ECLI:NL:TADRARL:2026:167 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-902/AL/NN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:167
Datum uitspraak: 10-08-2026
Datum publicatie: 11-08-2026
Zaaknummer(s): 25-902/AL/NN
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: In de kern gaan de vele klachten van klaagster over de communicatie. Daarin is verweerder op meerdere momenten tekortgeschoten. Hij heeft een fysieke afspraak tijdens de duur van de rechtsbijstand niet actief mogelijk gemaakt, waardoor zijn contact beperkt is geweest tot mailcontact met zakelijke toonzetting. Dat heeft over en weer tot irritatie geleid, wat verweerder had kunnen voorkomen. Verweerder heeft ook onvoldoende regie genomen door klaagster niet genoeg bij de hand te nemen tijdens de behandeling van zaak 1. Hij heeft onvoldoende duidelijk gemaakt welke stukken hij wanneer uiterlijk van haar wilde ontvangen. De raad rekent het verweerder aan dat hij klaagster heeft geadviseerd om, toen de zaak voor beraad partijen op de rol stond, een akte te nemen zonder eerst gedegen te onderzoeken of bij het gerechtshof in de stand van de procedure van zaak 1 bij een akte nog belangrijke producties mochten worden gevoegd. Verweerder is naar het oordeel van de raad tuchtrechtelijk bezien tekortgeschoten in zijn zorgplicht voor klaagster omdat van verweerder als zorgvuldig en behoorlijk advocaat mocht worden verwacht op de hoogte te zijn van de geldende procesregels van een gerecht en niet af te gaan op eigen aannames. Van verweerder had verwacht mogen worden dat hij alles op alles zou zetten om de relevante stukken van klaagster overgelegd te krijgen. Dat meteen bij de start zou zijn afgesproken dat verweerder zaak 2 zou laten liggen, is door klaagster betwist en door verweerder niet schriftelijk vastgelegd. Ook hierover heeft verweerder onvoldoende met klaagster gecommuniceerd. Door de later ontstane vertrouwensbreuk mocht verweerder zich aan beide zaken onttrekken. Hij heeft daarbij niet onzorgvuldig gehandeld omdat voor verweerder niet te verwachten was dat klaagster van zijn onttrekking zodanig nadeel zou ondervinden dat hij dat niet had mogen doen. Voor de gegronde klachten: berisping.


Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden
van 10 augustus 2026
in de zaak 25-902/AL/NN

naar aanleiding van de klacht van:


klaagster 

over            

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 6 mei 2025, aangevuld op 30 mei 2025, heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 24 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2025 KNN045 / 2491867 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 mei 2026. Daarbij waren klaagster en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van 22 januari 2026 van klaagster.

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    Klaagster is met haar moeder verwikkeld in een geschil over de betaling van de kosten van een woning die door haar moeder wordt bewoond maar voor het merendeel in eigendom is van klaagster. Klaagster is bij Stichting Achmea Rechtsbijstand (hierna verder: SAR) verzekerd voor rechtsbijstand. 

2.2    Klaagster werd in de procedure bij de kantonrechter bijgestaan door mr. P. Op 12 april 2023 heeft de kantonrechter vonnis gewezen. Op 11 juli 2023 heeft mr. P namens klaagster tegen het vonnis hoger beroep ingesteld en is de wederpartij gedagvaard tegen 12 december 2023.

2.3    Na uitbesteding op 29 november 2023 door SAR heeft verweerder zich bereid verklaard om klaagster verder bij te staan in twee zaken, het voortzetten van het hoger beroep (hierna ook: zaak 1) en het verkrijgen van informatie over executele, in verband met het overlijden van de vader van klaagster (hierna ook: zaak 2).

2.4    Op 30 november 2023 is klaagster door verweerder uitgenodigd op kantoor voor een bespreking. In zijn begeleidende e-mail heeft verweerder bij klaagster nagevraagd of het haar intentie is dat hij haar gaat bijstaan als opvolger van mr. P. Verder heeft hij haar uitgelegd dat in zaak 1 op 12 december 2023 een memorie van grieven bij het gerechtshof moet worden ingediend of uitstel moet worden gevraagd. Met instemming van klaagster heeft verweerder zaak 1 op de rol van 12 december 2023 aangebracht en uitstel gevraagd voor het nemen van een memorie van grieven. 

2.5    In een e-mail van 13 december 2023 heeft verweerder aan klaagster dinsdag 9 januari 2024 voorgesteld voor een bespreking op zijn kantoor. Klaagster heeft daarop gereageerd dat zij alleen op vrijdagen beschikbaar is en dat zij een afspraak op een andere werkdag minimaal zes weken van tevoren op haar werk moet regelen. Daarop heeft verweerder aan klaagster gemaild dat hij standaard op vrijdagen verhinderd is en haar voorgesteld om contacten zo veel mogelijk per e-mail te laten lopen met haar en door haar gemachtigde echtgenoot.

2.6    Op 18 december 2023 heeft de advocaat van de wederpartij aan verweerder gemaild dat hij in het roljournaal had gezien dat het gerechtshof voornemens was om een ‘mondelinge behandeling na aanbrengen’ te plannen. Hij heeft verweerder gemeld dat zijn cliënte wel bereid was om met klaagster te onderhandelen. Op 20 december 2023 heeft verweerder deze e-mail naar klaagster doorgestuurd. In zijn begeleidende e-mail heeft hij klaagster uitgelegd dat in afwachting van een ‘mondelinge behandeling na aanbrengen’ met de wederpartij kon worden onderhandeld. Hij heeft klaagster voorgesteld om na de vakantieperiode, begin januari 2024, met de onderhandeling te starten. Hij heeft klaagster op 21 december 2023 ter goedkeuring een conceptmail voor de advocaat van de wederpartij gestuurd en daarbij de optie van een afkoopsom voorgesteld. Dezelfde dag heeft klaagster ingestemd met het versturen van de conceptbrief maar ook verweerder laten weten dat een afkoopsom in het kader van onderhandelingen niet aan de orde was. 
 
2.7    Op 10 januari 2024 heeft het gerechtshof de zaak voor 20 februari 2024 voor memorie van grieven bepaald.

2.8    Op 22 januari 2024 heeft verweerder aan klaagster een analyse van zaak 1 geschreven en suggesties voor een schikkingsvoorstel gedaan. Hij heeft klaagster gemeld dat de wederpartij ook haar belastingnadeel voor de inkomstenbelasting (hierna ook: IB) wil betalen maar alleen na inzage in de aangiften IB van klaagster.

2.9    In zijn e-mail van 2 februari 2024 heeft verweerder klaagster, in reactie op haar eerdere e-mails, geadviseerd om voor berekening van het door haar gestelde belastingnadeel haar belastingadviseur in te schakelen. Voor bepaling van de omvang van het achterstallig onderhoud van de woning heeft verweerder voorgesteld om een bouwdeskundige in te schakelen. Dezelfde dag heeft klaagster verweerder gemaild dat als hij dat wenste, hij een telefonische- of een videoafspraak kon inplannen op een aantal door haar voorgestelde data. 

2.10    Op 5 februari 2024 heeft verweerder aan klaagster ter goedkeuring een conceptbrief gestuurd. In deze conceptbrief heeft verweerder aan de advocaat van de wederpartij een schikkingsvoorstel gedaan en om instemming met uitstel gevraagd voor het indienen van de memorie van grieven. 

2.11    Op 8 februari 2024 heeft de echtgenoot van klaagster aan verweerder gemaild dat de dossiernummers in de opdrachtbevestigingen van 25 januari 2024 waren verwisseld en verweerder gevraagd om de datum van de volgende rolzitting door te geven. Die dag heeft klaagster alsnog ingestemd met de conceptbrief aan de wederpartij, die daarna door verweerder is verstuurd. 

2.12    Op 9 februari 2024:

- om 7:55 uur: heeft verweerder de door hem ontvangen reactie van de advocaat van de wederpartij, waarin niet is ingegaan op een schikking en niet is ingestemd met het verzochte uitstel, aan klaagster doorgestuurd en aangegeven dat hij aan de slag gaat met de memorie van grieven;

- om 10:24 uur: heeft verweerder onder meer aan klaagster geschreven:

Het gaat mij verder met name over de kwestie van het al of niet inzage geven in de aangifte IB. Ik vind het niet vreemd dat [naam wederpartij] dat wil, ook al heeft zij eerder wel zondermeer de aanslagen betaalt, dat wil niet zeggen dat zij dat moet blijven doen zonder daaraan de voorwaarde van inzage te verbinden.
en 
Ook graag de IB van 2022: ik ben wel van mening dat u inzage dient te verschaffen in de aangifte, anders zie ik niet dat wederpartij de bedragen verschuldigd is.

2.13    Op 14 februari 2024 heeft verweerder een conceptmemorie van grieven naar klaagster gestuurd voor de roldatum 20 februari 2024. 
 
2.14    Op 15 februari 2024:

- om 9:24 uur: heeft verweerder aan klaagster onder meer geschreven:

In de MvG geef ik ook aan dat u inzage wilt geven in de aangiften IB. Dat voeg ik nu nog niet bij, maar dat zal ik later nog wel moeten doen. De aangifte is het (digitale) formulier wat naar de belastingdienst is gestuurd. Het gaat voor nu om de aangiften IB 2019, 2020, 2021 en 2022. Deze graag gaan verzamelen, dat hoeft dus niet mee met de MvG maar zal ik later wel moeten indienen;

- om 10:31 uur: heeft klaagster aan verweerder onder meer geschreven:

Wat betreft de situatie IB blijft verwarring ontstaan. De wederpartij heeft in het verleden altijd en ieder jaar inzage gekregen in de aangifte IB. Zij eisen echter inzage in de IB aanslag met specificaties. Om die reden hebben wij u ook alle IB aanslagen met specificaties gestuurd, dat is waar de wederpartij om vraagt. De aangiften IB zijn niet bepalend en verlenen hen geen inzage in de totale berekening van het vermogen. De IB aanslag specificatie geeft die inzage wel. Uiteindelijk bepaalt natuurlijk ook de IB aanslag het bedrag dat de wederpartij dient te betalen.

en 

Indien u ook de aangiften IB wenst te ontvangen, dan ga ik hier naar informeren bij de fiscalist.

- om 10:55 uur: heeft verweerder aan klaagster onder meer geschreven:  

Aangifte/aanslag IB: Uit de aanslag blijkt hoe de belasting over de onderdelen is berekend, dus bijvoorbeeld box 1 en box 3, maar uit de aanslag blijkt niet wat onderdeel is van een box. Bij box 3 bijvoorbeeld wordt één bedrag genoemd als relevant vermogen, maar dat kan bestaan uit meerdere delen en alleen het belastingnadeel vanwege de woning telt, dus daarom is inzage in de aangifte wel nodig. Er wordt wel degelijk inzage in de aangiften verzocht, zie 4.3.1 en 4.4.1 van het vonnis van de kantonrechter (bijlage).

Graag akkoord met MvG;

- om 11:49 uur heeft de echtgenoot van klaagster hierop gereageerd: 
 

Wij zullen bij [naam] na moeten vragen of zij een uitdraai kunnen maken van de aangiften IB, daar kom ik zo snel mogelijk bij u op terug.

- om 12:09 uur: heeft de echtgenoot van klaagster akkoord gegeven op de memorie van grieven, waarna verweerder de memorie heeft ingediend;

- om 20:39 uur en 20:51 uur: heeft klaagster aan verweerder en aan het algemene e-mailadres van zijn kantoor onder meer geschreven:

Tot mijn grote verbazing moet ik bij thuiskomst constateren dat de Memorie van Grieven vanmiddag al naar de wederpartij en naar de rechtbank (bedoeld zal zijn: gerechtshof) ’s-Hertogenbosch zijn verstuurd.
 

Blijkbaar begrijpt u mijn situatie niet. Ik werk van maandag tot donderdag en ik heb alleen ’s avonds of op brijdagen en weekenden de tijd om hier mijn volle aandacht aan te geven. Tevens doet mijn echtgenoot zijn uiterste best om toch in te springen zodat u vooruit kunt en de zaak niet stagneert. Mijn echtgenoot heeft te veel fysieke en cognitieve beperkingen en bovendien kan hij niet alle informatie terugvinden. Dat moet ik echt zelf doen. (…)
Ik moet nu constateren dat de jaartallen en de bedragen niet overal op de juiste plaats vermeld staan. (…)
Ik vertrouw erop dat u deze correcties nog zorgvuldig kunt verwerken en dan de juiste stukken kunt doorsturen naar alle betrokken partijen. 

2.15    Op 19 februari 2024:

- om 8:00 uur: heeft verweerder aan klaagster geschreven dat is afgesproken dat hun mailcontact via haar en via haar echtgenoot verloopt en haar echtgenoot op 15 februari 2024 namens klaagster heeft ingestemd met verzending van de memorie van grieven. Verder heeft verweerder inhoudelijk gereageerd op de voorgestelde correcties en geconcludeerd dat er geen reden is tot aanpassing van de memorie van grieven;

- om 8:29 uur: heeft klaagster verweerder gemaild dat zij om 12 uur vrij heeft genomen en dan telefonisch contact met verweerder opneemt. Ook heeft zij hierin aangegeven dat haar echtgenoot er letterlijk ziek van is dat hij akkoord heeft gegeven, terwijl er nog onderwerpen (onderhoud en toegang woning) misten in de ingediende memorie;

- om 11:53 uur: heeft verweerder klaagster gemaild dat de belafspraak hem niet past en er niks mis was met de memorie van grieven. Verder heeft hij haar geschreven dat de door klaagster genoemde onderwerpen geen onderdeel van het hoger beroep zijn omdat het daarin gaat over de kosten van de woning (de beheersregeling);

- om 12:30 uur: heeft klaagster aan verweerder haar ongenoegen over de gang van zaken kenbaar gemaakt en zich erover beklaagd dat hij haar de mogelijkheid ontneemt om in een persoonlijk gesprek uit te leggen dat zij zijn cliënte is, niet haar man;

- om 13:22 uur: heeft verweerder op inhoudelijke punten gereageerd en klaagster nogmaals uitgelegd waartoe het hoger beroep is beperkt en dat in de memorie van grieven slechts een kleine fout staat.

2.16    Op 8 april 2024:

- heeft verweerder aan klaagster onder meer gemaild:

Ter rolzitting van 2 april jl. heeft het gerechtshof de memorie van antwoord van de wederpartij in behandeling genomen. 
Hierna is de procedure door het gerechtshof verwezen naar de schriftelijke rolzitting van 16 april a.s. voor “beraad partijen”. Dit betekent dat partijen zich voor 16 april a.s. dienen uit te laten over het verdere verloop van de procedure. Partijen kunnen het gerechtshof vragen een akte in te mogen dienen, partijen kunnen een mondelinge behandeling vragen, partijen kunnen arrest vragen of partijen kunnen doorhaling van de procedure vragen. 
Ik ben voornemens het gerechtshof te vragen dat ik nog een akte kan indienen en zo schriftelijk kan reageren op de memorie van antwoord van de wederpartij. Akkoord?

- heeft klaagster aan verweerder haar aangiften IB over de jaren 2019-2022 gemaild.

2.17    Op 1 mei 2024 heeft klaagster haar e-mail van 8 april 2024 nogmaals aan verweerder gestuurd en verweerder erop gewezen dat zij zich vanaf hun eerste mailcontact bereid was om de wederpartij inzage te geven in haar aanslagen en aangiften IB. Klaagster heeft ook op de van verweerder ontvangen conceptakte gereageerd.

2.18    Op 2 mei 2024:
- heeft verweerder een aangepaste conceptakte aan klaagster gestuurd en over het opvragen van aangiften IB bij haar onder meer geschreven:  

Dit is ook genoemd onder 4.4.1 in het vonnis van 12 april 2023. Zowel in dit vonnis als in het proces-verbaal van de zitting van 27 februari 2023 is uitgebreid genoemd dat u geen inzage in de aangiften wilt verstrekken. Ik heb erbij u op aangedrongen om alsnog inzage te geven in de aangiften, ten tijde van de indiening van de Memorie van Grieven had ik geen aangiften, maar vond wel dat u deze alsnog ter inzage moest geven, vandaar dat ik onder 14 in de MvG heb aangeboden dat u inzage verstrekt. De MvG is door uw echtgenoot in concept goedgekeurd, met uw echtgenoot correspondeerde ik in die tijd. Ik kan al de mailcorrespondentie erop nalopen in hoeverre ik aangedrongen op het verstrekken van de aangiften, maar dat lost op dit moment niets meer op.

- heeft klaagster onder meer aan verweerder geschreven: 

Ik heb wel alle correspondentie erop nagelopen, u heeft op géén enkel moment om de IB aangiften gevraagd, laat staan erop aangedrongen. U verwijst heel stiekem naar de situatie in februari 2023, dat is laf en ondertussen ook helemaal niet meer van toepassing. Ik ging toen af op het advies van mijn toenmalige advocaat. U bent nu mijn advocaat, u had mij voor 20 februari 2024 via de mail moeten adviseren en erop moeten aandringen dat ik mijn IB aangiften ter beschikking stel. Dat heeft u NOOIT gedaan. U heeft één keer geschreven dat ik mag verwachten dat ik uiteindelijk de wederpartij wel een keer inzage zal moeten geven in mijn IB aangiften. Dat was géén advies, dat was een aanname en dat heeft al helemaal niets te maken met aandringen.
en 
Ik ben nog altijd bereid om een vrije dag op te nemen zodat ik naar [D] kan afreizen om met u persoonlijk kennis te maken. Dat kan mogelijk ergens in juni. U geeft de dagen aan die u wel uitkomen in juni, ik ga kijken of daar een dag tussen zit, waarop ik vrij kan nemen.

2.19    Op 14 mei 2024 heeft verweerder de akte (zonder bijlagen) bij het gerechtshof ingediend, waarna op 11 juni 2024 door de wederpartij een antwoordakte is ingediend. In de zaak heeft het gerechtshof daarna arrest bepaald. 

2.20    Op 17 juni 2024 heeft klaagster aan verweerder onder meer geschreven: 

Een relevant aspect in twee van deze procedures is het onderwerp 'wederpartij inzage verstrekken in de IB aangiften [klaagster] over de perioden 2020, 2021 en 2022 en later, indien van toepassing en ter beschikking’. Hierin spelen namelijk ook belangenbehartiging, aansprakelijkheid en zowel de financiële als ook de juridische gevolgrisico's een voorname rol. U heeft er de afgelopen maanden voor gekozen om ondanks mijn nadrukkelijke en herhaalde verzoek tot aanlevering van de stukken, deze om een voor mij onduidelijke en door u niet gemotiveerde redenen, bewust niet de delen met de wederpartij. Die verantwoordelijkheid ligt bij u. Ik neem graag mijn eigen verantwoordelijkheid in deze.

2.21    Op 18 juni 2024 heeft verweerder aan klaagster onder meer geschreven dat hij niet alsnog haar aangiften IB bij het gerechtshof kan indienen. Verder heeft hij klaagster geschreven:

Voor een advocaat is het vertrouwen van de klant in de advocaat essentieel. Ik heb aangedrongen op inzage aangiften IB. Daartoe was u lang niet bereid, inmiddels blijkbaar wel en legt u verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid bij mij. Dat is niet acceptabel. Ik rond de huidige zaak af (dus wacht op uitspraak) en voor verdere rechtsbijstand zult u op zoek moeten naar een andere advocaat. 

2.22    Op 24 juli 2024 heeft verweerder gereageerd op de e-mail van klaagster van 9 juli 2024 dat in hoger beroep geen recht bestaat op een mondelinge behandeling en dat hij in het geval van klaagster daarvan het belang ook niet zag. Ook heeft hij klaagster laten weten dat hij in zaak 1 het arrest afwacht maar klaagster verder niet meer bij zal staan door de vertrouwensbreuk.

2.23    Op 13 augustus 2024 heeft SAR verweerder bericht van klaagster te hebben begrepen dat hij zaak 2 niet heeft opgepakt met het verzoek om dat toe te lichten. Op 12 september 2024 heeft verweerder aan SAR onder meer bericht: 

Feitelijk doe ik één zaak voor [klaagster]. Dit betreft een hoger beroep over de kosten van de woning, (…). Deze zaak staat voor arrest (uitspraak). Tussen cliënte en ik zijn de verhoudingen zeer slecht. Over alles is discussie, het gaat zeer moeizaam. Vanwege een gebrek aan vertrouwen/ verschil van mening heb ik cliënte meegedeeld dat ik in de zaak over de kosten woning het arrest afwacht en dat ik haar voor het overige niet meer wil bijstaan. Ik wijs op artikel 14 lid 2 en 3 Gedragsregels Advocatuur. Er zijn twee R-nrs aan ons uitbesteed: (…). Gelet op de omschrijving bij de uitbesteding betreft de laatste het hoger beroep. In de andere kwestie heb ik geen werkzaamheden verricht.

2.24    Op 25 februari 2025 heeft het gerechtshof arrest gewezen. 

2.25    Op de verzoeken van klaagster op 13 en 23 maart 2025 om alle stukken toe te sturen, heeft verweerder gereageerd met de mededeling dat klaagster daarover al beschikt. 

3    KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door (in hoofdlijnen):

a)    tekort te schieten in de (wijze van) communicatie, deskundigheid en dossierbeheer;

b)    onzorgvuldig te handelen in de procesvoering.

4    VERWEER 

De raad zal hierna, waar nodig, op het gemotiveerde verweer ingaan.

5    BEOORDELING

Maatstaf 

5.1    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

5.2    Bij klachten anders dan over de kwaliteit van de dienstverlening toetst de tuchtrechter bij de beoordeling van een aan de advocaat verweten handelen of nalaten naar vaste jurisprudentie eveneens aan de in art. 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn (direct of analoog). 

5.3    In dit verband spelen gedragsregels 14 lid 3 en 16 een rol. Uit gedragsregel 14 lid 3 volgt dat wanneer een advocaat besluit een hem verstrekte opdracht neer te leggen, hij dat op zorgvuldige wijze moet doen en ervoor moet zorgen dat zijn cliënt daarvan zo min mogelijk nadeel ondervindt. Uit gedragsregel 16 volgt dat het tot de taak van de advocaat behoort om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Zo nodig moet hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen. Indien de advocaat dit verzuimt, komt het bewijsrisico daaromtrent op hem te rusten.

5.4    Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

Klachtonderdelen a) en b)
    tekort te schieten in de (wijze van) communicatie, deskundigheid en dossierbeheer; 
    onzorgvuldig te handelen in de procesvoering;

Toelichting van klaagster

5.5    Volgens klaagster is sprake geweest van onfatsoenlijke communicatie door verweerder. Zij verwijst naar de e-mail van 30 november 2023 met daarin een nogal vreemde vraagstelling van verweerder over hun vorige advocaat. Ook de e-mails van 2 en 15 februari 2024 onderbouwen dit subverwijt. Verweerder begreep klaagster niet en heeft op misselijkmakende manier haar echtgenoot gedwongen om in te stemmen met de memorie van grieven, terwijl hij wist dat klaagster werkte. 

5.6    Klaagster verwijt verweerder verder dat hij onvoldoende naar haar heeft geluisterd en respect voor haar heeft gehad. Ondanks haar herhaalde verzoeken om zaak 1 in een persoonlijk gesprek met verweerder op zijn kantoor te bespreken, heeft verweerder dat onmogelijk gemaakt en volstaan met e-mailcontact. Dat heeft onnodig tot verwarring geleid. Klaagster heeft verweerder meermaals, zowel eind 2023 als op 8 april 2024, duidelijk gezegd dat zij een mondelinge behandeling bij het gerechtshof wilde hebben, dat zij daar ook recht op had. Dan kon zij tijdens een zitting de aangiften IB en berekeningen laten zien en mogelijk deskundigen meenemen. Ook hiernaar heeft verweerder niet geluisterd. De door het gerechtshof geplande ‘mondelinge behandeling na aanbrengen’ is ineens gewijzigd naar de indiening van een memorie van grieven. Nadat de wederpartij een conclusie van antwoord had ingediend, heeft verweerder op 8 april 2024 aan klaagster geschreven dat de zaak voor ‘beraad partijen’ stond en dat één van de mogelijkheden was om een mondelinge behandeling te vragen. Verweerder heeft echter geadviseerd om een akte te vragen en heeft dat ook tegen de wens van klaagster gedaan. 

5.7    Volgens klaagster heeft verweerder doelbewust ten nadele van haar belangen gehandeld. Dat kwam door feitelijke onwetendheid en eigenwijs gedrag van verweerder. Vanaf het begin heeft klaagster samen met haar echtgenoot duidelijk aan verweerder laten weten alles te willen doen en aan te leveren, waaronder ook haar aangiften IB en berekeningen waaruit het gemis van de hypotheekrenteaftrek kon worden aangetoond. Verweerder heeft in de memorie van grieven ook aangekondigd dat er in de procedure op een later moment nog door klaagster inzage in de aangiften IB zal worden verleend en berekeningen zouden worden ingediend. Omdat zij niets van verweerder hoorde heeft zij op eigen initiatief op 8 april 2024 de aangiften IB aan verweerder gemaild. Verweerder is in zijn belangenbehartiging tekortgeschoten doordat hij die essentiële stukken niet alsnog in de procedure heeft gebracht en ook niet heeft verzocht om een mondelinge behandeling zodat klaagster haar stukken had kunnen tonen. Door toedoen van dit onrechtmatig handelen van verweerder is het arrest nadelig voor klaagster geweest en daarvoor houdt zij verweerder aansprakelijk. 

5.8    Klaagster verwijt verweerder ook slecht dossierbeheer. De verwisseling van de dossiernummers door verweerder in de opdrachtbevestigingen van haar twee zaken, was een administratieve blunder. Ernstiger was, mogelijk een datalek, dat klaagster in maart 2024 driemaal een e-mail van verweerders kantoor heeft ontvangen bestemd voor een andere cliënt met dezelfde achternaam met vertrouwelijke informatie. Pas na de derde keer daarop te zijn gewezen, heeft verweerder zijn verontschuldigingen aangeboden. Ondanks haar verzoeken heeft verweerder niet alle stukken aan klaagster gestuurd, waaronder de correspondentie met het gerechtshof. 

5.9    Verweerder heeft in zaak 2 zonder reden niets voor haar gedaan terwijl hij ook voor die zaak op 30 november 2023 een opdracht van de SAR had gekregen. Volgens klaagster had verweerder, ondanks de ontstane vertrouwensbreuk over de gang van zaken in zaak 1, die andere zaak alsnog voor haar moeten doen. Door zijn weigering en zijn ondeskundige handelen heeft klaagster de limiet van haar budget bij SAR bereikt, zonder dat zij enig resultaat heeft behaald in beide zaken. 

Verweer van verweerder

5.10    Volgens verweerder is zijn gedrag richting klaagster en haar echtgenoot altijd fatsoenlijk en respectvol geweest, ondanks dat de communicatie met hen steeds moeizamer verliep. 

5.11    Op 13 december 2023 heeft verweerder voor dinsdag 9 januari 2024 een bespreking voorgesteld. Omdat het niet lukte om daarna op een geschikte dag een afspraak te maken, heeft verweerder voorgesteld om contacten zoveel mogelijk per mail te laten lopen. Hij heeft daarna ook geen verzoek gekregen van klaagster of de noodzaak gevoeld om de zaak op kantoor te bespreken. 

5.12    Zijn verwachting en die van de advocaat van de wederpartij was dat er een mondelinge behandeling na aanbrengen zou worden gelast maar het gerechtshof heeft daartoe uiteindelijk niet besloten. Zaak 1 is het schriftelijke circuit ingegaan. 

5.13    In het vonnis van de kantonrechter stond duidelijk vermeld dat als klaagster geen inzage zou geven in haar aangiften IB de wederpartij geen belastingnadeel hoefde te vergoeden. Verweerder is klaagster in hoger beroep gaan bijstaan. Toen op 10 januari 2024 duidelijk werd dat de zaak op 20 februari 2024 op de rol stond voor memorie van grieven, heeft hij meermaals, in zijn e-mails van 22 januari 2024 en 9 en 15 februari 2024 om 9.24 en 10:55 uur, bij klaagster en haar echtgenoot erop aangedrongen dat niet kon worden volstaan met de aanslagen IB met specificaties maar dat hij haar aangiften IB over een aantal jaren nodig had. Omdat klaagster daarover op 15 februari 2024 nog niet beschikte, heeft verweerder in de concept memorie van grieven onder punt 14 vermeld dat klaagster alsnog inzage in de aangiften IB zal verlenen. De echtgenoot van klaagster heeft die dag met deze memorie ingestemd, waarna deze is ingediend bij het gerechtshof.

5.14    Toen de zaak na de memorie van antwoord op de rol van 16 april 2024 stond ‘voor beraad partijen’ heeft hij klaagster geadviseerd om het gerechtshof te verzoeken een akte te mogen nemen. Verweerder heeft na instemming van klaagster op de rol van 16 april 2024 verzocht om een akte te mogen nemen. 

5.15    Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder verklaard dat hij verrast was dat daarna in het roljournaal stond dat de op 14 mei 2024 te nemen akte maximaal anderhalve A4 mocht zijn. Na kort onderzoek heeft hij toen aangenomen dat bij de akte kennelijk geen producties mochten worden gevoegd. Verweerder erkent dat hij hierin onzorgvuldig is geweest omdat hij daarover toen navraag bij het gerechtshof had moeten doen.

5.16    Verweerder heeft tijdens de zitting van de raad verder verklaard dat hij, in tegenstelling tot wat hij daarover tijdens het klachtonderzoek heeft gesteld, de e-mail van 8 april 2024 van klaagster met de door hem opgevraagde aangiften IB wel die dag heeft ontvangen. Die e-mail is in zijn algemene inbox blijven staan en ten onrechte niet in haar digitale dossier gezet. Volgens verweerder heeft deze recente ontdekking geen effect gehad op het verdere verloop van de zaak. Hij heeft klaagster op 8 april 2024 geadviseerd om op 16 april 2024 om een akte te vragen. Dat had hij toen ook geadviseerd als hij die dag wel de aangiften IB van klaagster in zijn mailbox had gezien. De kans dat klaagster voorafgaand aan een mondelinge behandeling nog stukken bij het gerechtshof had mogen indienen of de gelegenheid had gekregen om nieuwe stukken pas tijdens een mondelinge behandeling te tonen, was immers kleiner dan de kans om die stukken bij akte te mogen voegen en toe te lichten.  

5.17    Met instemming van klaagster heeft hij op 14 mei 2024 een akte, zonder bijlagen, ingediend. Op 18 juni 2024 heeft hij klaagster gemaild dat zij te laat was met haar verzoek om alsnog haar aangiften IB bij het gerechtshof in te dienen omdat arrest was bepaald. Dat had een tussenarrest kunnen worden waarbij het gerechtshof alsnog om stukken had gevraagd of had besloten om getuigen/deskundigen te horen. Het gerechtshof heeft op 25 februari 2025 eindarrest gewezen. 

5.18    Verweerder betwist dat hij inhoudelijk ondeskundig heeft opgetreden. Klaagster heeft daarover ook niet specifiek geklaagd.  

5.19    Klaagster heeft alle relevante correspondentie en processtukken ontvangen en van alle correspondentie met het gerechtshof van hem altijd schriftelijke uitleg gekregen. De vergissing met de foutieve dossiernummers in de opdrachtbevestiging is na ontdekking rechtgezet. Dat er een aantal e-mails, bestemd voor een naamgenoot, per ongeluk aan klaagster zijn gestuurd, was slordig en had niet mogen gebeuren, maar benadeelde klaagster zelf niet. 

5.20    Volgens verweerder vroeg zaak 1 meteen alle aandacht. Zaak 2 had geen haast en kon later. Dat is zo ook met klaagster afgesproken en klaagster is hierop tot aan zijn onttrekking in juni 2024 nooit teruggekomen. Na de vertrouwensbreuk met klaagster heeft hij haar laten weten geen werkzaamheden meer voor haar te willen doen. Dat betrof ook zaak 2. Die zaak heeft hij aan SAR teruggegeven rond oktober 2024. Dat klaagster daarvan nadeel heeft ondervonden, heeft klaagster niet concreet onderbouwd. 

Beoordeling van de raad

5.21    Vanwege de onderlinge samenhang van de verwijten, die in de kern om de communicatie gaan, ziet de raad aanleiding om deze gelijktijdig te beoordelen. 

5.22    Naar het oordeel van de raad is verweerder op meerdere momenten tekortgeschoten in zijn communicatie met klaagster. Een fysieke afspraak heeft verweerder tijdens de duur van de rechtsbijstand niet actief mogelijk gemaakt, ondanks het herhaalde verzoek van klaagster. Zijn communicatie met klaagster en haar echtgenoot is daardoor beperkt geweest tot hoofdzakelijk mailcontact. Juist omdat het contact volgens verweerder met de tijd moeizamer werd en sprake was van irritatie over en weer, had daar een taak voor hem gelegen om daarover met klaagster en haar echtgenoot fysiek een gesprek aan te gaan om de lucht te klaren. Verweerder heeft dat initiatief niet genomen maar is steeds korter en zakelijker met klaagster gaan mailen. Alhoewel de raad kan begrijpen dat klaagster de toonzetting in de e-mails van verweerder als onaangenaam heeft ervaren, kunnen die e-mails echter niet als onfatsoenlijk richting klaagster worden gekwalificeerd.  

5.23    Naar het oordeel van de raad heeft verweerder de belangen van klaagster om de hierna te noemen redenen onvoldoende zorgvuldig behartigd. Dat verweerder dat doelbewust heeft gedaan, zoals klaagster stelt, is de raad uit de stukken niet gebleken en zal de raad daarom ook niet vaststellen. 

5.24    Verweerder heeft naar het oordeel van de raad onvoldoende regie genomen door klaagster niet genoeg bij de hand te nemen tijdens de behandeling van zaak 1. In zijn e-mails aan klaagster heeft hij onvoldoende duidelijk gemaakt welke stukken hij uiterlijk op welk moment wilde ontvangen. Verweerder heeft het initiatief hierin teveel bij klaagster gelaten. Dat verweerder het druk had en geïrriteerd was over de moeizame communicatie met klaagster en haar echtgenoot, was geen rechtvaardiging voor verweerder om niets te doen.

5.25    De raad rekent het verweerder aan dat hij op 8 april 2024 klaagster heeft geadviseerd om een akte te nemen zonder eerst gedegen te onderzoeken of bij het gerechtshof in de stand van de procedure van zaak 1 bij een akte producties mochten worden gevoegd. Dit terwijl verweerder wist dat in het belang van klaagster was dat in elk geval haar aangiften IB nog in het geding werden gebracht. Verweerder is vervolgens overvallen door het roljournaal waarin een akte van beperkte omvang werd toegestaan. Naar eigen zeggen heeft verweerder, na kort onderzoek, toen aangenomen dat hij bij de akte geen producties mocht voegen. Als verweerder toen de aangiften IB als producties bij de akte had gevoegd, dan had het gerechtshof over de toelaatbaarheid daarvan een beslissing moeten nemen. Zover is het niet gekomen, omdat verweerder op 14 mei 2024 een akte zonder producties heeft ingediend. Of verweerder daarin daadwerkelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, kan de raad, op grond van de stukken niet vaststellen nu in deze klachtprocedure niet vast is komen te staan of het overleggen van de aangiften IB nog toegestaan geweest zou zijn op basis van het procesreglement van het gerechtshof. Verweerder is naar het oordeel van de raad tuchtrechtelijk bezien wel tekortgeschoten in zijn zorgplicht voor klaagster omdat van verweerder als zorgvuldig en behoorlijk advocaat mocht worden verwacht op de hoogte te zijn van de geldende procesregels van een gerecht en niet af te gaan op eigen aannames. Van verweerder had verwacht mogen worden dat hij alles op alles zou zetten om de aangiften IB overgelegd te krijgen. Op dit punt is verweerder te nonchalant geweest.

5.26    Tijdens de zitting heeft verweerder erkend dat hij de e-mail van klaagster van 8 april 2024, met daarbij haar aangiften IB, over het hoofd heeft gezien. Dat is naar het oordeel van de raad slordig geweest. Verweerder heeft daardoor de aangiften IB van klaagster pas voor het eerst op 1 mei 2024 gezien. Ook slordig is geweest dat verweerder dossiernummers van de zaken van klaagster heeft omgewisseld en er niet voor klaagster bestemde e-mails aan haar zijn gestuurd met vertrouwelijke gegevens van een andere cliënt. Verweerder heeft voor deze onzorgvuldigheden aan klaagster zijn verontschuldigen aangeboden. De raad dringt er op aan en vertrouwt erop dat verweerder intern de nodige maatregelen treft zodat deze slordigheden in de toekomst niet meer zullen gebeuren. 

5.27    Uit de stukken is de raad niet gebleken van een inhoudelijke tekortkoming van verweerder zodat niet kan worden vastgesteld dat verweerder klaagster inhoudelijk op ondeskundige wijze heeft bijgestaan in zaak 1. 

5.28    De juistheid van het verdere verwijt van klaagster, dat verweerder onvoldoende inzage in alle (proces)stukken heeft gegeven, kan de raad, tegenover de betwisting daarvan door verweerder, niet vaststellen. De raad merkt in dit kader op dat een advocaat niet gehouden is om de digitale formulieren voor een gerecht aan de cliënt te sturen als de informatie daarin maar met de cliënt wordt gedeeld. Dat heeft verweerder gedaan.

5.29    De raad begrijpt uit de verdere klacht dat klaagster had verwacht dat verweerder tegelijk met zaak 1 ook werkzaamheden in zaak 2 had gedaan maar dat verweerder tegen de afspraken in niets in zaak 2 heeft gedaan. Klaagster verwijt verweerder ook dat zij door zijn onttrekking financieel is benadeeld. Verweerder weigerde na zijn onttrekking om alsnog werkzaamheden in zaak 2 te doen. Omdat ASR daarna de rechtshulpverlening aan klaagster heeft stilgelegd, was klaagster genoodzaakt om na het negatieve arrest op eigen kosten een advocaat in te schakelen om de wederpartij in zaak 1 opnieuw te sommeren. Omdat verweerder niets heeft gedaan in zaak 2 en ASR mogelijk daarvoor geen budget meer beschikbaar stelt, is klaagster hierdoor ook financieel gedupeerd. Verweerder heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd, zoals hiervoor vermeld. De raad overweegt hierover als volgt. 

5.30    Gezien de ontstane vertrouwensbreuk stond het verweerder naar het oordeel van de raad vrij om zich volledig als advocaat van klaagster te onttrekken, zoals ook van een advocaat wordt verwacht op grond van gedragsregel 14. Het neerleggen van de werkzaamheden in de beide zaken was ook niet ontijdig, omdat er geen naderende termijnen waren. Daarbij heeft verweerder jegens klaagster ook niet onzorgvuldig gehandeld omdat voor verweerder niet te verwachten was dat klaagster van zijn onttrekking zodanig nadeel zou ondervinden dat verweerder zich ook niet had mogen onttrekken. Verweerder hoefde immers niet te verwachten dat klaagster na het arrest in zaak 1 een advocaat voor eigen rekening heeft ingeschakeld om de wederpartij opnieuw te sommeren. Op het moment van zijn onttrekking hoefde verweerder ook niet te verwachten dat klaagster mogelijk geen budget meer voor behartiging van haar belangen in zaak 2 van ASR zou krijgen. Dat laatste is de raad ook overigens uit de stukken ook niet gebleken.

5.31    Naar het oordeel van de raad heeft verweerder echter ook op dit punt onvoldoende duidelijk met klaagster gecommuniceerd. Klaagster betwist dat is afgesproken dat verweerder met zaak 1 zou beginnen en dat zaak 2 kon wachten. Gezien gedragsregel 16 had het op de weg van verweerder gelegen om de werkafspraken over beide zaken schriftelijk vast te leggen. Een dergelijk stuk ontbreekt echter in het dossier. Dat klaagster zich nooit eerder erover heeft beklaagd dat verweerder niets met zaak 2 had gedaan, doet daar niet aan af.  

5.32    Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de raad van oordeel dat verweerder over voor klaagster belangrijke kwesties onvoldoende duidelijk met haar heeft gecommuniceerd en in zoverre in zijn zorgplicht voor klaagster is tekortgeschoten. Dat is niet zoals van een zorgvuldig handelend advocaat mag worden verwacht. De raad zal dan ook de klachten a) en b) in zoverre gegrond en voor het overige ongegrond verklaren. 

6    MAATREGEL

De gegrond verklaarde verwijten brengen mee dat verweerder niet heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Verweerder is slordig omgegaan met het vastleggen van gemaakte afspraken met klaagster en het voeren van regie in de beide zaken, waarvoor hij van klaagster opdracht had gekregen. Het heeft geschort aan een duidelijke communicatie met klaagster en dat heeft bij zowel klaagster maar ook bij verweerder tot irritaties geleid die naar het oordeel van de raad voorkomen hadden kunnen worden. De raad rekent het verweerder aan dat hij niet bekend was met de processuele spelregels bij het gerechtshof. Of klaagster daardoor uiteindelijk is benadeeld, kan de raad niet vaststellen, maar dat verweerder op dat punt in zijn zorgplicht is tekortgeschoten staat voor de raad wel vast. Dit alles leidt daartoe dat de raad een maatregel van berisping voor verweerder passend en geboden acht. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
 
7.2    Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a)    € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster,

b)    € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c)    € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.


BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdelen a) en b) gegrond voor zover daarin is geklaagd over de gebrekkige communicatie (afhouden fysieke afspraak met klaagster en onvoldoende informeren van klaagster) en onvoldoende nakomen van zijn zorgplicht richting klaagster (onvoldoende regie op de procedure en slordig omgaan met procesbelang van klaagster);

-    verklaart de klachtonderdelen a) en b) voor het overige ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; 
 
-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. M. Jansen, voorzitter, mrs. P.Th. Mantel en N.C. Milani, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op : 10 augustus 2026