Derde en vierde tuchtklacht van klager tegen betrokkene, waarbij de kern van het verwijt is dat betrokkene de Accountantskamer in de vorige tuchtzaak onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd. De klacht is deels gegrond. De verwijten van klager berusten grotendeels op (interpretaties van) documenten uit een digitaal systeem van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, maar daarmee heeft klager onvoldoende aangetoond dat betrokkene de Accountantskamer onjuist heeft voorgelicht. Enkel het verwijt dat betrokkene niet heeft verklaard dat hij wél toegang had tot een digitaal systeem brengt mee dat de Accountantskamer van oordeel is dat betrokkene tijdens de tweede klachtprocedure niet volledig is geweest in zijn verklaringen. |
ACCOUNTANTSKAMER
UITSPRAAK van 10 augustus 2026 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 24 oktober 2024 ontvangen klacht met nummer 24/3896 Wtra AK en de op 16 april 2025 ontvangen klacht met nummer 25/1199 Wtra AK van
prof. mr. X
kantoorhoudende te [plaats1]
K L A G E R
advocaat: prof. mr. C.M. Harmsen te Amsterdam
t e g e n
mr. drs. Y
registeraccountant en accountant-administratieconsulent
kantoorhoudende te [plaats2]
B E T R O K K E N E
advocaat: mr. M.G. Kelder te Utrecht
1. De procedure
1.1. De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met bijlagen (24/3896 Wtra AK)
- het verzoek om een tussenbeslissing van betrokkene van 14 juli 2025
- de reactie op dit verzoek van klager van 22 augustus 2025
- de tussenuitspraak van de Accountantskamer van 10 november 2025 (ECLI:NL:TACAKN:2025:70)
- het klaagschrift met bijlagen (25/1199 Wtra AK)
- het verweerschrift met bijlagen in beide zaken
- de brief van klager van 25 maart 2026 met bijlagen (productie 9 in 24/3896 Wtra AK en productie 2 in 25/1199 Wtra AK)
- het e-mailbericht van betrokkene van 25 maart 2026 met bijlage 52
- het verzoek van klager om behandeling achter gesloten deuren te doen plaatsvinden van 8 april 2026
- de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen van mr. Harmsen, mr. [X] en mr. Kelder.
1.2. De klacht is behandeld op de openbare zitting van 10 april 2026. Klager is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Het verzoek de behandeling achter gesloten deuren te doen plaatsvinden is, gehoord partijen, afgewezen.
2. De uitspraak samengevat
Waarover gaat deze zaak?
2.1. Het gaat in deze uitspraak om een derde en vierde tuchtklacht van klager tegen betrokkene, waarbij de kern van het verwijt is dat betrokkene de Accountantskamer in de vorige tuchtzaak onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd. Klager heeft aan de hand van interne documenten van de FIOD betoogd dat betrokkene over veel meer (digitale) stukken heeft beschikt dan hij de Accountantskamer destijds heeft voorgehouden. Ook verwijt klager betrokkene dat hij ten onrechte is blijven beschikken over verschoningsgerechtigd materiaal.
Het oordeel van de Accountantskamer.
2.2. De klacht is deels gegrond. De verwijten van klager berusten grotendeels op (interpretaties van) documenten uit een digitaal systeem van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD), maar daarmee heeft klager onvoldoende aangetoond dat betrokkene de Accountantskamer onjuist heeft voorgelicht. Enkel het verwijt dat betrokkene niet heeft verklaard dat hij wél toegang had tot een digitaal systeem (Summ-IT) brengt mee dat de Accountantskamer van oordeel is dat betrokkene tijdens de tweede klachtprocedure niet volledig is geweest in zijn verklaringen. De Accountantskamer legt aan betrokkene de maatregel van berisping op.
3. De feiten
3.1. Betrokkene is sinds [datum] 1999 als accountant-administratieconsulent (AA) ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Betrokkene is sinds [datum] 2011 als registeraccountant (RA) ingeschreven in dat accountantsregister.
3.2. Betrokkene, accountant in business, is werkzaam als opsporingsambtenaar bij de FIOD. Als coördinator tuchtrecht bij het Openbaar Ministerie (OM) stelde betrokkene (concept)tuchtklachten op die het OM kan indienen bij tuchtrechtelijke colleges, zoals de Accountantskamer en de Kamer voor het notariaat.
3.3. Klager is advocaat bij [advocatenkantoor1]. Hij stond in 2015 [BV1] bij, een vennootschap die zich bezighield met vermogensbeheer voor vermogende cliënten. [BV1] is in 2013 in een door de FIOD gestart strafrechtelijk onderzoek als verdachte aangemerkt. Klager heeft destijds als advocaat, naar aanleiding van dit strafrechtelijk onderzoek, een onderzoeksopdracht gegeven aan [accountantsorganisatie1] (hierna: [accountantsorganisatie1]).
3.4. Het strafrechtelijk onderzoek werd door het Openbaar Ministerie en de FIOD aangeduid als het onderzoek [A]. In het kader van dit onderzoek zijn op 4 en op 10 september 2015 vorderingen gericht aan het hostingbedrijf [hostingbedrijf1], de externe e-mailprovider van [BV1], om digitale gegevens af te geven. Aan deze vorderingen is gevolg gegeven door [hostingbedrijf1] door de aan [BV1] gerelateerde databestanden (in totaal ongeveer 2.000.000 bestanden) te verstrekken aan de FIOD (het [hostingbedrijf1]-beslag).
3.5. Forensisch IT-specialisten van de FIOD hebben vervolgens een werkkopie gemaakt. Deze werkkopie is met behulp van het softwareprogramma NUIX aan de hand van zoektermen doorzocht door medewerkers van de FIOD. In het kader van dit onderzoek hebben medewerkers opsporing van de FIOD ook kennisgenomen van e-mailcorrespondentie waarbij klager als advocaat betrokken was. Aan de hand van de inhoud van deze e-mails ontstond bij het onderzoeksteam van de FIOD de indruk dat het verschoningsrecht van klager als advocaat werd misbruikt doordat de opdracht aan [accountantsorganisatie1] niet door [BV1] was verstrekt maar op voorstel van klager door hemzelf.
3.6. Op 30 september 2015 hebben de opsporingsmedewerkers mr. [B] (hierna: mr. [B]) en/of mr. [C] (hierna: mr. [C]) e-mails verstrekt aan betrokkene, waaronder een mail van 30 maart 2015 waarbij klager als advocaat was betrokken. Op dat moment was niet met een interne procedure binnen het Openbaar Ministerie beoordeeld of (onder meer) het aan betrokkene overhandigde materiaal geprivilegieerde documenten bevatte die onder het verschoningsrecht van klager vielen. Op diezelfde dag heeft betrokkene een e-mail verzonden aan de officier van justitie mr. [D] (hierna: mr. [D]), werkzaam bij het Functioneel Parket. In deze e-mail heeft betrokkene, voor zover hier van belang, het volgende geschreven:
“Tijdens het interview met het FD noemde je als optie voor een tuchtklacht tegen een advocaat de situatie als hij zijn verschoningsrecht zou misbruiken en daarmee het strafrechtelijk onderzoek zou kunnen frustreren.
We hebben een lopend strafrechtelijk BZT-onderzoek waar bij de verdachte eerst een groot accountantskantoor opdracht heeft gegeven om e.e.a. uit te zoeken. Vervolgens wordt die opdracht ingetrokken en wordt [advocatenkantoor1] er tussen geschoven. We treffen nu een mail van de verdachte aan de accountant aan, waarin hij schrijft dat dit gebeurt op advies van een partner van [advocatenkantoor1] (naam wordt genoemd, hot shot) zodat het verschoningsrecht van toepassing wordt en de FIOD er dan tenminste niet aan kan komen als ze weer langs komen. Dit schrijven ze letterlijk. En omdat het hier correspondentie tussen de cliënt en de accountant betreft is het verschoningsrecht m.i. niet op deze correspondentie van toepassing.
Idee om deze casus eens geanonimiseerd aan de landsadvocaat voor te leggen in hoeverre we hier tuchtrechtelijk een kans maken? Volgens mij is deze casus namelijk precies wat je bedoelde en het lijkt me goed dat de tuchtrechter hier voor eens en altijd duidelijkheid in verschaft. Als het niet mag prima (dan volgen er nog meer tuchtzaken) en als de tuchtrechter het goed vindt, dan wordt het tijd voor een wetswijziging.
Graag hoor ik van je hoe jij hierin zit.”
3.7. Betrokkene was verzocht om het onderzoeksteam inzake [A] als opsporingsambtenaar bijstand te verlenen. Als zodanig heeft betrokkene verscheidene verhoren afgenomen, waaronder verhoren van de hoofdverdachte [E] (hierna: [E]) en op 2 oktober 2015 het verhoor van de [accountantsorganisatie1]-accountant wijlen [F] RA (hierna: [F]). De op 30 september 2015 door mr. [B] en/of mr. [C] aan betrokkene getoonde e-mail van [E] van 30 maart 2015 was verzonden aan (onder meer) [F] en klager.
3.8. Op 6 november 2015 heeft betrokkene een e-mail ontvangen van mr. [G] (hierna:
mr. [G]), een van de zaaksofficieren in het onderzoek [A]. De inhoud van deze e-mail luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“Ik besprak zojuist de kwestie met [D]. (…..)
Zou jij een feitenomschrijving voor mij willen maken. Die ga ik vervolgens voorleggen aan de landsadvocaat voor advies over tuchtrechtrechtelijke stappen.”
Op 16 november 2015 heeft betrokkene de e-mail van mr. [G] beantwoord. Betrokkene heeft de e-mailwisseling tussen [E] en [F] van 30 maart 2015, waarin klager was meegenomen, toegestuurd aan mr. [G] met daarbij, voor zover hier van belang, de volgende begeleidende tekst:
“Met excuus voor de vertraging bijgaand het bedoelde mailverkeer in de zaak [A]. Hierbij is zeker niet gestreefd naar volledigheid, het gaat even om het mailverkeer dat de trigger is geweest.
In de zaak [A] zou [accountantsorganisatie1] een onderzoek gaan uitvoeren in opdracht van de RvC. Op maandag 30 maart om 21.21 uur mailt de accountant aan [H] met het verzoek om een schriftelijke opdracht van de RvC. Een half uur later krijgt hij echter van [E] antwoord, die kort daarvoor via een conference call met [X] van [advocatenkantoor1] heeft gesproken. In dat gesprek heeft [advocatenkantoor1] het voorstel gedaan om de opdracht aan zijn kantoor te geven zodat onder de bescherming van het verschoningsrecht kan worden gewerkt. “Als de FIOD dan langs komt, dan mogen ze het niet meenemen”. Hoewel [I] van [accountantsorganisatie1] het onderzoek zou gaan uitvoeren, antwoordt [F] in een mail dat hij daarmee akkoord gaat. De opdracht is vervolgens door [accountantsorganisatie1] uitgevoerd (of zijn daar nog mee bezig, dat is even onduidelijk voor mij nu [voornaam1] en [voornaam2] er beiden niet zijn), maar dan onder de afgesproken vlag van [advocatenkantoor1].
De mail is weliswaar eveneens aan [X] van [advocatenkantoor1] gestuurd, maar in mijn beleving is dat meer voor de vorm en op advies van [advocatenkantoor1] dan dat het echt inhoudelijk gezien noodzakelijk is. In verband met capaciteitsproblemen is nog niet actief verder gezocht, maar ik hoor wel wat de landsadvocaat nodig acht om een evt. tuchtzaak succesvol te maken.”
Op 18 november 2015 heeft betrokkene een aanvullende e-mail gestuurd aan mr. [G] en enkele anderen, waarin hij, voor zover hier van belang, het volgende heeft geschreven:
“In aanvulling op de vorige mail: Het mailverkeer waar het om gaat is allemaal in cc aan de advocaat gestuurd. Voor de twijfelaars onder ons verwijs ik naar een zeer recente uitspraak van de HR (ECLI:NL:HR:2015:3258) d.d. 10 oktober 2015, waarin met zoveel woorden wordt gesteld dat mailverkeer van A naar B en in cc aan de advocaat niet onder het verschoningsrecht valt. De mailwisseling kan dus zonder meer worden gebruikt voor een evt. vervolg.”
3.9. Mr. [G] heeft in een e-mailbericht van 7 december 2015 aan de landsadvocaat (mr. [J[) ‘de onderhavige casus’ ingebracht voor advies. Mr. [J] laat in een e-mail van 7 januari 2016 weten dat hij enkele vragen over de feiten in deze zaak heeft. Mr. [G] heeft dat bericht doorgestuurd aan betrokkene en [K] met het verzoek de beantwoording over te nemen. Betrokkene heeft de vragen beantwoord per e-mail van 13 januari 2016. Als bijlage heeft betrokkene een scan meegestuurd van:
“- een eerste aanzet voor de onderzoeksopdracht, opgesteld door [accountantsorganisatie1] van 2 april 2015
- een door de verdachte gecorrigeerde versie d.d. 6 april 2015
- een mail d.d. 17 april waarin de procedure staat geschetst: eerst bedoeling dat opdracht
door RvC wordt verstrekt, daarna besluit om het naar de advocaat toe te schuiven om het
onder het verschoningsrecht te laten vallen en vervolgens de vaststelling dat de
rapportage dient plaats te vinden als ware de opdracht hiertoe rechtstreeks door de RvC
aan [accountantsorganisatie1] verstrekt
- notulen van gespreksverslag d.d. 2 juni 2015 tussen [accountantsorganisatie1] en de hoofdverdachte waarin de
verdere details over het onderzoek. Lijkt me wel bijzonder dat [accountantsorganisatie1] met de verdachte communiceert over de wijze van onderzoek, terwijl [advocatenkantoor1] opdrachtgever is;
- voor de aardigheid, een verslag van de commissarissenvergadering van 20 mei waarin de
onvrede over [advocatenkantoor1] wordt geuit”.
3.10. Mr. [J] heeft op 9 februari 2016 zijn advies uitgebracht. Hij komt tot de volgende conclusie:
“Op basis van de in deze casus beschikbare informatie bestaat naar mijn mening voldoende
grondslag voor het indienen van een tuchtklacht tegen mr. [X].
Mr. [X] lijkt aan zijn cliënte een constructie te hebben geadviseerd waarlangs van zijn verschoningsrecht gebruik kan worden gemaakt, in een situatie waar dat verschoningsrecht evident niet voor bedoeld is. Het heeft er daarmee alle schijn van dat deze constructie slechts bedoeld is om het werk van politie en justitie te frustreren. Daarmee is - zo kan op goede grond worden gesteld - gehandeld op een wijze zoals een behoorlijk advocaat niet betaamt, en het vertrouwen in de advocatuur is daarmee - zo kan eveneens op goede grond worden gesteld - geschaad.”
3.11. Een niet zelf bij het [A]-onderzoek betrokken officier van justitie, mr. [L] (hierna: mr. [L]), heeft beoordeeld welke in beslag genomen digitale bestanden die naar voren waren gekomen uit het onderzoek met het softwareprogramma NUIX, onder het verschoningsrecht vielen. Mr. [L] heeft aanvankelijk, op 10 maart 2016, geoordeeld dat al deze bestanden dienden te worden aangemerkt als vermoedelijke geheimhouderinformatie en dienden te worden vernietigd. Op verzoek van het Functioneel Parket heeft hij daarna 155 bestanden herbeoordeeld, die door [M] (hierna: [M]), opsporingsambtenaar, rechercheur en medewerker geheimhouderinformatie bij de FIOD, waren geselecteerd en bij mr. [L] waren langsgebracht op 3 mei 2016. In het kader daarvan heeft mr. [L] vervolgens op 24 mei 2016 geoordeeld dat een deel van deze bestanden wel kwalificeert als geheimhouderinformatie en een deel niet. Mr. [L] heeft [M] opdracht gegeven om zorg te dragen voor vernietiging van de eerstbedoelde bestanden.
3.12. Op 9 juni 2016 is [M] bij betrokkene nagegaan in hoeverre hij documenten in zijn bezit had afkomstig uit het [hostingbedrijf1]-beslag waarvan mr. [L] had beslist dat die als geheimhouderinformatie moesten worden aangemerkt. Tijdens die controle is naar voren gekomen dat betrokkene twee van dergelijke documenten voorhanden had, te weten de hiervoor genoemde e-mailwisseling van 30 maart 2015 en een e-mail van 2 april 2015 (volgnummers 151 en 152). [M] heeft in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal verklaard dat hij deze beide documenten op 9 juni 2016 heeft ingenomen.
3.13. Op 12 april 2017 heeft het Openbaar Ministerie een tuchtklacht bij de Accountantskamer ingediend tegen drie accountants die werkzaam waren bij [accountantsorganisatie1], onder wie [F]. In het kader van die tuchtklacht trad betrokkene op als gemachtigde van het Openbaar Ministerie.
3.14. Klager heeft op 19 juni 2019 een klacht tegen betrokkene ingediend bij de Accountantskamer. Bij uitspraak van 12 februari 2021 (ECLI:NL:TACAKN:2021:17) is deze klacht gedeeltelijk gegrond verklaard. Aan betrokkene is bij deze uitspraak de maatregel van berisping opgelegd. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Op het hoger beroep is nog niet beslist.
3.15. Klager heeft een vervolgklacht ingediend bij de Accountantskamer op 31 maart 2023, omdat hem nieuwe informatie bekend was geworden (hierna: de Tweede Klachtprocedure). De Accountantskamer heeft deze klacht gedeeltelijk gegrond verklaard bij uitspraak van 21 december 2023 (ECLI:NL:TACAKN:2023:58). Aan betrokkene is bij deze uitspraak de maatregel van tijdelijke doorhaling voor de duur van zes maanden opgelegd. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Op het hoger beroep is nog niet beslist.
3.16. Tussen het Openbaar Ministerie (OM) en [advocatenkantoor1] is op 4 november 2024 een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van verschillende procedures en geschillen in verband met de schending van het verschoningsrecht door medewerkers van het OM en de FIOD. In de vaststellingsovereenkomst heeft het OM onder meer de verplichting op zich genomen het verschoningsgerechtigd materiaal dat zich nog onder het OM en/of de FIOD bevond, te laten vernietigen en daarover schriftelijk verantwoording af te leggen.
3.17. Opsporingsambtenaar [N] heeft uitvoering gegeven aan de opdracht uit de vaststellingsovereenkomst tot vernietiging van het verschoningsgerechtigde materiaal. Hij verklaart onder meer in zijn proces-verbaal van 18 december 2024:
“Hierna verbaliseer ik de terugkoppeling van genoemde ambtenaren naar aanleiding van mijn vragen als hiervoor bedoeld.
[Y]:
[Y] deelde mij op 12 december 2024 per mail mede dat hij in het kader van de opdracht tot vernietiging van verschoningsgerechtigd materiaal van het OM d.d. 04 november 2024, op twee locaties verschoningsgerechtigd materiaal heeft aangetroffen.
Het betreft hier ten eerste de informatie die hij heeft opgeslagen op de systemen van de FIOD of in het FIOD-archief ten behoeve van de [accountantsorganisatie1]-klachtprocedures. Ten aanzien van het fysieke en digitale dossier van deze klachtprocedures heeft hij. voor zover hij nog verschoningsgerechtigd materiaal heelt aangetroffen, dit materiaal verwijderd. Ten aanzien van het zichtmapje zoals vermeld in de opdracht van het OM deelde hij mij mede dat hij de inhoud daarvan al jaren geleden had vernietigd.
Ten tweede betreft het verschoningsgerechtigd materiaal dat is ingebracht in de tuchtprocedures tegen [Y] zelf. Hij deelde mij mede dat dat materiaal niet is vernietigd op grond van de uitzondering op voornoemde opdracht tot vernietiging van het OM.
Tot slot deelde [Y] mij mede dat hij zijn mailbox is doorgelopen en daarbij alle mails waar
hij verschoningsgerechtigd materiaal in heeft aangetroffen, heeft uitgeprint en het verschoningsgerechtigd materiaal zwart heeft gemaakt, waarna hij de originele mails met
eventuele bijlagen op 27 november 2024 heeft verwijderd”.
4. De klacht
4.1. Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Klager verwijt betrokkene het volgende:
In de klacht met zaaknummer 24/3896 Wtra AK (derde tuchtklacht): betrokkene heeft onjuist en onvolledig verklaard in de Tweede Klachtprocedure; er bestaat een groot verschil tussen de verklaringen van betrokkene in de eerder gevoerde tuchtprocedures en de vastleggingen in het FIOD-journaal.
In de klacht met zaaknummer 25/1199 Wtra AK (vierde tuchtklacht): Klager heeft aan de hand van het proces-verbaal van [N] (andermaal) vastgesteld dat betrokkene over veel meer geprivilegieerde stukken de beschikking heeft gehad dan waarover hij de Accountantskamer eerder heeft voorgelicht. In zoverre vult klager de derde tuchtklacht over het onjuist en onvolledig verklaren tegenover de Accountantskamer aan.
Daarnaast volgt volgens klager uit het proces-verbaal van [N] (zie hiervoor onder 3.17) dat betrokkene in november/december 2024 nog de beschikking had over verschoningsgerechtigd materiaal en dat hij geen bewijs heeft geleverd dat dit materiaal is vernietigd.
5. De beoordeling
5.1. De Accountantskamer toetst het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).
Geen repliek.
5.2. Klager heeft ter zitting verzocht om nog schriftelijk te mogen reageren op het verweerschrift voor zover de Accountantskamer bepaalde delen van het verweerschrift niet buiten beschouwing zou laten. Dat is te omvangrijk voor een mondelinge reactie, zo stelt klager. De Accountantskamer gaat hierin niet mee. De procedure bij de Accountantskamer is in beginsel beperkt tot één schriftelijke ronde. Alleen als dat nuttig of noodzakelijk wordt geacht, kan de voorzitter besluiten dat een tweede schriftelijke ronde plaatsvindt[1]. Partijen hebben ieder een uur spreektijd gehad tijdens de mondelinge behandeling. Daarmee hebben zij naar het oordeel van de Accountantskamer voldoende gelegenheid gehad om in reactie op het klaag- en verweerschrift hun nadere stellingen en weren naar voren te brengen.
Verdere overwegingen vooraf.
5.3. De Accountantskamer stelt verder het volgende voorop.
5.3.1. De derde tuchtklacht (24/3896 Wtra AK) gaat in de kern over de vraag of betrokkene tijdens de Tweede Klachtprocedure de Accountantskamer juist en volledig heeft voorgelicht. Het gaat daarbij om de schriftelijke verklaringen van betrokkene die blijken uit het verweerschrift van de toenmalige advocaat van betrokkene en uit de spreekaantekeningen die tijdens de mondelinge behandeling op 16 oktober 2023 zijn overgelegd. Daarnaast gaat het om de verklaringen ter zitting tijdens de mondelinge behandeling van de Tweede Klachtprocedure die zijn opgenomen in het proces-verbaal van die zitting. Tezamen zal in het vervolg hiernaar worden verwezen als ‘verklaringen tijdens de Tweede Klachtprocedure’, waar dienstig voorzien van een exacte bronverwijzing. Over de juistheid en volledigheid van verklaringen tijdens de eerste klachtprocedure heeft klager, anders dan de inleiding op zijn derde tuchtklacht doet vermoeden, geen concrete verwijten naar voren gebracht. Daarover zal de Accountantskamer dus niet oordelen.
5.3.2. Volgens klager is na het indienen van de derde tuchtklacht opnieuw informatie ter beschikking gekomen, die andermaal onderbouwt dat betrokkene onjuiste en onvolledige verklaringen heeft afgelegd in de Tweede Klachtprocedure. Dat betreft naar het oordeel van de Accountantskamer een aanvullende onderbouwing van de derde tuchtklacht. Daarom faalt het verweer van betrokkene dat sprake is van ne bis in idem en is klager ontvankelijk in deze klacht(en). De Accountantskamer behandelt de derde tuchtklacht geheel en de vierde tuchtklacht gedeeltelijk hierna gezamenlijk. Daarna zal de Accountantskamer de overige klachtonderdelen uit de vierde tuchtklacht aan de orde stellen.
5.3.3. Betrokkene heeft in zijn verweer uitgelegd dat het hem tijdens de Tweede Klachtprocedure niet geheel vrijstond om verklaringen af te leggen over de gang van zaken in het [A]onderzoek. Zo heeft zijn advocaat destijds geadviseerd niets te verklaren over het advies van de Landsadvocaat. Daarnaast is betrokkene in zijn verweer ook overigens uitgebreid ingegaan op de Tweede Klachtprocedure en op de beslissing in die procedure van de Accountantskamer. De Accountantskamer wijst erop dat deze nieuwe tuchtprocedure er niet voor is bedoeld om de Tweede Klachtprocedure nog eens over te doen. De uitspraak ligt in hoger beroep voor bij het CBb. Aan dat uitvoerige deel van het verweerschrift van 129 pagina’s gaat de Accountantskamer daarom voorbij.
5.3.4. Ook klager maakt betrokkene verwijten die al behandeld zijn in de Tweede Klachtprocedure die de Accountantskamer daarom niet zal behandelen.
5.3.5. De Accountantskamer richt zich kortom op de zojuist opgeworpen vraag, of betrokkene de Accountantskamer tijdens de Tweede Klachtprocedure juist en volledig heeft voorgelicht. Het is daarbij aan de klagende partij om de verwijten goed te omschrijven, zodat het voor de aangeklaagde accountant en de Accountantskamer duidelijk is waarover het verwijt gaat. Ook ligt het op de weg van de klagende partij de klacht aannemelijk te maken.
Derde tuchtklacht. Betrokkene heeft onjuist en onvolledig verklaard in de Tweede Klachtprocedure; er bestaat een groot verschil tussen de verklaringen van betrokkene in de eerder gevoerde tuchtprocedures en de vastleggingen in het FIOD-journaal.
5.4. Klager heeft dit verwijt onderbouwd en nader toegelicht aan de hand van de volgende vijf verklaringen van betrokkene, waarvan klager betoogt dat deze onjuist en onvolledig zijn.
1. Betrokkene heeft tijdens de Tweede Klachtprocedure meermaals gesteld dat hij zich bij het indienen van de stukken in de tuchtprocedure tegen de [accountantsorganisatie1]-accountants in april 2017 uitsluitend zou hebben gebaseerd op de fysieke stukken die aan hem zouden zijn gegeven en die zich in een zogenoemd ‘zichtmapje’ zouden hebben bevonden én dat hij geen toegang zou hebben gehad tot de digitale beslagstukken.
2. Betrokkene heeft tijdens de Tweede Klachtprocedure meermaals en met grote stelligheid verklaard dat hij niet zelf zou hebben gezocht of hebben kunnen zoeken in het digitale beslagdossier en dat hij zich uitsluitend zou hebben gebaseerd op een beperkt aantal fysieke documenten in een ‘zichtmapje’.
3. Betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling van de Tweede Klachtprocedure verklaard dat hij geen kennis had van de inhoud van de e-mail van 2 april 2015 (nader omschreven in 5.11 hierna).
4. Betrokkene heeft in de Tweede Klachtprocedure meermaals beweerd uitsluitend de beschikking te hebben gehad over een beperkt aantal fysieke e-mails in een zichtmapje.
5. Betrokkene heeft in de Tweede Klachtprocedure verklaard dat hij op geen enkele wijze was betrokken bij de hertoetsing door mr. [L].
5.5. Aanvullend heeft klager in de vierde tuchtprocedure (als eerste verwijt) herhaald dat klager de Accountantskamer onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd over de stukken die hij vanaf 30 september 2015 ter beschikking heeft gehad. Volgens klager had betrokkene niet alleen de beschikking over enkele fysieke stukken in een zichtmapje, maar over veel meer fysieke en digitale stukken, zoals het proces-verbaal van [N] aantoont.
Ad 1., 2. en 4. uit de derde tuchtklacht en het eerste verwijt uit de vierde tuchtklacht.
5.6. De subverwijten 1, 2 en 4 en het eerste verwijt uit de vierde tuchtklachtprocedure hangen nauw met elkaar samen. De Accountantskamer bespreekt ze daarom hierna gezamenlijk.
5.7. Klager heeft het volgende aangevoerd.
5.7.1. Betrokkene heeft in de Tweede Klachtprocedure meermaals gesteld dat hij zich bij het indienen van de stukken in de tuchtprocedure tegen de [accountantsorganisatie1] uitsluitend heeft gebaseerd op fysieke stukken die aan hem zouden zijn gegeven en die hij bewaarde in het zogenoemde zichtmapje.
Zo heeft betrokkene in het verweerschrift laten schrijven:
- Betrokkene heeft nooit toegang gehad tot de bestanden in het [A]-onderzoek en dus ook, anders dan klager stelt, niet over veel meer correspondentie beschikt dan de stukken die in de procedure zijn ingebracht[2].
- Betrokkene had als gezegd geen toegang tot de onderzoeksdata in het [A]onderzoek[3].
- Betrokkene was niet geautoriseerd tot het forensisch domein (de digitale werkomgeving van de FIOD waar de aan opsporing gerelateerde werkzaamheden plaatsvinden en waar onder meer de onderzoeksdata stonden)[4].
- Hij (betrokkene, Accountantskamer) had geen toegang tot deze digitale omgeving waarin deze data zich bevonden[5].
Ter zitting heeft de advocaat in haar pleitnota, en betrokkene in antwoord op vragen van de Accountantskamer, in gelijkluidende zin verklaard. Bijvoorbeeld:
- Betrokkene heeft niet zelf een hem welgevallige selectie van die documenten gemaakt. Sterker nog, hij had in het geheel geen toegang tot deze digitale bestanden.
- Mr. Batting verklaart desgevraagd dat de stukken in het zichtmapje geprinte digitale stukken waren.
- Betrokkene antwoordt dat hij geen toegang had tot het digitale beslag.
- Betrokkene antwoordt dat hij wel toegang heeft tot een kast met ordners, maar niet tot het digitale dossier. Hij had geen autorisatie voor het digitale beslag van [A]. Hij heeft in het fysieke dossier gekeken. Hij heeft nooit in de e-mails van de zaak [A] gekeken. Hij heeft een keer in de kamer van collega's een aantal ordners ingekeken.
5.7.2. Klager heeft inzage gekregen in het FIOD-journaal in de [A]zaak. Dat is een digitaal logboek waarin opsporingsambtenaren van het opsporingsteam intern vastleggen waarmee zij bezig zijn en welke afspraken zij onderling maken. Klager heeft enkele aantekeningen uit het FIOD-journaal overgelegd.
- In aantekening 27 (d.d. 27 oktober 2015), een notitie van mr. [C], staat: [O] en [F] zijn gehoord. [O] kon zich voornamelijk niks herinneren en moest van alles opzoeken. [F] zei dat hij nergens wat van afwist. Dit laatste blijkt volgens aangetroffen mail in NUIX niet waar te zijn. Is er sprake van meineed? Nee, want [F] stond niet onder ede. Vervolg is dat wij een vragenlijst opstellen voor [O] en dat hij zich in het dossier verdiept en naar aanleiding van deze vragen opnieuw gehoord zal worden.
[voornaam3] (betrokkene, Accountantskamer) heeft voorgesteld om [O] en [F] tuchtrechtelijk aan te pakken. FP is het hiermee
eens. [voornaam3] mag van het FP putten uit het strafrechtelijk dossier tenzij het
strafrechtelijk belang zich hiertegen verzet.
- In aantekening 40 (d.d. 22 januari 2016), een notitie van [P], staat dat betrokkene
leesrechten niveau 4 verkrijgt met als argument: Inzage stukken voorbereiden tuchtzaak.
- In aantekening 46 (d.d. 5 april 2016), een notitie van [K], staat: Heden gesproken met [Q] en [R] ivm de stukken die door [L] zijn betiteld als GH stukken
(geheimhouderstukken, Accountantskamer) terwijl deze stukken in principe nodig zijn voor de tuchtzaak. Dit is met [L] besproken
en [L] is tot de conclusie gekomen dat het geen GH stuk is om de landsadvocaat het
stuk reeds beoordeeld heeft als niet Geheim. Aangegeven dat wij dit graag schriftelijk
willen zodat het gebruikt kan worden in de tuchtzaak. Daarnaast met [voornaamR] kort
gesloten dat [M] in overleg met [L] in de case gaat kijken welke stukken mogelijk
van belang kunnen zijn voor deze procedure zodat deze eveneens voorgelegd kunnen worden
aan [L]. Rob heeft hier al een selectie van gemaakt en met hem heb ik afgesproken
dat hij deze gaat beoordelen en eventueel voor gaat leggen aan [L] zodat alles op
een correcte manier wordt afgewerkt. Daarnaast besproken dat als de vordering bij
[accountantsorganisatie1] wordt voldaan voor het verkrijgen van de rapportage eerst
overleg wordt gevoerd met het FP zodat met hen ook de vervolgstappen besproken kunnen
worden indien [accountantsorganisatie1] niet aan zijn verplichting voldoet.
- In aantekening 50 (d.d. 25 mei 2016), een notitie van [K], staat: Gesproken met [R] i.v.m. de door [M] aangeleverde mogelijke GH stukken. [voornaamR] heeft een lijst gemaakt van de mogelijke GH stukken (hierbij zitten ook de stukken die zijn aangeleverd door de landsadvocaat en door [voornaam3] die [L] zal moeten beoordelen en na deze beoordeling ter beschikking kan stellen aan het onderzoeksteam of nog ter beoordeling aan de RC. Zijn ze ter beschikking van het onderzoeksteam dan kunnen deze op verzoek van [voornaam3] aan hem ter beschikking worden gesteld voor de op te starten tuchtrecht procedure. [voornaamR] hoopt dat het geregeld is voordat hij volgende week op vakantie gaat.
5.7.3. Klager stelt dat uit deze FIOD-journaalmutaties duidelijk blijkt dat betrokkene in strijd met de waarheid heeft verklaard dat hij niet geautoriseerd was voor toegang tot het digitale beslag inzake [A]. Betrokkene had immers ‘leesrechten niveau 4’ in dat dossier en was dus wel degelijk geautoriseerd. Het is klager gebleken dat het hierbij gaat om autorisatie die betrokkene in januari 2016 heeft gekregen voor het digitale beslagdossier inzake [A]. Betrokkene heeft verklaard dat autorisaties werden toegewezen op basis van voordien toegekende autorisaties. Aangezien betrokkene in januari 2016 toegang verkreeg, moet hij ook voor januari 2016 toegang hebben gehad tot de digitale beslagstukken, zo stelt klager.
5.7.4. Dat betrokkene daadwerkelijk heeft geput uit de digitale beslagstukken blijkt volgens klager ook uit zijn mail van 16 november 2015 (zie 3.8). Hij refereert in dat bericht immers aan meer mailverkeer dan hij meestuurt aan mr. [G]. Betrokkene had toen dus al zicht op het mailverkeer in de zaak [A]. Ook uit het bericht van 13 januari 2016, waarmee betrokkene in antwoord op vragen van de landsadvocaat negen e-mails meestuurt afkomstig uit het [hostingbedrijf1]-beslag, blijkt dat betrokkene toegang had tot die mails en daar zelf over heeft kunnen beschikken.
5.7.5. Tot slot volgt volgens klager uit het beroepschrift tegen de uitspraak in de Tweede Klachtprocedure dat betrokkene over veel meer stukken heeft beschikt. [R] heeft een lijst samengesteld van 155 e-mails die door mr. [L] moesten worden herbeoordeeld. Uit een citaat uit het beroepschrift van betrokkene volgt dat [R] die lijst heeft samengesteld nadat hij een scan van alle stukken had ontvangen die betrokkene van de opsporingsmedewerkers uitgeprint had ontvangen. Betrokkene had dus wel degelijk de beschikking over meer dan alleen een zichtmapje met wat stukken.
5.8. De Accountantskamer is van oordeel dat klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene zelf toegang had tot de digitale stukken uit het [hostingbedrijf1]-beslag, dat wil zeggen de circa 2 miljoen e-mailberichten die onder het beslag vallen (zie 3.4). Niet aannemelijk is gemaakt dat betrokkene daarin zelf heeft kunnen zoeken. Klager heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene over meer stukken heeft beschikt dan de fysieke stukken die hem zijn aangereikt door medewerkers van het opsporingsteam, welke stukken hij in zijn zichtmapje heeft bewaard. Wel is de Accountantskamer van oordeel dat betrokkene niet volledig is geweest in zijn eerdere verklaringen bij de Accountantskamer. In het verweerschrift maakt betrokkene duidelijk dat de autorisatie leesrechten niveau 4 ziet op het systeem Summ-IT. Met behulp van dat systeem volgde betrokkene de bewerkingen in het proces-verbaal van [S], een kamergenote van betrokkene die het controledossier van [accountantsorganisatie1] beoordeelde. Aan dat proces-verbaal kunnen bijlagen uit het computersysteem Forensisch Domein, hierna te noemen: FD, worden gehecht waaronder dus ook uit het [hostingbedrijf1]-beslag. Het lag daarom op de weg van betrokkene, in het kader van de zorgvuldigheid die hij als accountant had te betrachten, om in de Tweede Klachtprocedure hierover meer openheid te verschaffen aan de Accountantskamer. In dat opzicht zijn de verklaringen van betrokkene niet volledig geweest.
De Accountantskamer legt dit oordeel hierna verder uit.
5.8.1. Betrokkene heeft de volgende toelichting gegeven op de verschillende computersystemen die door de FIOD in gebruik zijn (geweest), welke toelichting wordt ondersteund door het proces-verbaal van [N] van 18 december 2024, waarin de verschillende computersystemen zijn uitgelegd.
- In Summ-IT worden per onderzoek de processen-verbaal vastgelegd. Daarnaast wordt in
dit systeem per onderzoek een journaal bijgehouden, onderverdeeld in een onderzoekjournaal
en een afsprakenjournaal. De journaalmutaties die klager heeft getoond in het klaagschrift,
komen uit Summ-IT. Bij een proces-verbaal kunnen bijlagen worden gevoegd, zoals in
beslag genomen stukken.
- In IDR, een systeem dat tot 1 januari 2016 in gebruik was, werden alle data die in het kader van de opsporingsonderzoeken waren verzameld, zoals uit vorderingen of doorzoekingen, opgeslagen en verwerkt. De digitale data uit het [hostingbedrijf1]-beslag zijn daarin opgeslagen.
- De opvolger van IDR, FD, is sinds 1 januari 2016 in gebruik.
- NUIX is een softwareapplicatie, waarmee IDR en FD bevraagd kunnen worden. De gegevens in IDR waren via NUIX enkel raadpleegbaar via een computer die niet verbonden is met een netwerk, een stand alone computer dus. Sinds de invoering van FD is NUIX via het netwerk benaderbaar.
5.8.2. De Accountantskamer begrijpt het verwijt van klager over de onjuistheid van de verklaringen in de Tweede Klachtprocedure zo, dat klager stelt dat betrokkene geautoriseerd was voor gebruik van NUIX, en dus toegang had tot het [hostingbedrijf1]-beslag zoals dat was opgeslagen in IDR en later in FD. Dat betrokkene echter toegang had tot het [hostingbedrijf1]-beslag via NUIX heeft betrokkene gemotiveerd betwist en is naar het oordeel van de Accountantskamer door klager onvoldoende aannemelijk gemaakt.
5.8.3. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat betrokkene na journaalmutatie 27 (de toezegging dat betrokkene mocht putten uit het strafrechtelijk onderzoek ten behoeve van de tuchtzaak tegen de [accountantsorganisatie1]-accountants) nog niets kon, omdat met deze toezegging nog geen autorisatie in NUIX (IDR/FD) is geactiveerd. Betrokkene heeft toegelicht dat deze toezegging feitelijk niet meer inhield dan dat betrokkene in de nabije toekomst de tuchtklacht tegen de [accountantsorganisatie1]-accountants mocht baseren op strafrechtelijke onderzoeksgegevens, maar dat betrokkene op dat moment nog niet feitelijk geautoriseerd werd tot de digitale systemen, laat staan dat hij zelf op zoek is gegaan naar belastende informatie. De Accountantskamer is van oordeel dat deze toelichting aannemelijk is en overweegt het volgende.
5.8.4. Betrokkene heeft in januari 2016 gevraagd om toegang tot Summ-IT, omdat hij de voortgang van de handelingen in het proces-verbaal van [S] wilde kunnen raadplegen. Daarop ziet journaalmutatie 40 van 22 januari 2016, het verkrijgen van leesrechten. Zoals betrokkene heeft toegelicht, is het met Summ-IT niet mogelijk om het [hostingbedrijf1]-beslag te raadplegen, want dat is alleen benaderbaar via NUIX (waarmee IDR/FD wordt geraadpleegd).
5.8.5. Ondersteunend aan betrokkenes verweer is de e-mail van [T] aan betrokkene van 13 april 2023. Hij verklaart daarin dat hij in de periode januari 2016 tot en met 2017 geen autorisatieaanvragen van betrokkene ten behoeve van toegang tot [A] op het FD is tegengekomen, dat zonder aanvraag geen autorisatie bestaat en dat betrokkene in de periode januari 2016 tot en met mei 2017 daarom geen toegang heeft gehad tot het [A]onderzoek. Klager doet die verklaring af als onwaar, maar onderbouwt die stelling niet anders dan met de verwijzing naar genoemde journaalmutaties. Uit de verklaring van [T] volgt dat de journaalmutatie 40 van 22 januari 2016, die ligt in de periode waarover [T] in zijn e-mail heeft verklaard en uit welke mutatie blijkt dat aan betrokkene leesrechten niveau 4 zijn toegekend, geen betrekking kán hebben op de toegang tot het FD, dus tot het [hostingbedrijf1]-beslag. De Accountantskamer ziet geen reden om aan de juistheid van de verklaring van [T] te twijfelen. Ook uit de andere journaalmutaties blijkt niet dat aan betrokkene autorisatie is verleend tot NUIX (IDR/FD).
5.8.6. De e-mailberichten van betrokkene aan mr. [G] van 16 november 2015 en 13 januari 2016, waarnaar klager heeft verwezen, tonen evenmin aan dat betrokkene over meer stukken beschikking had dan de fysieke stukken in het zichtmapje, of dat hij zelf zou hebben gezocht naar belastende informatie in de digitale stukken. Het genoemde mailverkeer bewijst niet dat betrokkene stukken heeft gedeeld die hij zelf uit het [hostingbedrijf1]-beslag heeft opgediept. Zo heeft betrokkene op 13 januari 2016 stukken gedeeld met mr. [G] die hij eerst had gescand, omdat hij schrijft ‘…bijgevoegd een scan met…’. Dat wijst erop dat betrokkene stukken met mr. [G] heeft gedeeld uit het zichtmapje, verkregen van mr. [B] en/of mr. [C], althans geen stukken die hem reeds digitaal ter beschikking stonden. Anders had betrokkene immers eenvoudig de digitale versie van de stukken kunnen doorsturen, maar in plaats daarvan heeft hij de stukken eerst gescand. Betrokkene heeft verklaard dat hij alleen over een aantal geprinte e-mailberichten beschikte.
5.8.7. Betrokkene heeft toegelicht dat [M] (zie hierna, 5.15) de selectie van stukken voor de herbeoordeling door [L] uit het digitale [hostingbedrijf1]-beslag heeft gemaakt, deze stukken heeft geprint, in een map heeft gedaan inclusief een overzicht en deze map eerst fysiek en later nog eens digitaal aan de parketsecretaris [R] heeft gegeven/verstuurd ten behoeve van de herbeoordeling. [R] heeft de stukken die hij van [M] had ontvangen, vergeleken met de stukken die in het advies van de landsadvocaat zijn genoemd. Omdat hij een paar stukken miste heeft [R] die op 13 mei 2016 opgevraagd bij betrokkene. Betrokkene heeft vervolgens zijn zichtmapje gescand en aan [R] gezonden. Uit deze gang van zaken blijkt niet, anders dan klager stelt, dat betrokkene over meer stukken heeft beschikt dan zich in zijn zichtmapje bevonden. Wel ondersteunt deze gang van zaken dat betrokkene niet over digitale stukken beschikte. Hij heeft ook de stukken die hij aan [R] heeft verstuurd, immers gescand. Dit volgt uit zijn e-mail van 13 mei 2016 15:07 uur waarmee hij stukken uit zijn ‘setje’ stukken, die door hem om 15:04 uur die dag zijn gescand, aan [R] heeft verstuurd.
5.8.8. Tot slot meent klager dat betrokkene niet naar waarheid heeft verklaard over het bezit van de verschoningsgerechtigde informatie, omdat uit het proces-verbaal van [N] (zie hiervoor, 3.17) blijkt dat betrokkene niet alleen de fysieke stukken uit het zichtmapje heeft vernietigd, maar ook stukken die waren opgeslagen op de systemen van de FIOD of in het FIOD-archief en stukken in zijn eigen mailbox. Daaruit volgt volgens klager dat betrokkene wel degelijk over digitale informatie beschikte en bovendien over veel meer informatie dan slechts enkele e-mails in het zichtmapje. De Accountantskamer volgt klager hierin niet. Gegeven is dat betrokkene over een onbekend aantal fysieke stukken in het zichtmapje beschikte, die hij ontving van mr. [B] en/of mr. [C]. Dat betrokkene daarnaast over ‘veel meer’ stukken beschikte, waarmee de Accountantskamer begrijpt: stukken met een andere inhoud dan de inhoud van de stukken in het zichtmapje en gebruikt in de tuchtprocedure tegen de [accountantsorganisatie1]-accountants, volgt daar niet zonder meer uit. Betrokkene heeft uitgelegd dat zijn oorspronkelijk fysieke stukken een eigen digitaal leven zijn gaan leiden. Zo heeft hij zijn stukken gescand om ze te delen met [R] (zie 5.8.7). De tuchtklacht tegen de [accountantsorganisatie1] is digitaal opgesteld en voorzien van digitale bijlagen. En de verschoningsgerechtigde stukken maakten onderdeel uit van de eerste en tweede tuchtklacht tegen betrokkene, die ook digitaal waren opgeslagen. In die omstandigheden is het naar het oordeel van de Accountantskamer te verwachten dat dezelfde digitale stukken op diverse plekken worden opgeslagen. Dat maakt betrokkenes verklaringen in de Tweede Klachtprocedure echter niet onwaar. Betrokkene heeft verklaard, mede in antwoord op vragen van de Accountantskamer, over de herkomst van de verschoningsgerechtigde stukken. Betrokkene is niet gevraagd om toe te lichten op welke wijze hij deze stukken heeft opgeslagen, dan wel of ze een eigen digitaal leven zijn gaan leiden. Betrokkenes uitlatingen (betrokkene beschikte niet over digitale stukken) heeft de Accountantskamer in de Tweede Klachtprocedure en ook nu zo begrepen dat betrokkene geen toegang had tot de digitale stukken uit het [hostingbedrijf1]-beslag, en bij het indienen van de [accountantsorganisatie1]-klacht alleen over de informatie kon beschikken uit de fysieke stukken, die hem zijn aangereikt door mr. [B] en/of mr. [C]. Dat die stukken door betrokkene zijn gedigitaliseerd doet aan de waarachtigheid van zijn verklaringen niet af.
5.9. Al met al is het verwijt dat betrokkene onjuist heeft verklaard ongegrond. Wel stelt de Accountantskamer vast dat betrokkene niet volledig is geweest in zijn verklaringen in die zin dat hij geen toegang zou hebben gehad tot digitale beslagstukken. Betrokkene heeft tijdens de Tweede Klachtprocedure immers geen openheid van zaken gegeven over zijn inzagemogelijkheid in Summ-IT vanaf januari 2016. Dat had betrokkene wel moeten doen, omdat in dat systeem stukken uit het [hostingbedrijf1]-beslag bij een proces-verbaal van bijvoorbeeld een verhoor kunnen zijn gevoegd. Dit volgt uit het verweerschrift van betrokkene waar hij in randnummer 231 stelt: “Zoals [N] in zijn proces-verbaal aangeeft worden in Summit ook processen-verbaal opgeslagen. Bij deze processen-verbaal kunnen vanzelfsprekend in de bijlagen inbeslaggenomen stukken zitten. Als er bijvoorbeeld bij een verhoor inbeslaggenomen stukken aan een persoon zijn getoond zitten die in de regel als bijlage bij het proces-verbaal van verhoor. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld ook voor een proces-verbaal waarin onderzoeksbevindingen zijn vastgelegd”. Dat er daadwerkelijk verschoningsrechtelijk materiaal stond in Summ-IT blijkt uit het proces-verbaal van [N] van 18 december 2024 waarin is opgenomen dat in januari 2019 door verbalisant [U] geheimhoudersstukken zijn verwijderd uit het digitale bijlagendossier van Summ-IT.
5.10. Dit betekent dat betrokkene via Summ-IT wel toegang had tot stukken uit het [hostingbedrijf1]-beslag indien die als bijlage aan een proces-verbaal waren toegevoegd. Betrokkene wist vanwege de inhoud van de klacht tegen hem en de behandeling ter zitting dat het bij de Tweede Klachtprocedure er ook om ging of en zo ja, in hoeverre betrokkene eventueel kennis had genomen van en/of had beschikt of kunnen beschikken over een of meer in beslag genomen digitale bestanden. Tegen deze achtergrond had betrokkene kunnen en behoren te verklaren dat hij (in ieder geval) vanaf januari 2016 wel toegang had tot Summ-IT waarin processen-verbaal werden opgeslagen waarvan stukken uit het [hostingbedrijf1]-beslag deel konden uitmaken. Betrokkene heeft tijdens de zitting op 16 oktober 2023 naar aanleiding van een vraag over “kijken in het beslagdossier [A]” wel verklaard dat hij toegang had tot een kast met ordners en dat hij een keer in de kamer van collega’s een aantal ordners heeft ingekeken, maar niet ook verklaard dat hij toegang had tot Summ-IT. Zijn gemachtigde heeft destijds onder meer verklaard: “Bij de digitale bestanden kan en kon hij niet” en betrokkene heeft deze uitlating vervolgens niet gecorrigeerd. In zoverre is de klacht gegrond.
Ad 3. Betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling (Tweede Klachtprocedure) verklaard dat hij geen kennis had van de inhoud van de e-mail van 2 april 2015.
5.11. Het gaat bij dit verwijt om een e-mailbericht van [E] (verdachte in de [A]zaak) aan [F], een van de [accountantsorganisatie1], van 2 april 2015 om 11:44 uur. Volgens klager had betrokkene daarover al in september 2015 de beschikking. Het onderwerp van dat bericht luidt ‘concept onderzoeksopdracht’. Blijkens de aanhef van het bericht is het ‘opgesteld ten behoeve van de advocaat’. Inhoudelijk schrijft [E]:
“Beste [voornaam4],
Naar aanleiding van ons telefoongesprek zojuist een nadere omschrijving van de werkzaamheden: (op je verzoek vind je in bold mijn uitleg en interpretatie om dit wat te verduidelijken).
De vermoedelijke strafbare feiten zijn:
1. Het plegen van valsheid in geschrift doordat BFA nota’s opmaakt voor prestaties die zij niet heeft geleverd (…).
2. Witwassen door te verhullen wat de werkelijke aard en/of herkomst van deze gelden is dan wel wie de rechthebbende op deze gelden was en door deze gelden over te dragen of te gebruiken”.
5.12. Betrokkene heeft in de Tweede Klachtprocedure verklaard dat hij ten tijde van het verhoor van [F] op 2 oktober 2015 geen beschikking had over deze e-mail. Hij had alleen het e-mailbericht van 30 maart 2015 te 21:58 uur van [E] aan [F]. Daarin staat:
“Ik heb zojuist een conference call gehad met onze advocaat [X] van [advocatenkantoor1] gehad. Hij deed de goede suggestie dat het in zijn ogen beter is dat zijn kantoor de opdracht tot dit onderzoek geeft, dan werken jullie onder de bescherming van het verschoningsrecht. Als de FIOD bij jullie “langs zou komen”, mogen ze dit niet meenemen. Dit lijkt me voor [accountantsorganisatie1] ook beter”.
5.13. Volgens klager heeft betrokkene tijdens de mondelinge behandeling op 16 oktober 2023 in strijd met de waarheid verklaard dat hij geen beschikking had over de mail van 2 april 2015. In de eerste plaats wijst klager daarvoor op de omstandigheid, zoals volgt uit de subverwijten 1 en 2, dat betrokkene blijkens de FIOD-journaalmutaties geautoriseerd was tot het systeem waarin de digitale stukken te raadplegen waren. De Accountantskamer heeft hiervoor echter geoordeeld dat klager niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene toegang had tot het [hostingbedrijf1]-beslag via het NUIX (IDR/FD) systeem. Dat betrokkene op die manier kennis heeft genomen van de mail van 2 april 2015 voorafgaand aan zijn verhoor van [F] op 2 oktober 2015 is daarmee evenmin aannemelijk gemaakt.
5.14. Daarnaast heeft klager aangevoerd dat betrokkene tijdens het verhoor op 2 oktober 2015 alleen dan kon vaststellen dat [F] leugenachtig verklaarde, indien hij kennis had genomen van de e-mail van 2 april 2015. Ook daarin kan de Accountantskamer klager niet volgen.
5.14.1. In de eerste plaats verwijst klager ter onderbouwing van zijn standpunt naar het klaagschrift dat betrokkene tegen de [accountantsorganisatie1] heeft ingediend (paragraaf 4.2 met de kop Niet naar waarheid verklaren). Uit dat klaagschrift zou blijken dat klager wel degelijk al bekend was met het e-mailbericht van 2 april 2015, nu hij stelt dat de klachttermijn is begonnen op 2 oktober 2015 (“het moment van constateren van leugenachtig verklaren bij een gedelegeerd RC-verhoor is gelijk aan het moment van de gedraging zelf, ofwel 2 oktober 2015”). Met het klaagschrift geeft betrokkene naar het oordeel van de Accountantskamer echter invulling aan de omschrijving van het verweten handelen mede aan de hand van informatie die betrokkene later ter beschikking is gekomen. Er blijkt niet uit dat betrokkene ten tijde van het verhoor van [F] beschikte over het e-mailbericht van 2 april 2015.
5.14.2. In de tweede plaats is de Accountantskamer van oordeel dat uit het e-mailbericht van 30 maart 2015 (zie 5.13) afdoende blijkt dat tussen klager, [E] en [F] is gecommuniceerd over de onderzoeksopdracht in relatie tot het verschoningsrecht van de advocaat. Betrokkene had daarvoor niet noodzakelijkerwijs kennis nodig van het e-mailbericht van 2 april 2015 om te beseffen dat de onderzoeksopdracht door [advocatenkantoor1] zou worden gegeven om het onderzoek onder het verschoningsrecht van klager te brengen. Verder is nog van belang dat bij de e-mail van betrokkene aan mr. [G] van 16 november 2015 waarmee betrokkene hem “het bedoelde mailverkeer in de zaak [A]” toestuurde, wel de e-mailwisseling van 30 maart 2015 was gevoegd maar niet de e-mail van 2 april 2015, wat wel voor de hand had gelegen als betrokkene daarover toen al beschikte. Dat betrokkene heeft voorgesteld om [F] tuchtrechtelijk aan te pakken (zie journaalmutatie 27 van 7 oktober 2015), bewijst niet dat betrokkene op 2 oktober 2015 reeds kennis had van het e-mailbericht van 2 april 2015. Het verwijt is ongegrond.
Ad 5. Betrokkene was niet betrokken bij de hertoetsing van de geheimhoudersinformatie door mr. [L].
5.15. Ter inleiding op dit klachtonderdeel geldt het volgende.
5.15.1. Uit een notitie van [M], medewerker geheimhouderinformatie, van 26 juli 2016, kan het volgende worden opgemaakt. Mr. [C] en mr. [B] hadden in het kader van het onderzoek het vermoeden gekregen dat het verschoningsrecht werd misbruikt. Uit de beschikbare informatie was duidelijk geworden dat er beraad had plaatsgevonden tussen advocatenkantoor [advocatenkantoor1] en haar cliënten [BV1] en [BV2] over het verstrekken van een opdracht aan [accountantsorganisatie1]. Mr. [C] en mr. [B] hebben met de zoekterm “[advocatenkantoor1]” de 3.000 bestanden voorzien van het label “geheimhouders”, zonder van de inhoud daarvan kennis te nemen. Aan [M] is de opdracht gegeven om de gelabelde digitale bestanden te beoordelen op eventuele geheimhoudersinformatie. [M] heeft een selectie gemaakt en in overleg met mr. [G] is besloten de stukken die volgens [M] in verband konden worden gebracht met het misbruik maken van het verschoningsrecht aan mr. [L] voor te leggen. Op 10 maart 2016 heeft [M] alle eventuele geheimhouderstukken besproken met mr. [L]. Bij die gelegenheid heeft mr. [L] bepaald dat alle digitale bestanden als vermoedelijke geheimhoudersinformatie dienden te worden aangemerkt aangezien deze betrekking hebben op de juridische dienstverlening.
5.16. Het vervolg neemt de Accountantskamer hierna letterlijk over uit de notitie van [M]:
“De zienswijze en het besluit van de officier van justitie, heb ik dezelfde dag nog kenbaar gemaakt aan het onderzoeksteam. Het onderzoeksteam gaf direct aan zich niet neer te leggen bij deze beslissing omdat deze tegengesteld zou zijn aan het adviesrapport van de landsadvocaat en
bovendien niet in lijn zou zijn van recente jurisprudentie. Ik kende tot die tijd niet het bestaan van dit adviesrapport. Op mijn verzoek heeft [B] die dag het rapport aan mij toegezonden. In het rapport valt onder meer te lezen dat op basis van recente jurisprudentie een e-mailwisseling tussen twee niet-geheimhouders, waarbij een geheimhouder in kopie was opgenomen niet onder de reikwijdte van het verschoningrecht valt.
Het onderzoeksteam gaf aan dat er ‘s middags een overleg staat gepland met de officier van
Justitie mr. [Q], welke eveneens als zaakofficier aan het opsporingsonderzoek is
verbonden. Het onderzoeksteam zou hem om bemiddeling vragen over de mogelijke gevolgen en
de verdere aanpak aangaande het oordeel en het besluit van de officier van Justitie mr. [L].
De uitkomsten van deze bespreking zouden aan mij teruggekoppeld worden. Dit is de volgende dag telefonisch gedaan door [K].
Hij verzocht mij om alle e-mailwisselingen die in verband kunnen worden gebracht met het advies
van de advocaat [X] om de opdracht aan [accountantsorganisatie1] door advocaten kantoor [advocatenkantoor1] te laten verlenen dan wel betrekking hebben op deze opdracht opnieuw voor te leggen aan de officier van justitie mr. [L].
Op 5 april 2016 heb ik van [K] een e-mailbericht ontvangen waarin hij mij verzocht om zo
spoedig als mogelijk contact op te nemen met de officier van justitie mr. [L], zodat hij zijn
beslissing ten aanzien van de voornoemde e-mailwisselingen kan herzien.
Op 6, 7 en 11 april 2016 heb ik met programma NUIX in totaal 151 digitale bestanden met potentiële geheimhoudersinformatie geselecteerd die aanmerking komen om aan de officier van justitie te worden voorgelegd. (…)
Op 3 mei 2016 heb ik alle geselecteerde geheimhouderstukken persoonlijk bezorgd op het
Functioneel Parket in ‘s-Hertogenbosch.
Ik heb de documenten overhandigd aan de parketsecretaris mr. [R] met het
verzoek de officier van Justitie mr. [L] te laten toetsen welke stukken al dan niet als
geheimhouderstuk als bedoeld in artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering moeten
worden aangemerkt. In overleg met mr. [R] heb ik in verband met de beoordeling
op 9 mei 2016, twee zip bestanden aan hem toegestuurd.
In elk bestand zit een Excel overzicht waarin een weergave van de export item uit NUIX staan
vermeld. Daarnaast zitten in elk bestand een Word documenten. Dit zijn schermafdrukken van
de (persoonlijke) mappenstructuur waarin de e-mailwisselingen zijn opgeslagen door de
betreffende gebruiker.
Op 24 mei 2016 heb ik van de officier van justitie mr. [L], een e-mailbericht ontvangen
waarin hij aangeeft dat hij de ordner met potentiële geheimhoudersinformatie in de strafzaak heeft ontvangen en beoordeeld.
Bij het e-mailbericht van 24 mei 2016 is door hem een overzicht gevoegd. In dit overzicht is
opgenomen het volgnummer, een summier omschrijving ter identificatie van het document alsmede de beslissing wel of geen geheimhouders informatie. Dit overzicht heb ik als bijlage bij deze notie gevoegd”.
5.17. In de Tweede Klachtprocedure heeft betrokkene over zijn betrokkenheid bij de herbeoordeling van geheimhouderstukken door mr. [L] in zijn verweerschrift verklaard: “Hij (betrokkene, Accountantskamer) heeft simpelweg de uitkomst van de beoordeling afgewacht. Hij is niet betrokken geweest bij het verzoek vanuit het onderzoeksteam om stukken opnieuw aan mr. [L] voor te leggen voor een nadere inhoudelijke beoordeling”. Ook in zijn spreekaantekeningen en mondelinge verklaringen verklaart betrokkene gelijkluidend, te weten dat hij wel wist dat sprake was van een herbeoordeling maar dat hij daarbij niet betrokken is geweest.
5.18. Volgens klager heeft betrokkene met deze verklaringen de Accountantskamer onjuist geïnformeerd. Uit journaalmutatie 46 van 5 april 2016 blijkt dat een gesprek is gevoerd tussen [Q] en [R] over stukken die nodig zijn voor de tuchtzaak, een tuchtzaak die betrokkene zou voorbereiden en indienen. Of e-mails nodig zijn voor een tuchtzaak kan alleen worden beoordeeld door iemand die al bekend is met de inhoud daarvan. Dat moet betrokkene zijn geweest, zo stelt klager. Uit journaalmutatie 50 van 25 mei 2016 blijkt dat [R] een lijst heeft samengesteld met e-mails met mogelijke geheimhouderstukken. Dat zijn stukken waarvan betrokkene heeft meegedeeld dat hij deze nodig heeft voor de tuchtzaak, aldus klager.
5.19. Betrokkene heeft betwist dat hij de Accountantskamer onjuist heeft voorgelicht en verwijst daarvoor naar de notitie van [M] van juli 2016 (zie hiervoor, 5.8.7). Aan de hand van een e-mailwisseling met [R] heeft betrokkene toegelicht dat hij er hooguit voor heeft gezorgd dat [R] de juiste stukken aan mr. [L] heeft kunnen toezenden.
5.20. De Accountantskamer is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat betrokkene betrokken was bij het verzoek tot herbeoordeling van de geheimhouderstukken. [M] heeft beschreven dat hij op bevel van zijn leidinggevende zijn taken heeft uitgevoerd. Na de aanvankelijke beoordeling van mr. [L], die alle stukken als geheimhouderstukken had aangemerkt, kwam vanuit het “onderzoeksteam”’ het verzoek om herbeoordeling. Het is onbekend wie [M] met dat team bedoelt. [M] benoemt niet uitdrukkelijk de rol van betrokkene als initiator van het verzoek om herbeoordeling. Uit het verweer van betrokkene blijkt dat hij wel ‘betrokken’ was bij het verzoek om herbeoordeling maar dat slechts in die zin dat via hem en vervolgens [R] uiteindelijk de juiste selectie van stukken bij mr. [L] is terechtgekomen. Naar het oordeel van de Accountantskamer betreft dit een vrij onbetekenende ondersteuning bij het aanleveren van de juiste stukken en doet die ondersteuning niet af aan de waarachtigheid van de verklaring van betrokkene dat hij (inhoudelijk) niet betrokken was bij het verzoek om herbeoordeling vanuit het onderzoeksteam. Het klachtonderdeel mist feitelijke grondslag.
De conclusie uit de derde tuchtklacht, zoals aangevuld met een deel van de vierde tuchtklacht.
5.21. De klacht is gegrond wat betreft de onvolledigheid van de verklaring van betrokkene dat hij geen toegang had tot Summ-IT en de mogelijk daarin ook opgeslagen stukken uit het [hostingbedrijf1]-beslag. Daarmee ligt de vraag voor of het handelen of nalaten van betrokkene integraal onder het tuchtrecht valt en daarmee alle fundamentele beginselen daarop van toepassing zijn. Naar het oordeel van de Accountantskamer ging het bij het voeren van verweer tegen de (tweede) klacht niet om beroepsuitoefening als bedoeld in artikel 3 van de VGBA, omdat betrokkene daarbij niet zijn vakbekwaamheid als accountant heeft aangewend of kunnen aanwenden. Op het nalaten van betrokkene is daarom alleen het fundamentele beginsel professionaliteit van toepassing. Betrokkene heeft in strijd met dit fundamentele beginsel gehandeld en het accountantsberoep in diskrediet gebracht.
De verwijten inzake het voortdurend bezit van verschoningsgerechtigd materiaal en het vernietigen daarvan (vierde tuchtklacht).
5.22. Klager heeft aangevoerd dat het betrokkene vanwege zeven rechterlijke beslissingen (waaronder de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 12 maart 2024[6]) duidelijk moet zijn geweest dat hij niet had mogen (blijven) beschikken over verschoningsgerechtigd materiaal. Uit het proces-verbaal van [N] blijkt dat betrokkene desondanks in december 2024 nog altijd de beschikking had over verschoningsgerechtigd materiaal uit het [hostingbedrijf1]-beslag. Betrokkene heeft [N] meegedeeld dat hij heeft voldaan aan de opdracht tot vernietiging van het verschoningsgerechtigd materiaal, maar hij heeft blijkbaar zelf beoordeeld welke e-mails wel of niet verschoningsgerechtigd materiaal bevatten. Daarmee voldoet betrokkene niet aan de wet, aldus klager. Opsporingsambtenaren moeten op grond van artikel 126aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in samenhang met artikel 4 van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken (hierna: het Besluit) een proces-verbaal van vernietiging opmaken, waarin onder meer moet worden vermeld op welke wijze de verschoningsgerechtigde gegevens zijn vernietigd. Zo’n proces-verbaal heeft betrokkene niet opgemaakt. Ook wijst klager op het verschil tussen het verwijderen en het vernietigen van bestanden.
5.23. De Accountantskamer overweegt als volgt. In een bericht van het Functioneel Parket van 4 november 2024 wordt verzocht om de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst tussen het OM en [advocatenkantoor1]. In dat bericht zijn de details uit de overeenkomst met [advocatenkantoor1] (artikel 6) opgenomen. Kort gezegd bepaalt dat artikel dat zoveel mogelijk een situatie wordt benaderd waarin het verschoningsgerechtigd materiaal nooit in de betreffende systemen terecht was gekomen. Het FP geeft de opdracht tot vernietiging en draagt de FIOD op om daarvan proces-verbaal te maken.
Het bericht sluit af met een uitzonderingsbepaling:
“Uitzondering
De vernietigingsplicht geldt niet voor de heer [Y] waar het gaat om verschoningsgerechtigd materiaal dat is verwerkt in de fysieke processtukken die zijn ingediend in de lopende tuchtprocedures tegen hem (zaaknummers CBB AWB 21/392 en 21/393 W2). Hetzelfde geldt indien een nieuwe tuchtklacht tegen de heer [Y] zou worden ingediend”.
In andere woorden: betrokkene mocht over verschoningsgerechtigd materiaal blijven beschikken, voor zover dat materiaal onderdeel uitmaakt of, ingeval van een nieuwe tuchtklacht, zal uitmaken van tuchtprocedures.
5.24. Ook uit de tussenuitspraken van het CBb en van de Accountantskamer van 10 november 2025 volgt dat het betrokkene is toegestaan om, ten behoeve van het voeren van verweer, over verschoningsgerechtigd materiaal te blijven beschikken. Hierop kan dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gebaseerd.
5.25. In artikel 4, lid 2 van het Besluit is het volgende bepaald:
Indien de officier van justitie vaststelt dat de mededelingen, bedoeld in het eerste lid, mededelingen zijn als bedoeld in artikel 126aa, tweede lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, beveelt hij terstond de vernietiging van de processen-verbaal en andere voorwerpen, voor zover zij deze mededelingen behelzen. Het bevel tot vernietiging is schriftelijk. Van de vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt, dat wordt gezonden aan de officier van justitie.
5.26. De Accountantskamer laat in het midden of de opdracht van het OM van 4 november 2024 moet worden gezien als een bevel in de zin van artikel 4, lid 2 van het Besluit of als het uitvoeren van de vaststellingsovereenkomst. In geen geval is betrokkene de geadresseerde van de verplichting een proces-verbaal van vernietiging op te stellen. De opdracht of het bevel is immers niet aan hem verstrekt, maar aan [N]. Betrokkene heeft aan [N] teruggekoppeld dat hij het verschoningsgerechtigd materiaal heeft vernietigd (fysieke stukken) of heeft verwijderd uit de systemen. De hierbij gekozen bewoordingen zijn niet onjuist, want in beide gevallen geldt dat het resultaat van de actie was dat betrokkene niet langer de beschikking had over het betreffende materiaal of bestanden.
5.27. De vierde tuchtklacht, voor zover deze betrekking heeft op het voortdurende bezit en het niet vernietigen van het verschoningsgerechtigd materiaal, is ongegrond.
6. De maatregel
6.1. De klacht is gedeeltelijk gegrond. Daarom legt de Accountantskamer aan betrokkene de tuchtrechtelijke maatregel van berisping op.
6.1.1. Betrokkene is niet volledig geweest in zijn verklaringen tijdens de Tweede Klachtprocedure, hoewel het betrokkene duidelijk moet zijn geweest dat hij in de gegeven omstandigheden niet alleen juist maar ook volledig diende te verklaren over de (digitale) stukken waarover hij destijds kon beschikken. Het kwam immers in die procedure aan op de stukken waarover betrokkene beschikte en kon beschikken. Betrokkene had een mogelijk misverstand daarover moeten voorkomen door hierover (ook) volledig te verklaren. Betrokkene heeft het accountantsberoep in diskrediet gebracht.
6.2. De Accountantskamer weegt in het voordeel van betrokkene mee dat hij in relatie tot het feitencomplex in beide tuchtklachten, zich al vanaf juni 2019 (de eerste klacht) hierover tuchtrechtelijk heeft moeten verantwoorden. Ter zitting is gebleken dat dit, mede door het lange tijdsverloop, impact op betrokkene heeft.
7. De beslissing
De Accountantskamer:
- verklaart de derde tuchtklacht (24/3896 Wtra AK) gegrond voor wat betreft het verwijt
dat betrokkene onvolledige verklaringen heeft afgelegd in de Tweede Klachtprocedure,
in die zin dat hij niet heeft verklaard dat hij via Summ-IT toegang had tot digitale
gegevens;
- verklaart de derde tuchtklacht voor het overige en de vierde tuchtklacht (25/1199 Wtra AK) geheel ongegrond;
- legt aan betrokkene op de maatregel van berisping;
- verstaat dat de AFM en de voorzitter van de NBA na het onherroepelijk worden van deze uitspraak én de uitvaardiging van een last tot tenuitvoerlegging door de voorzitter van de Accountantskamer, zorgen voor opname van deze tuchtrechtelijke maatregel in de registers, voor zover betrokkene daarin is of was ingeschreven;
- verstaat dat, op grond van het bepaalde in artikel 23, derde lid Wtra, betrokkene het door klager betaalde griffierecht ten bedrage van € 70,-- (zeventig euro) aan klager vergoedt.
Aldus beslist door mr. C.H. de Haan, voorzitter, mr. G.F.H. Lycklama à Nijeholt en mr. D. van den Berg (rechterlijke leden) en P. Mansvelder RA en drs. J. Hetebrij RA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. C.J.H. Terwal, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2026.
_________ __________
secretaris voorzitter
Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, dan kunt u daartegen in hoger beroep gaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven binnen 6 weken na de dag van verzending van de uitspraak.
U kunt digitaal hoger beroep instellen op Mijn.rechtspraak.nl. Meer informatie over in beroep gaan vindt u op de website Rechtspraak.nl.
Als u uw beroepschrift op papier wilt indienen, dan kunt u dit samen met een kopie van deze uitspraak sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.
[1] Zie artikel 15 van het procesreglement 2026.
[2] Randnummer 2.18 verweerschrift Tweede Klachtprocedure
[3] Randnummer 2.19 verweerschrift Tweede Klachtprocedure
[4] Randnummer 2.19 verweerschrift Tweede Klachtprocedure
[5] Randnummer 2.21 verweerschrift Tweede Klachtprocedure
[6] ECLI:NL:HR:2024:375.