ECLI:NL:TAHVD:2026:262 Hof van Discipline 's Gravenhage 260311

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:262
Datum uitspraak: 13-08-2026
Datum publicatie: 18-08-2026
Zaaknummer(s): 260311
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing
Beslissingen:
  • Voorzittersbeslissing
  • Verwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht over de deken niet verwezen. Op basis van het dossier heeft het hof vastgesteld dat klager zijn klacht tegen mr. B in 2019, na kennisneming van het dekenstandpunt, heeft ingetrokken. Klager heeft op 8 april 2020 opnieuw/ een nieuwe klacht  ingediend. De deken heeft die klacht toen onderzocht en aan de raad van discipline aangeboden. De raad heeft de klacht op 23 augustus 2021 niet-ontvankelijk verklaard (ECLI:NL:TADRARL:2021:184). Het door klager daartegen ingestelde beroep is door het hof van discipline behandeld, waarbij de uitspraak van de raad van discipline is bekrachtigd (uitspraak 30 mei 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:117). De voorzitter overweegt dat een klacht tegen een deken geen middel is om de inhoud van een dekenvisie over de klacht tegen een andere advocaat ter discussie te stellen. Evenmin is het de bedoeling om, nadat de tuchtrechter op een klacht tegen een advocaat definitief heeft beslist, met een klacht tegen de betrokken deken(s) de discussie opnieuw te openen. 

Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
    
van  13 augustus 2026
in de zaak 260311

    
naar aanleiding van de klacht van:
    
    
    
klager 
    
tegen:

mr. E.A.C. van de Wiel
advocaat en deken te Noord-Nederland

en

mr. R.A.A. Geene
voorheen advocaat en voorheen deken te Noord-Nederland
    
verweerders


1    HET VERZOEK

De voorzitter van het hof verwijst naar de e-mailberichten van 21 en 28 juli 2026 van klager. Hierin heeft  klager een klacht over verweerders bij de voorzitter van het hof onder de aandacht gebracht. Volgens klager hebben verweerders zijn “Valse Verklaringen Klachten c.q. Meineed Klachten inzake [X] Advocatuur c.q. Mevrouw mr. B NIET naar behoren behandeld”. 

2    DE BEOORDELING


2.1    Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht tegen een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

2.2    Het gaat in deze zaak om de behandeling door de deken Noord-Nederland (in eerste instantie mr. R.A.A. Geene, en na diens defungeren in 2020 mr. E.A.C van de Wiel) van een klacht van klager tegen mr. B die oorspronkelijk is ingediend in oktober 2018. Klager stelt dat hij “meermalen, onder overlegging van bewijs- en feitenmateriaal heeft aangetoond dat [X] Advocatuur c.q. Mevrouw mr. B vanaf ons eerste contact op 13 september 2017 Valse Verklaringen heeft afgelegd c.q. Meineed heeft gepleegd”.


2.3    Op basis van het dossier heeft het hof vastgesteld dat klager zijn klacht tegen mr. B in 2019, na kennisneming van het dekenstandpunt, heeft ingetrokken. Klager heeft op 8 april 2020 opnieuw/ een nieuwe klacht  ingediend. De deken heeft die klacht toen onderzocht en aan de raad van discipline aangeboden. De raad heeft de klacht op 23 augustus 2021 niet-ontvankelijk verklaard (ECLI:NL:TADRARL:2021:184). Het door klager daartegen ingestelde beroep is door het hof van discipline behandeld, waarbij de uitspraak van de raad van discipline is bekrachtigd (uitspraak 30 mei 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:117). 

2.4    De voorzitter overweegt dat een klacht tegen een deken geen middel is om de inhoud van een dekenvisie over de klacht tegen een andere advocaat ter discussie te stellen. Evenmin is het de bedoeling om, nadat de tuchtrechter op een klacht tegen een advocaat definitief heeft beslist, met een klacht tegen de betrokken deken(s) de discussie opnieuw te openen. Een klager kan de klacht tegen de andere advocaat, na betaling van het griffierecht, voorleggen aan de raad van discipline en laten beoordelen door de tuchtrechter. Binnen de kaders van die procedure kan klager naar voren brengen op welke punten de visie van een deken volgens hem niet deugt en dat de tuchtrechter tot een andere conclusie zou moeten komen. Die gelegenheid heeft klager gehad.

2.5  De kwestie die klager thans opnieuw aan de orde stelt is met de uitspraak van 30 mei 2022 definitief afgedaan. Dat klager het met de uitkomst -kennelijk- niet eens is, maakt dat niet anders.
Daarom zal de voorzitter de klacht tegen verweerders niet verwijzen.


2    BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

wijst het verzoek tot verwijzing af.

Deze beslissing is genomen op 13 augustus 2026 door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter.


Plaatsvervangend voorzitter

De beslissing is verzonden op 13 augustus 2026.