ECLI:NL:TGZRZWO:2026:130 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2026/9559

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:130
Datum uitspraak: 11-08-2026
Datum publicatie: 11-08-2026
Zaaknummer(s): Z2026/9559
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegrond klacht van een klager tegen een GZ-psycholoog. Klager verwijt de GZ-psycholoog dat is besloten klager niet in behandeling te nemen, zonder goede reden en zonder uitleg. De GZ-psycholoog voert aan dat de hulpvraag van klager niet paste bij het hulpaanbod van de instelling en dat niet werd voldaan aan de voorwaarde dat de instelling relevante informatie mocht opvragen.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 11 augustus 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klager,

tegen

C,

GZ-psycholoog,

werkzaam in B,

verweerster, hierna ook: de GZ-psycholoog,

gemachtigde: mr. P.H.N. Keuning-Taapken, werkzaam in Amsterdam.

1. De zaak in het kort

1.1     Klager verwijt de GZ-psycholoog – kort gezegd – dat is besloten klager niet in behandeling te nemen, zonder goede reden en zonder uitleg. De GZ-psycholoog voert aan dat de hulpvraag van klager niet paste bij het hulpaanbod van de instelling en dat niet werd voldaan aan de voorwaarde dat de instelling relevantie informatie mocht opvragen.
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
 

2. De procedure

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift, ontvangen op 28 januari 2026;
  • de brief van de secretaris aan klager van 4 maart 2026;
  • het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 10 maart 2026;
  • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 13 mei 2026.

2.2     De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
 

2.3      Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. 
 

3. De feiten

3.1    Klager was in verband met emotieregulatieproblemen en PTSS door de huisarts verwezen naar D.

3.2     Op 12 februari 2025 werd klager voor een intake gezien door de GZ-psycholoog en een collega van haar. De GZ-psycholoog noteerde dat klager in aanmerking kwam voor een behandeling binnen het zorgpad. Zij noteerde bij afspraken/bijzonderheden dat enkele gesprekken zouden plaatsvinden in het kader van een verlengde intake om te kijken of er tot een gezamenlijk doel en samenwerking kon worden gekomen voor behandeling, waarbij voorwaarde was dat zij informatie mocht opvragen over vorige behandelingen en diagnostiek.

3.3    Klager verscheen niet op een vervolgafspraak op 19 februari 2025. De GZ-psycholoog noteerde in het dossier dat klager de maandag ervoor telefonisch zijn toestemming informatie op te vragen had ingetrokken. Op 20 februari 2025 noteerde de GZ-psycholoog dat klager telefonisch had aangegeven de behandeling stop te willen zetten. Afgesproken werd dat er een kort briefje zonder inhoudelijke informatie naar de huisarts zou gaan dat klager was uitgeschreven.

3.4    Bij brief van 20 februari 2025 werd de huisarts ervan op de hoogte gesteld dat klager per 20 februari 2025 was uitgeschreven als patiënt.

3.5     Op 30 juni 2025 was er telefonisch contact tussen klager en een collega van de GZ-psycholoog. Zij noteerde – kort gezegd – dat klager alsnog bij D in behandeling wilde komen. In dit kader vond op 19 augustus 2025 – met voorrang op de wachtlijst - een verkorte intake plaats. Bij dit gesprek waren naast klager de GZ-psycholoog en haar collega aanwezig. De collega van de GZ-psycholoog noteerde van dit gesprek onder meer:

“Patiënt heeft in het verleden een TBS maatregel opgelegd gekregen en binnen dit kader behandeling gehad bij E. Daarna behandeling gevolgd bijF. Besproken dat het voor ons een voorwaarde is voor behandeling om informatie over deze eerdere behandelingen op te kunnen vragen. Patiënt weigert dit. Hij geeft aan dat de betreffende dossiers vol onjuiste informatie staan.

Aan patiënt teruggeven dat zijn hulpvraag ten aanzien van somberheid, eenzaamheid, praktische zaken en medische problemen niet een passende hulpvraag is voor D. Dit is voor hem moeilijk om te horen. Hij vindt dat D hem hierbij moet helpen of anders moet zorgen dat andere instanties dit gaan doen. Hij dreigt og aan te klagen als dit niet gebeurd.

Naar patiënt uitgesproken dat ik merk dat er in ons gesprek nu ook een conflictueuze sfeer ontstaat en dat ik mij kan voorstellen dat dit vaker gebeurd. Uitgelegd dat een behandeling bij D hem kan helpen hier meer inzicht in te krijgen en anders mee om te leren gaan, zodat hij minder vaak in conflict komt. Daar heeft patiënt echter geen behoefte aan, dit sluit absoluut niet aan bij zijn hulpvraag.

Geconcludeerd dat we geen overeenstemming hebben ten aanzien van zowel het doel van de behandeling als de voorwaarden voor behandeling. Patiënt is het daar mee eens, maar legt de verantwoordelijkheid hiervoor bij ons. Hij is ontevreden over het gesprek en wil opnieuw de discussie aangaan. Aangegeven dat dit naar ons idee niet zinvol is. Zonder overeenstemming kan er geen behandeling plaatsvinden. Het dossier zal gesloten worden.”

3.6     Klager stuurde op 20 augustus 2025 een e-mail naar D waarin hij aangaf niet tevreden te zijn met de intake op 19 augustus 2025. Bij brief van 21 augustus 2025 aan klager gaven de GZ-psycholoog en haar collega een toelichting op het standpunt van D.

3.7     Op 26 augustus 2025 stuurde de GZ-psycholoog een brief naar de huisarts van klager waarin stond dat geen overeenstemming werd bereikt over doel en voorwaarden voor behandeling en dat klager per 20 augustus 2025 was uitgeschreven als patiënt.

3.8     In een telefonische overdracht aan de huisarts gaf de GZ-psycholoog bemoeizorg als overweging mee.    

4. De klacht en de reactie van de GZ-psycholoog

4.1     Klager verwijt de GZ-psycholoog:

  1. dat hem meteen duidelijk werd gemaakt dat D geen behandeling aan wilde bieden en dat hij geen antwoord kreeg op zijn vraag waarom niet;
  2. dat D een oud rapport over klager wilde hebben, waarvan klager zei dat ze dat niet zouden krijgen, want wat moesten ze er mee als ze klager toch niet zouden behandelen;
  3. dat gevraagd werd waarom klager dertig jaar geleden met Justitie in aanraking was geweest. Dit was niet relevant, zeker omdat D geen behandeling wilde bieden;
  4. dat een verslag aan de huisarts van klager werd gestuurd waarin staat dat er geen behandeling zou plaatsvinden, zonder daarvoor een reden te noemen;
  5. dat in het verslag aan de huisarts “bemoeizorg” wordt genoemd, terwijl daar geen sprake van is.

4.2     De GZ-psycholoog heeft het college verzocht de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren omdat zij heeft gehandeld in overeenstemming met de professionele standaard in de forensische GGZ. Zij heeft enerzijds klager serieus genomen in zijn hulpvraag en zorgen, en anderzijds zorgvuldig beoordeeld of, en onder welke voorwaarden, een verantwoorde forensische behandeling bij D mogelijk was. De beslissing om geen behandeling aan te bieden is zorgvuldig gemotiveerd en gebaseerd op het ontbreken van een passende forensische hulpvraag bij klager en het ontbreken van toestemming voor het opvragen van relevante dossiergegevens, die nodig zijn voor veilige en verantwoorde forensische zorg.
 

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
 

De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of de GZ-psycholoog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende GZ-psycholoog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de GZ-psycholoog geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.2     Het college oordeelt dat de GZ-psycholoog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en overweegt daarover het volgende. Klachtonderdeel a) direct werd duidelijk dat D geen behandeling wilde bieden, zonder uitleg te geven.

5.3     Uit het verslag van de intake op 12 februari 2025 blijkt dat de insteek wel degelijk was dat behandeling plaats zou kunnen vinden. Wel blijkt uit het verslag dat er twijfel was over de vraag of men tot een gezamenlijk doel en samenwerking kon komen en dat voor D een voorwaarde voor behandeling was dat informatie mocht worden opgevraagd over vorige behandelingen en diagnostiek. Klager heeft vervolgens zelf de vervolgafspraak afgezegd. Toen klager in augustus 2025 zich opnieuw meldde, is er opnieuw een gesprek geweest. Daarbij is besproken of de hulpvraag van klager paste bij het zorgaanbod van D. Ook kwam de voorwaarde van D aan bod te beschikken over eerdere informatie. Omdat hulpvraag en aanbod niet overeenkwamen en klager geen toestemming wilde geven voor het opvragen van informatie werd geconcludeerd dat er geen mogelijkheden voor behandeling bij D waren.

5.4     Uit het voorgaande volgt niet dat het nooit de bedoeling is geweest klager te behandelen. Ook kan niet worden geconcludeerd dat de constatering dat er geen mogelijkheden waren voor een behandeling door D niet is toegelicht. In het verslag van het gesprek op 19 augustus 2025 staat dat klager is uitgelegd dat zijn hulpvraag niet een passende hulpvraag is voor D. Ook is in het verslag genoteerd dat is besproken dat het op kunnen vragen van informatie over eerdere behandelingen voor D een voorwaarde is voor behandeling. Daarna heeft klager in een brief van 21 augustus 2025 nog een schriftelijke toelichting ontvangen.

5.5     Klachtonderdeel a) is dan ook kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b) en c) willen hebben oude rapportage/vragen naar oud contact met justitie

5.6     De voorwaarde van D te beschikken over informatie over oude (forensische) behandelingen en contacten met justitie is inherent aan de door D geboden (forensische) GGZ-zorg. Het college begrijpt het standpunt van de GZ-psycholoog dat het hier, ook al is het lang geleden, informatie betreft die relevant kan zijn voor een eventuele behandeling door D. Pas toen bleek dat klager aan deze voorwaarde niet wilde meewerken, en daarbij ook zijn hulpvraag niet paste bij het hulpaanbod van D, was het opvragen van deze informatie ook niet (meer) aan de orde. Van onzorgvuldig handelen op dit punt door de GZ-psycholoog is geen sprake.

5.7     Klachtonderdelen b) en c) zijn dan ook kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel d) en e) verslaglegging huisarts, benoemen “bemoeizorg”

5.8     Zowel in februari 2025 als in augustus 2025 is een kort briefje naar de huisarts gestuurd met de mededeling dat klager was uitgeschreven. Een inhoudelijke uitleg werd niet gegeven vanwege de omstandigheid dat klager geen toestemming had gegeven de huisarts te informeren over het verloop van de behandeling. Onder deze omstandigheden is het achterwege laten van een uitgebreide inhoudelijke uitleg zorgvuldig. Klachtonderdeel d) treft dan ook geen doel.

5.9     Door klager is naar voren gebracht dat ook “bemoeizorg” is genoemd richting de huisarts, zonder dat duidelijk wordt wat hij de GZ-psycholoog op dit punt precies verwijt. Klachtonderdeel e) kan alleen al daarom niet slagen. Klager zegt het niet te snappen omdat van “bemoeizorg” geen sprake is. De GZ-psycholoog heeft hierop toegelicht dat zij in een telefonisch contact aan de huisarts “bemoeizorg” als mogelijkheid heeft meegegeven. Dat is niet in tegenspraak met de constatering van klager dat van bemoeizorg geen sprake was.

5.10     Uit het voorgaande volgt dat de klachtonderdelen d) en e) kennelijk ongegrond zijn.

Slotsom
5.11     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing

Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
 

Deze beslissing is gegeven op 11 augustus 2026 door mr P.A.H. Lemaire, voorzitter,
R. van der Ree en L.P.T. Raijmakers, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door

M. Keukenmeester, secretaris.

secretaris                                                                                           voorzitter


 


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.