ECLI:NL:TAHVD:2026:263 Hof van Discipline 's Gravenhage 260060H
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:263 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-08-2026 |
| Datum publicatie: | 18-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260060H |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Herziening |
| Beslissingen: | Overige (tussen)beslissingen |
| Inhoudsindicatie: | Tweede verzoek om herziening afgewezen. De voorzitter stelt voorop dat het gestelde bedrog geen grond oplevert voor herziening. Ook overigens is er naar het oordeel van de voorzitter geen sprake van een nieuw feit of omstandigheid dat verzoeker niet eerder redelijkerwijs naar voren had kunnen brengen. De uitspraak waar verzoeker op doelt is van 16 oktober 2024 en wordt genoemd in de uitspraak van 19 maart 2025, die weer wordt genoemd in de op 26 maart 2026 gepubliceerde uitspraak van 18 maart 2026, en dateert dus van vóór de zitting van 20 april 2026. Dat verzoeker pas na de zitting bij het hof op 20 april 2026 op onderzoek is uitgegaan komt voor zijn rekening en risico. |
Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
van 13 augustus 2026
in de zaak 260060H
naar aanleiding van het verzoek om herziening van de beslissing van 15 juni 2026:
verzoeker
1 DE BESLISSING WAARVAN HERZIENING WORDT VERZOCHT
1.1 De voorzitter verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort
’s Hertogenbosch (verder: de raad) van 26 januari 2026, genomen onder nummer 25-675/BD/LI.
Daarin is de klacht van klager deels niet ontvankelijk en voor het overige ongegrond
verklaard. De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl onder ECLI:NL:TADRSHE:2026:12.
1.2 Verzoeker heeft tegen de beslissing van de raad beroep ingesteld bij het hof. Dit heeft geleid tot de beslissing van 15 juni 2026, genomen onder nummer 260060, waarin de beslissing van de raad van 26 januari 2026 is vernietigd. Daarbij is klachtonderdeel c) ongegrond en klachtonderdeel e) gegrond verklaard en is aan verzoeker de maatregel van waarschuwing opgelegd met veroordeling van verzoeker tot betaling van het griffierecht en de proceskosten. De beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl onder ECLI:NL:TAHVD:2026:180.
2 HET VERZOEK TOT HERZIENING
2.1 Verzoeker heeft per brief van 18 juni 2026 verzocht om herziening van de beslissing van het hof.
2.2 Dat verzoek is bij beslissing van de voorzitter van het hof van 20 juli 2026 afgewezen.
2.3 bij brief van 23 juli 2026 heeft verzoeker andermaal om herziening van de beslissing van het hof van 15 juni 2026 verzocht. Op 30 en 31 juli 2026 en 3 augustus 2026 heeft het hof nog e-mails (met bijlage) van verzoeker ontvangen.
2.4 De voorzitter heeft vervolgens het vooronderzoek op grond van artikel 5.1 van het Herzieningsprotocol van het hof gesloten. Het Herzieningsprotocol dat van toepassing is, is te vinden op de website van het hof.
3 DE BEOORDELING
3.1 De voorzitter stelt voorop dat tegen een beslissing van het hof in de Advocatenwet geen gewoon rechtsmiddel is opengesteld. De Advocatenwet voorziet evenmin in de mogelijkheid tot herziening van een uitspraak van de tuchtrechter. Daarom is een verzoek om herziening van een uitspraak van het hof in beginsel niet-ontvankelijk en neemt het hof zo’n verzoek niet in behandeling.
3.2 Bij uitzondering kan het hof, zo blijkt uit artikel 1 van het Herzieningsprotocol,
een onherroepelijke beslissing op verzoek van een partij herzien. Van zo’n uitzondering
kan sprake zijn als het gaat om feiten en of omstandigheden die
a. hebben plaatsgevonden vóór de beslissing,
b. bij de verzoeker vóór de beslissing niet bekend waren en redelijkerwijs niet
bekend konden zijn, en
c. waren zij bij het hof eerder bekend geweest tot een andere beslissing zouden
hebben kunnen leiden.
Het verzoek
3.3 Verzoeker voert in zijn tweede verzoek om herziening aan dat er van de zijde van klager bedrog is gepleegd. Klager heeft volgens verzoeker de klachtenbehandelaar, de deken, de raad en hof en hemzelf welbewust op het verkeerde been gezet. In de klachtprocedure heeft klager zich op het standpunt gesteld dat verzoeker in zijn civiele zaak tegen zijn buren de verkeerde partij heeft gedagvaard, namelijk niet degene die het gat in de muur zou hebben gemaakt (B. R) dat schade heeft veroorzaakt. Uit de door verzoeker overgelegde uitspraak van de rechtbank Limburg van 16 oktober 2024 (gepubliceerd op 21 juli 2026, ECLI:NL:RBLIM:2024:10365) blijkt evenwel dat klager zich in de civiele zaak op een tegengesteld standpunt heeft gesteld, namelijk dat niet B. R, maar J. R en M. R het gat in de muur zouden hebben gemaakt. Verzoeker acht dit bedrog zodanig ernstig dat dit een herzieningsverzoek rechtvaardigt. Verzoeker licht nog toe dat hij niet eerder met dit bedrog bekend kon zijn. Hij was redelijkerwijs pas op 21 juli 2026 bekend met het vonnis van 16 oktober 2024.
Beoordeling verzoek
3.3 De voorzitter is van oordeel dat het verzoek kennelijk moet worden afgewezen (zie artikel 6.6 van het herzieningsprotocol). Het verzoek zal dan ook niet inhoudelijk worden behandeld door een herzieningskamer. De voorzitter licht toe waarom.
3.4 Verzoeker heeft aangevoerd dat het gestelde bedrog een welwillende toepassing van het herzieningsverzoek rechtvaardigt. Verzoeker stelt dat hij niet eerder dan de mondelinge behandeling op 20 april 2026 bekend kon zijn met het bedrog. Als het hof eerder bekend was geweest met het bedrog, zo begrijpt de voorzitter zijn stelling, had het hof een andere beslissing genomen.
3.5 De voorzitter stelt voorop dat het gestelde bedrog geen grond oplevert
voor herziening. Ook overigens is er naar het oordeel van de voorzitter geen sprake
van een nieuw feit of omstandigheid dat verzoeker niet eerder redelijkerwijs naar
voren had kunnen brengen. De uitspraak waar verzoeker op doelt is van 16 oktober 2024
en wordt genoemd in de uitspraak van 19 maart 2025, die weer wordt genoemd in de op
26 maart 2026 gepubliceerde uitspraak van 18 maart 2026, en dateert dus van vóór de
zitting van 20 april 2026. Dat verzoeker pas na de zitting bij het hof op 20 april
2026 op onderzoek is uitgegaan komt voor zijn rekening en risico. Verder kan uit het
vonnis van de rechtbank Limburg van 16 oktober 2024 worden afgeleid dat klager verweer
heeft gevoerd tegen de stelling dat de verkeerde partij was gedagvaard. Daaruit kan
nog niet de conclusie getrokken worden dat klager in de klachtprocedure bedrog heeft
gepleegd.
Slotsom
3.6 Het (tweede) verzoek om herziening van de beslissing van 15 juni 2026 dient kennelijk te worden afgewezen nu er op voorhand geen sprake is van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 1.2 van het herzieningsprotocol.
4 BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
wijst het verzoek tot herziening af.
Deze beslissing is genomen op 13 augustus 2026 door mr. J. Blokland, voorzitter.
De beslissing is verzonden op 13 augustus 2026.