ECLI:NL:TGZRAMS:2026:199 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9118

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:199
Datum uitspraak: 17-08-2026
Datum publicatie: 17-08-2026
Zaaknummer(s): A2025/9118
Onderwerp: Niet of te laat verwijzen
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een oogarts. Klager kampt al lange tijd met glaucoom. Klager vindt dat de oogarts een te lange termijn voor de controle heeft aangehouden toen zij hem doorverwees, waardoor een tijdige behandeling uitbleef. Klager is tijdens zijn vakantie blind geworden. Het college is van oordeel dat de oogarts in de situatie van klager in redelijkheid heeft kunnen besluiten aan de doorverwijzing een termijn van drie maanden te verbinden. Het college beoordeelt niet of er een causaal verband bestaat tussen de door de oogarts bepaalde termijn en de bij klager plotseling opgetreden blindheid. 

A2025/9118
Beslissing van 14 augustus 2026

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Beslissing in raadkamer van 14 augustus 2026 op de klacht van:


A,
wonende in B,
klager,
gemachtigde: mr. J.J. Sneller, werkzaam in Amsterdam,


tegen


C,
oogarts,
werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de oogarts,
gemachtigde: mr. M. de Jong, werkzaam te Amsterdam.


1. De zaak in het kort
1.1 Klager kampt al lange tijd met glaucoom, een oogziekte waarbij de oogzenuw langzaam beschadigd raakt, vaak door een hoge oogdruk. Klager stond onder controle bij het D (hierna: het centrum) waar verweerster werkzaam is. Klager vindt dat de oogarts een te lange termijn voor de controle heeft aangehouden toen zij hem doorverwees. Klager stelt dat hierdoor een tijdige behandeling uitbleef waardoor niet werd voorkomen dat verdere schade optrad aan zijn oog/zicht.

1.2 De oogarts heeft gereageerd op de klacht en betwist dat er sprake is geweest van een te lange doorverwijstermijn.

1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.


2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 15 oktober 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 29 januari 2026.

2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de
zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.


3. Wat is er gebeurd?
3.1 Verweerster is sinds 2019 werkzaam in het centrum, een dochteronderneming van
het E (hierna: het ziekenhuis).

3.2 Klager is sinds 2007 onder behandeling vanwege ernstig glaucoom. Hij is sinds
16 juni 2017 onder controle bij de afdeling oogheelkunde van het centrum.

3.3 Op 14 juni 2021 was klager op controle bij een collega van de oogarts. Op dat
moment kreeg hij oogdruppels Cosopt en Lumigan. De oogdruk op dat moment was 14-16
mmHg, nadat bij de controle daarvoor waarden van 8-11 mmHg waren gemeten. De collega
van de oogarts heeft klager ingepland voor een controle na zes weken en heeft in het dossier
vermeld dat moet worden beoordeeld of zijn medicatie moet worden aangepast of dat er een
terugverwijzing naar het ziekenhuis moet plaatsvinden.

3.4 Op 27 juli 2021 kwam klager voor controle bij de oogarts (verweerster). De oogarts
heeft klager onderzocht en kwam tot de conclusie dat de oogdruk, 8-20 mmHg, te hoog was.
Zij heeft klager de oogdruppels Alphagan voorgeschreven, naast de andere medicatie, en
hem naar het glaucoomspreekuur van het ziekenhuis doorverwezen dat na zijn vakantie zou
plaatsvinden. De oogarts heeft in het digitale verwijssysteem een doorverwijzing met een
termijn van drie maanden aangevinkt.

3.5 Klager was van 20 augustus tot 14 oktober 2021 op vakantie in het buitenland.
Klager is tijdens deze vakantie blind geworden. Hij is daar behandeld door een oogarts.

3.6 Op 28 oktober 2021 nam klager telefonisch contact op met het centrum omdat hij
nog niet was opgeroepen voor een afspraak bij het ziekenhuis. Een doktersassistente van het
centrum heeft vervolgens een afspraak op 8 november 2021 voor klager geregeld op de poli
oogheelkunde van het ziekenhuis.

3.7 In december 2023 heeft klager een aansprakelijkheidsclaim neergelegd bij het
ziekenhuis en het centrum. Het ziekenhuis en het centrum hebben de claim afgewezen.


4. De klacht en de reactie van de oogarts
4.1 Volgens klager heeft de oogarts nagelaten klager versneld door te verwijzen met een
korte controletermijn. Door het hanteren van een te lange doorverwijstermijn van drie
maanden heeft klager ernstige oogschade opgelopen.

4.2 De oogarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 In de eerste plaats moet het voor klager enorm ingrijpend zijn dat hij blind is
geworden. Het college heeft daarvoor zeker begrip. De vraag is of dit te verwijten is aan de
oogarts, meer concreet is de vraag of de oogarts de zorg heeft verleend die van haar
verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende
oogarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de geldende beroepsnormen en
andere professionele standaarden.

5.2 Het college oordeelt dat de oogarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.3 De klacht, zoals ook is weergegeven tijdens het mondeling vooronderzoek van
29 januari 2026, is beperkt tot de vraag of de oogarts aan de verwijzing van klager naar het
ziekenhuis een termijn mocht verbinden van drie maanden.

5.4 Klager heeft aangevoerd dat de termijn van drie maanden te lang was gelet op de bij
het consult van 27 juli 2021 door de oogarts gemeten oogdruk. Bovendien was bij het
eerdere consult van 14 juni 2021 door de andere arts een verwijzing gegeven van zes weken
in plaats van drie maanden.

5.5 Bij klager is bij het consult op 27 juli 2021 een oogdruk vastgesteld van 8-20 mmHg.
Het college vindt deze waarde niet zodanig hoog dat een controle op kortere termijn dan drie
maanden nodig was. De oogdruk van een gezond oog beweegt zich normaliter tussen 10 en
21 mmHg. Bij patiënten die lijden aan glaucoom is het uitgangspunt echter dat de oogdruk in
ieder geval lager moet zijn dan 18 mmHg, waarbij geldt: hoe lager hoe beter, zeker in
gevorderd glaucoom zoals in onderhavige casus. Het college is van oordeel dat de oogarts in
de situatie van klager in redelijkheid heeft kunnen besluiten om aan de doorverwijzing een
termijn van drie maanden te verbinden. Ook overigens heeft het college geen
aanknopingspunten gevonden die zouden maken dat een verwijzing op kortere termijn nodig
was.

5.6 Voor zover klager heeft aangevoerd dat de bij hem op 20 september 2021 plotseling
ingetreden blindheid is veroorzaakt door termijn van verwijzing die de oogarts heeft bepaald
overweegt het college het volgende. Bij de door het college aan te leggen toets wordt
uitsluitend het verweten handelen of nalaten van de oogarts beoordeeld, en niet de vraag
wat daarvan de eventuele gevolgen zijn geweest. Het tuchtcollege beoordeelt dus niet of er
een causaal verband bestaat tussen de termijn voor verwijzing en de opgetreden blindheid.
Bovendien is hiervoor al overwogen dat een kortere termijn voor verwijzing in deze zaak niet
nodig was. Geheel ten overvloede overweegt het college nog het volgende. Klager leed
verdrietig genoeg al vele jaren aan glaucoom en de ziekte bevond zich in een gevorderd
stadium. Bij patiënten in die fase kan ondanks consulten toch snelle progressie optreden c.q.
complicaties zoals retinavene occlusies met blindheid als gevolg. Het is niet gebleken dat de
verwijstermijn van drie maanden in plaats van bijvoorbeeld zes weken hierbij een klinisch
relevante onderscheidende factor is. Ook bij een kortere termijn van verwijzing had de
blindheid kunnen ontstaan.

5.7 Dat wordt niet anders doordat de andere oogarts, die klager voorafgaand aan het
consult met de oogarts onderzocht, een kortere verwijzingstermijn hanteerde. De door beide
artsen gehanteerde termijnen vallen binnen de professionele ruimte die zij hebben om
patiënten in deze omstandigheden te verwijzen. Hoewel de andere oogarts een kortere
termijn blijkbaar wenselijk vond, was de oogarts niet verplicht om vervolgens dezelfde
termijn te hanteren.

Slotsom
5.8 Al met al concludeert het college dat de oogarts binnen de norm van een redelijk
handelend oogarts heeft gehandeld. Dit betekent dat de klacht kennelijk ongegrond is.


6. De beslissing
Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 14 augustus 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
B.F.Th. Hogewind en R. van der Pol, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.C. Brand,
secretaris.