ECLI:NL:TAHVD:2026:261 Hof van Discipline 's Gravenhage 260301

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:261
Datum uitspraak: 13-08-2026
Datum publicatie: 18-08-2026
Zaaknummer(s): 260301
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing
Beslissingen:
  • Voorzittersbeslissing
  • Verwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht over deken niet verwezen. De voorzitter overweegt dat een klacht tegen een deken geen middel is om een in een tuchtprocedure door die deken ingenomen standpunt ter discussie te stellen. Evenmin is het de bedoeling om vooruitlopend op de beslissing van de Raad van Discipline alvast een nieuwe klacht in te dienen. Klager kan zijn klacht tegen de deken, na betaling van het griffierecht, voorleggen aan de raad van discipline en laten beoordelen door de tuchtrechter. Klager heeft, zo begrijpt het hof, van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt.

Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
    
van 13 augustus 2026
in de zaak 260301
    

naar aanleiding van de klacht van:
    
     
     
klager 
    
over:

mr. E.J.M. Rosier
advocaat en deken te Limburg
    
de deken 

1    HET VERZOEK

1.1    De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 27 juli 2026 van klager. Hierin verzoekt klager aan de voorzitter van het hof een klacht over verweerder te verwijzen naar een andere deken voor onderzoek en behandeling.

1.2    Volgens klager is de deken “kennelijk niet bereid om zijn gedrag aan te passen en wenst hij kennelijk de verweten gedragingen bij een aantal zaken waarvan de juistheid aantoonbaar is betwist niet te corrigeren. De eerdere klacht afgehandeld door de Deken Rotterdam is inmiddels in behandeling bij de Raad van Discipline. De te verwachten uitkomst is vanwege de uitlatingen door beklaagde die bij dupliek zijn bestreden, als kennelijk ongegrond te voorspellen. Op deze wijze wordt dan ook een nieuwe klacht ingediend teneinde de leugenachtige uitlatingen en handelen door beklaagde op grond van de actuele gebeurtenissen opnieuw aan de orde te stellen. De deken geeft geen antwoord op een (reactie op een) dekenstandpunt in de zaak tegen een advocaat en faciliteert verduistering gepleegd door een advocaat met een voorlopig vastgesteld belang van € 1270.000 waarbij bedragen zijn ontvreemd als de betrokkenheid bij verduistering van meerdere sportpaarden”.


2    DE BEOORDELING

2.1    Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht tegen een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

2.2    Klager heeft op 8 juli 2026, om 04:33, aan de deken bericht dat de klacht met kenmerk K25-102 is doorgestuurd naar de Raad van Discipline en dat inmiddels is gebleken dat de Raad van Discipline de klacht niet heeft ontvangen. De deken heeft in reactie hierop op 8 juli 2026, om 11:41, aan klager bericht dat de klacht met kenmerk K25-102 op 7 april 2026 afgesloten met een dekenstandpunt. De deken heeft er tevens op gewezen dat het verschuldigde griffierecht voor 5 mei 2026 ontvangen had moeten zijn en dat het dossier -omdat geen betaling is ontvangen- is gesloten en gearchiveerd.

2.3     Klager heeft vervolgens op 29 juli 2026, om 03:20, aan de deken bericht dat hij het dekenstandpunt niet heeft ontvangen. Klager heeft de deken verzocht het dekenstandpunt toe te sturen. De deken heeft vervolgens op 29 juli 2026, om 10:56, aan klager laten weten dat het dekenstandpunt op 7 april 2026 aan de gemachtigde van klager is gezonden en dat klager zicht tot zijn gemachtigde dient te richten. 

2.4     Uit de klacht tegen de deken van 27 juli 2026 maakt het hof op dat de eerdere klacht tegen de deken inmiddels is behandeld door de deken te Rotterdam en in behandeling is bij de Raad van Discipline. Klager zegt dat de te verwachten uitkomst is dat de klacht kennelijk-ongegrond zal worden verklaard “vanwege uitlatingen door [de deken]” in die procedure en dient daarom een nieuwe klacht in.

2.5    De voorzitter overweegt dat een klacht tegen een deken geen middel is om een in een tuchtprocedure door die deken ingenomen standpunt (in dit geval: bij de deken Rotterdam) ter discussie te stellen. Evenmin is het de bedoeling om vooruitlopend op de beslissing van de Raad van Discipline alvast een nieuwe klacht in te dienen. Klager kan zijn klacht tegen de deken, na betaling van het griffierecht, voorleggen aan de raad van discipline en laten beoordelen door de tuchtrechter. Klager heeft, zo begrijpt het hof, van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt.
Binnen de kaders van die procedure (i.c. de eerdere klacht van klager tegen de deken, die door de deken Rotterdam is onderzocht) kan klager naar voren brengen op welke punten het door de deken ingenomen standpunt volgens hem niet deugt en dat de tuchtrechter tot een andere conclusie zou moeten komen. Daarom zal de voorzitter de klacht tegen de deken niet verwijzen. 


3    BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

wijst het verzoek tot verwijzing af.


Deze beslissing is gewezen op 13 augustus 2026 door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter.


Plaatsvervangend voorzitter

De beslissing is verzonden op 13 augustus 2026.