ECLI:NL:TAHVD:2026:258 Hof van Discipline 's Gravenhage 260132
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:258 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-08-2026 |
| Datum publicatie: | 10-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260132 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Klager was de gedaagde partij in een kort geding en in deze procedure is vertegenwoordiging door een advocaat niet verplicht. Bovendien heeft het kort geding inmiddels plaatsgevonden, zodat klager ook geen belang meer heeft bij zijn verzoek tot aanwijzing van een advocaat. |
Beslissing van 10 augustus 2026
in de zaak 260132
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
mr. G.H.H. Kerkhof
Deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Overijssel
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend, dat door de deken is opgevat
als een verzoek tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 31 maart 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klager de gedaagde partij is in een kort geding en dat vertegenwoordiging door een advocaat in deze procedure niet verplicht is.
Bij het hof
1.3 Klager heeft bij brief van 9 april 2026, door het Hof van Discipline (hierna:
het hof) ontvangen op 10 april 2026, een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend
bij het hof.
1.4 Verder bevat het dossier:
- de brief van de griffie van het hof van 24 april 2026;
- de brief van klager van 1 mei 2026;
- de brieven van de griffie van het hof aan klager en de deken van 15 mei 2026
(ontvangstbevestiging en beschrijving verloop van de procedure);
- het verweer van de deken van 29 mei 2026;
- de brief van klager van 4 juni 2026 (reactie op de brief van 15 mei 2026, door
het hof ten
onrechte aangemerkt als repliek);
- de brief van de deken van 11 juni 2026;
- de brief van klager van 2 juli 2026 (reactie op het verweerschrift van de deken);
- de reactie van de deken van 8 juli 2026.
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klager heeft zich bij brief van 27 maart 2026 tot de deken gewend. Klager schrijft dat hij onder andere door “nood- en crisissituaties" is gedwongen om “een beroep te doen op de daarvoor benodigde, ook gedwongen door gefinancierde rechtsbijstand door de juiste advocaat, (…), in ieder geval hoofdgespecialiseerd in "erfrecht" en "personen- en familierecht", zo mogelijk met nevenspecialismen in "verbintenissenrecht" en "financieel strafrecht".” Uit de brief van klager blijkt dat hij een dagvaarding had ontvangen om te verschijnen in een kort geding, dat op 9 april 2026 bij de rechtbank Overijssel zou plaatsvinden. Klager was gedagvaard door de vereffenaar in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap tussen hem en zijn in 2025 overleden echtgenote. Het was klager niet gelukt zelf een advocaat te vinden die hem hierin bij wilde en kon staan. Klager noemt in zijn brief “i.h.k.v mijn rechtsbijstandverzoek” meerdere door hem relevant geachte omstandigheden.
2.2 De deken heeft het verzoek van klager opgevat als een verzoek tot aanwijzing
van een advocaat op grond van artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Zij heeft in haar beslissing
van 31 maart 2026 vermeld aan welke eisen moet worden voldaan om in aanmerking te
komen voor aanwijzing van een advocaat. De deken heeft geconstateerd dat aan één van
die eisen niet is voldaan:
“In een kort geding procedure is procesvertegenwoordiging niet verplicht voor de gedaagde
partij. Om die reden kan ik derhalve geen advocaat aanwijzen. U kunt zonder advocaat
verschijnen bij de zitting op 9 april 2026.”
Om die reden heeft de deken het verzoek van klager afgewezen.
2.3 Bij brief van 3 april 2026, met als onderwerp “spoed- / noodverzoek heroverweging c.q. herziening” heeft klager zijn eerdere “spoedverzoek om gefinancierde rechtsbijstand door een terzake kundige advocaat” herhaald. Hij heeft de deken verzocht om meer dan één advocaat voor te dragen, die gefinancierde rechtshulp wil, kan of moet verlenen. Klager heeft onder meer aangevoerd dat hij van het bestaan van een praktijk tot aanwijzing van een advocaat niet op de hoogte was, dat hij een “short list” van advocaten verwachtte en dat de deken zijn verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klager geeft in deze brief daarnaast gedetailleerd aan wat de deken naar zijn mening aan onjuistheden in haar beslissing heeft geschreven en wat zij volgens hem ten onrechte niet in de beslissing heeft vermeld.
2.4 Klager heeft vervolgens op 9 april 2026 zijn beklagschrift aan het hof gezonden.
2.5 Bij brief van 22 april 2026 heeft de deken klager geantwoord op zijn brief van 3 april 2026. Zij heeft hem bericht dat zij geen reden zag om haar besluit te heroverwegen. Zij heeft klager erop gewezen dat hij voor een eventueel hoger beroep tegen een vonnis in kort geding wél een advocaat nodig heeft. Omdat een eventueel hoger beroep in Arnhem moet dienen, zou klager contact kunnen opnemen met de deken Gelderland als hij niet zelf een advocaat kan vinden voor dat hoger beroep.
2.6 De griffie van het hof heeft klager bij brief van 24 april 2026 naar aanleiding
van het beklagschrift onder meer bericht:
“Op het moment dat het hof uw beklagschrift ontving, had de zitting van 9 april 2026
al plaatsgevonden. Het hof verneemt graag van u of u het beklag desondanks wilt voortzetten,
of dat u het intrekt. (…)
Om misverstanden te voorkomen, wijs ik u er alvast op dat u er rekening mee moet
houden dat uw beklag door het hof niet-ontvankelijk kan worden verklaard, omdat het
hof kan beslissen dat u door het tijdsverloop geen belang meer bij uw verzoek heeft.”
2.7 Klager heeft bij brief van 1 mei 2026, door het hof ontvangen op 4 mei 2026, laten weten dat hij het beklag niet intrekt. Klager heeft in deze brief onder meer ook aangegeven dat het hem niet juist voorkomt dat de griffie vooruitloopt op de afloop van de behandeling van deze zaak.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Hij verwijst
daarvoor naar de door hem aangevoerde gronden in zijn brief van 3 april 2026 aan de
deken. Daarnaast voert klager nog het volgende aan:
- ten onrechte ligt in de motivering van het bestreden besluit besloten dat klager
zich onvoldoende heeft ingespannen om eerst zelf een advocaat te vinden;
- ten onrechte blijkt uit (de motivering van) het bestreden besluit dat klager,
door bij het eerste verzoek geen bijlagen mee te sturen, de deken gegevens heeft onthouden,
die haar van het nemen van toewijzend besluit hebben afgehouden. Klager heeft daarom
bij zijn brief van 3 april 2026 een kopie van de dagvaarding meegezonden;
- het toetsingscriterium (verplichte procesvertegenwoordiging) is onjuist en
dubbelzinnig toegepast, want gerelateerd aan klagers informatie, terwijl er tegelijkertijd
sprake is van een bevoegdheid;
- de onderlinge verhouding tussen de verschillende toetsingscriteria is niet
vermeld en er is geen onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten zaken, de complexiteit
en de omvang daarvan;
- ten onrechte is er een harde scheiding aangebracht tussen de gevallen waarin
bijstand door een advocaat verplicht is en de gevallen waarin dat niet zo is, waarbij
geen rekening is gehouden met de complexiteit of de omvang van de zaak.
3.2 In zijn brief van 4 juni 2026 vermeldt klager dat in het kort geding op 13 mei 2026 uitspraak is gedaan en dat het vonnis hem op 19 mei 2026 is toegezonden. Klager wijst erop dat bij het vervolg van deze procedure sprake is van verplichte procesvertegenwoordiging en dat hij daarbij wel een advocaat nodig heeft. Verder gaat klager in deze brief met name in op de brieven van de griffie van 24 april 2026 (zie hiervoor in 2.6) en 15 mei 2026 (informatie over het verloop van de beklagprocedure).
3.3 In zijn brief van 2 juli 2026 formuleert klager verschillende (procedurele,
tekstuele en inhoudelijke) bezwaren tegen de correspondentie van de griffie van het
hof. Daarnaast gaat klager uitgebreid en gedetailleerd in op het verweerschrift van
de deken. Inhoudelijk – met betrekking tot de afwijzing – heeft klager nog aangevoerd:
- klager heeft de bewoordingen “een advocaat” en “aan te wijzen” niet gebruikt
in zijn verzoek aan de deken. Zij heeft het verzoek van klager ten onrechte opgevat
als een verzoek tot aanwijzing van een advocaat.
- ten onrechte heeft de deken de woorden ‘gefinancierde rechtsbijstand’ vermeden,
terwijl dat een wezenlijk onderdeel is van de tekst van artikel 13 Advocatenwet. De
deken heeft aan dat onderdeel niet getoetst.
- ten onrechte is de deken in haar brief van 22 april 2026 niet inhoudelijk ingegaan
op de argumenten van klager in zijn brief van 3 april 2026 en de meegezonden dagvaarding.
Ook had zij er rekening mee moeten houden dat er een verstekvonnis zou worden gewezen,
waartegen een verzetdagvaarding bij hetzelfde gerecht zou moeten worden gericht.
- de deken heeft procedureel geen rechtsgeldige beklaggronden aan klager toegeschreven,
zodat hetzelfde geldt voor haar reactie daarop.
- de door de deken gehanteerde toetsingscriteria zijn niet terug te vinden in
artikel 13 Advocatenwet.
Verweer
3.4 Het verweer van de deken zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig)
een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door
een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden,
zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan
een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een
dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen
verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans
van slagen heeft.
Beoordeling
4.2 Het gaat in deze zaak om het kort geding van 9 april 2026, waarvoor klager
als gedaagde partij een dagvaarding had ontvangen. Klager kon geen advocaat vinden
en vroeg de deken om hulp, nadat een door hem benaderde advocaat hem op die mogelijkheid
had gewezen. De deken heeft klagers hulpverzoek terecht opgevat als een verzoek tot
aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet en ook als zodanig
behandeld. Artikel 13 Advocatenwet biedt immers het wettelijk kader waarbinnen een
rechtsbijstandsverzoek door de deken moet worden behandeld.
4.3 De mogelijkheid die artikel 13 Advocatenwet biedt om een advocaat aangewezen
te krijgen, is echter in beginsel beperkt tot zaken waarin de bijstand door een advocaat
verplicht is gesteld. Die situatie doet zich hier niet voor, omdat een gedaagde in
een kort geding zonder advocaat verweer mag voeren. De deken kan in een dergelijk
geval de aanwijzing van een advocaat achterwege laten. De deken heeft het verzoek
van klager tot aanwijzing van een advocaat redelijkerwijs terecht afgewezen.
4.4 Daarbij komt dat het kort geding inmiddels heeft plaatsgevonden, zodat klager ook geen belang meer heeft bij zijn verzoek tot aanwijzing van een advocaat. Een andere vraag is of klager in aanmerking zou kunnen komen voor toewijzing van een advocaat voor een eventuele vervolgprocedure op het kort geding. Die vraag ligt niet ter beoordeling aan het hof voor, nu de beslissing van de deken én het beklag alleen betrekking hebben op het kort geding van 9 april 2026.
4.5 Wat klager verder nog heeft aangevoerd, doet niet af aan het voorgaande. Het beklag is ongegrond.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 31 maart 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. K.H.A. Heenk en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 10 augustus 2026.