ECLI:NL:TGZCTG:2026:167 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2026/3351
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:167 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-08-2026 |
| Datum publicatie: | 17-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2026/3351 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Verjaring. Klacht tegen een klinisch psycholoog tevens psychotherapeut. Klager is eind 2013 door zijn huisarts verwezen naar de instelling voor geestelijke gezondheidszorg waar verweerster werkzaam was. Verweerster was de hoofdbehandelaar van klager. Klager verwijt verweerster dat zij de diagnose narcisme op hem heeft geplakt. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in de klacht vanwege overschrijding van de tienjaarstermijn. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege en wijst het beroep af. |
D E V O O R Z I T T E R V A N H E T C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2026/3351 van:
A.,wonende in B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C., klinisch psycholoog, tevens psychotherapeut
werkzaam in B.,
verweerster in beide instanties,
hierna: verweerster,
gemachtigde: mr. H.B.M. Vrieling, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager is eind 2013 door zijn huisarts verwezen naar de instelling voor geestelijke gezondheidszorg waar verweerster werkzaam was. Verweerster was de hoofdbehandelaar van klager. Klager verwijt verweerster dat zij de diagnose narcisme op hem heeft geplakt.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager kennelijk niet-ontvankelijk verklaard
in de klacht vanwege overschrijding van de tienjaarstermijn. De voorzitter van het
Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere
beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege en zal het beroep
afwijzen.
2. Verloop van de procedure in beroep
2.1 Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in ‘s-Hertogenbosch van 17 juni 2026 met nummer H2026/9493. Deze beslissing is als bijlage aan deze beslissing gehecht.
2.2 De voorzitter heeft kennisgenomen van het procesdossier in eerste aanleg
en het beroepschrift.
3. De beoordeling
3.1 Klager is het niet eens met het oordeel van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege dat de klacht is verjaard. Verweerster was de hoofdbehandelaar vanaf 2014 tot medio 2016. Klager vindt het onterecht dat de datum van diagnosestelling wordt gezien als doorslaggevend.
3.2 De voorzitter stelt voorop dat volgens artikel 65 lid 5 van de Wet BIG de bevoegdheid tot het indienen van een klacht vervalt door verjaring in tien jaren. De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het desbetreffende handelen of nalaten is geschied. Dit betreft een harde termijn waarop in beginsel geen uitzonderingen mogelijk zijn. De achtergrond van deze regel is dat het na meer dan tien jaar moeilijk is om nog vast te stellen wat er precies is gebeurd. Ook vindt de wetgever het niet redelijk dat een zorgverlener meer dan tien jaar later nog kan worden berecht voor een volgens een klager gemaakte fout.
3.3 Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager verzocht kort en bondig zijn concrete verwijten te formuleren en aan te geven wanneer het handelen dat hij verweerster verwijt heeft plaatsgevonden. Klager heeft naar aanleiding van dit verzoek zijn verwijten als volgt samengevat:
“Zeer kort:
Er is een diagnose narcisme op mij geplakt.
Mijn reactie hierop is: nee.
Daarmee ben ik volledig.
Er is niets om inhoudelijk te reageren.”
3.4 Verweerster heeft in het verweerschrift in eerste aanleg toegelicht dat zij, in overleg met alle betrokken diagnostici en behandelaren, de voorlopige classificatie ‘narcistische persoonlijkheidsstoornis’ heeft gesteld. Deze voorlopige classificatie blijkt ook uit een brief aan de huisarts van 24 juli 2015. Klager bevestigt in zijn beroepschrift dat het diagnosemoment medio 2015 was.
3.5 Het staat vast dat het verweten handelen medio 2015 heeft plaatsgevonden, terwijl het klaagschrift op 31 december 2025 door het Regionaal Tuchtcollege is ontvangen. Tussen het verweten handelen en het indienen van de klacht zijn dus meer dan tien jaren verstreken. Klager heeft in dit verband naar voren gebracht dat er van verjaring geen sprake kan zijn omdat het behandeltraject waar verweerster bij betrokken was tot medio 2016 heeft geduurd. Het Centraal Tuchtcollege begrijpt dat klager het behandeltraject als één geheel ziet, maar in de wet BIG staat duidelijk dat de tienjaarstermijn gaat lopen vanaf de dag dat de verweten gedraging heeft plaatsgevonden. Dit leidt tot de conclusie dat het Regionaal Tuchtcollege terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat klager niet ontvankelijk is in zijn klacht.
3.6 Op basis van het bovenstaande komt de voorzitter tot het oordeel dat het
beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het
Regionaal Tuchtcollege. Het beroep wordt daarom afgewezen.
4. Beslissing
De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
wijst het beroep af.
Aldus gewezen op 14 augustus 2026 en ondertekend door mr. Z.J. Oosting, voorzitter, bijgestaan door mr. K.M. ten Pas, secretaris.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.
Tegen deze beslissing kunt u binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk verzet doen bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Voorzittersbeslissing van 17 juni 2026 op de klacht van:
A., wonende in B.,
klager,
tegen:
C., klinisch psycholoog,
tevens psychotherapeut,
werkzaam in B.,
verweerster,
gemachtigde mr. H.B.M. Vrieling werkzaam in Utrecht.
1. De klacht
De klacht gaat, kort gezegd, over een door verweerster bij klager gestelde diagnose.
2. De procedure
De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 31 december 2025;
- de brief van 20 februari 2026 van de secretaris aan klager;
- het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 19 maart 2026:
- het verweerschrift per e-mail ontvangen op 12 mei 2026 en per post op 15 mei 2026.
3. Overwegingen
3.1 Op grond van artikel 65 lid 5 van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) geldt een termijn van tien jaar om te klagen over het handelen of nalaten van een zorgverlener. Deze termijn begint te lopen op de dag nadat dit handelen of nalaten heeft plaatsgevonden. Na het verstrijken van deze tienjaarstermijn kan een klacht niet meer in behandeling worden genomen. De achtergrond van deze regel is dat het na meer dan tien jaar moeilijk is om nog vast te stellen wat er precies is gebeurd. Ook vindt de wetgever het niet redelijk dat een zorgverlener meer dan tien jaar later nog kan worden berecht voor een volgens een klager gemaakte fout.
3.2 Klager heeft de klacht ingediend op 31 december 2025. Omdat niet duidelijk was wat klager verweerster precies verwijt en wanneer het handelen heeft plaatsgevonden, heeft de secretaris bij brief van 20 februari 2026 hierover nadere informatie aan klager gevraagd. Klager heeft daarop laten weten dat verweerster de diagnose narcisme op hem heeft geplakt. Over de periode waarin het handelen plaatsvond, heeft klager geen duidelijkheid kunnen geven.
3.3 Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd en onderbouwd dat de voorlopige diagnose ‘Narcistische persoonlijkheidsstoornis’ reeds in juli 2015 is gesteld. Het aan verweerster verweten handelen heeft plaatsgevonden in juli 2015, terwijl het daarop betrekking hebbende klaagschrift bij het college is ingekomen op 31 december 2025. Dit betekent dat tussen het verweten handelen en de indiening van het klaagschrift meer dan tien jaren zijn verstreken.
Daarom is de voorzitter van oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht. Dat betekent dat de klacht niet inhoudelijk zal worden beoordeeld.
4. De beslissing
Klager is kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus gedaan op 17 juni 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
in tegenwoordigheid van de secretaris. De secretaris is buiten staat de beslissing mede te ondertekenen.
voorzitter w.g.
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG):
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard, of
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het CTG, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) te ‘s-Hertogenbosch. Het beroepschrift moet zijn ontvangen binnen zes weken nadat het RTG de beslissing aan u heeft verstuurd.
Vanwege mogelijke vertraging bij de bezorging van post, kunt u uw beroep ook per e-mail indienen. Dan weet u zeker dat het RTG uw beroep op tijd ontvangt. U stuurt dan binnen die zes weken uw e-mail naar TG-DenBosch@minvws.nl. U moet het originele beroepschrift nog wel per post nasturen.
U hoeft bij uw brief of e-mail niet meteen de reden(en) van uw beroep op te geven.
U ontvangt van het CTG bericht over de extra tijd die u krijgt om die redenen later
toe te sturen.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het CTG. U ontvangt
hierover bericht. Als u helemaal of voor een deel gelijk krijgt, ontvangt u het griffierecht
terug.