ECLI:NL:TADRARL:2026:168 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-149/AL/GLD

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:168
Datum uitspraak: 10-08-2026
Datum publicatie: 11-08-2026
Zaaknummer(s): 26-149/AL/GLD
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Vast staat dat verweerder klager als (mede)cliënt heeft bijgestaan in beroep in een bestemmingsplanprocedure tegen een gemeente. Verweerder is diezelfde gemeente jaren later gaan bijstaan in beroep in een bestemmingsplanprocedure tegen een aantal omwonenden, waaronder ook klager. Naar het oordeel van de raad is door verweerder aan de drie cumulatieve eisen van lid 3 van gedragsregel 15 voldaan, zodat hem tuchtrechtelijk geen verwijt treft. Klacht ongegrond.


Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden
van 10 augustus 2026
in de zaak 26-149/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:


klager 

over

verweerder


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 22 april 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 26 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 25/75 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 8 mei 2026. Daarbij was verweerder aanwezig.  Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaring, uit van de volgende feiten.

2.1    De gemeenteraad van Bunschoten-Spakenburg (hierna verder: de gemeente) heeft op 10 december 2015 voor het plangebied Eemdijk-Oost een bestemmingsplan vastgesteld voor de realisatie van 64 woningen. 

2.2    Verweerder is vanaf 11 juli 2015 voor dertien omwonenden (hierna: bewonersgroep 1) van het plangebied, waaronder klager, opgetreden. Op 8 maart 2016 heeft verweerder als advocaat-gemachtigde van deze groep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna verder: de Afdeling) beroep ingesteld tegen genoemd besluit van gemeente tot vaststelling van het bestemmingsplan (hierna: procedure 1). 

2.3    Op 16 augustus 2017 heeft de Afdeling het beroep van bewonersgroep 1 gegrond verklaard en genoemd bestemmingsplan vernietigd.

2.4    Klager heeft op 15 juni 2022 telefonisch contact met verweerder opgenomen. Als onderdeel van de stuurgroep van elf omwonenden heeft hij verweerder gevraagd om hen opnieuw rechtsbijstand te verlenen tegen een nieuw bestemmingsplan van de gemeente voor het plangebied Eemdijk-Oost. Verweerder heeft klager daarop laten weten dat hij de omwonenden van het plangebied geen bijstand kan verlenen omdat een projectontwikkelaar in het plangebied inmiddels een cliënte van zijn kantoor was geworden. 

2.5    De gemeente heeft op 2 november 2023 een bestemmingsplan vastgesteld voor het plangebied Eemdijk-Oost voor realisatie van 72 woningen. 

2.6    Op 29 januari 2024 heeft een advocaat-gemachtigde namens elf omwonenden (hierna: bewonersgroep 2), waaronder klager, bij de Afdeling pro forma beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan van 2 november 2023. Op 15 maart 2024 heeft deze advocaat een nadere onderbouwing Ladder en een rapport ingediend. 

2.7    Op 4 maart 2025 heeft verweerder namens de gemeente een verweerschrift ingediend in de procedure van bewonersgroep 2 over het bestemmingsplan van 2 november 2023 (hierna: procedure 2).

3    KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
vanaf 11 juli 2015 tot en met 17 augustus 2017 namens bewonersgroep 1 - waaronder klager - op te treden tegen het bestemmingsplan van de gemeente en in 2025 zonder instemming van klager namens de gemeente tegen bewonersgroep 2 - waaronder klager - op te treden, waardoor verweerder in strijd met gedragsregel 15 heeft gehandeld. 

4    VERWEER 

De raad zal hierna, waar nodig, op het gemotiveerde verweer van verweerder ingaan.

5    BEOORDELING
 

Maatstaf 

5.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. 

5.2    Een advocaat mag in het algemeen niet optreden tegen een voormalige cliënt van hem of van een kantoorgenoot; deze norm, als uitvloeisel van de kernwaarde partijdigheid, is verwoord in gedragsregel 15. De advocaat mag zich niet in de situatie begeven waarin hij de kans loopt ten koste van zijn cliënt in een belangenconflict te geraken. Daarnaast moet de cliënt er ten volle op kunnen vertrouwen dat gegevens over zijn zaak, zijn persoon of zijn onderneming die de cliënt aan de advocaat of zijn kantoorgenoot ter beschikking heeft gesteld, niet op enig moment tegen hem worden gebruikt (vgl. onder andere HvD 26 januari 2018, 170210 en 5 februari 2018, 170205). Dat vloeit reeds voort uit de geheimhoudingsplicht van de advocaat. Wanneer aan de in gedragsregel 15 lid 3 cumulatief opgesomde voorwaarden a, b en c is voldaan (niet dezelfde zaak, geen vertrouwelijke informatie, geen redelijke bezwaren) behoeft een advocaat aan zijn vroegere cliënt geen voorafgaande instemming als bedoeld in lid 4 te vragen. In twijfelgevallen dient de advocaat af te zien van het optreden in kwestie. Of een advocaat in een bepaald geval tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door op te treden tegen een voormalige cliënt moet worden beoordeeld aan de hand van alle concrete omstandigheden van het geval en wordt uiteindelijk getoetst aan artikel 46 Advocatenwet. 

Overwegingen raad

5.3    Tussen klager en verweerder is niet in geschil dat verweerder bewonersgroep 1, waarvan klager deel uitmaakte, in de periode medio 2015 tot en met medio 2017 heeft bijgestaan in procedure 1. Ook staat vast dat klager verweerder geen toestemming heeft gegeven om in 2025 in procedure 2 namens de gemeente tegen - onder andere - klager op te treden. 

5.4    Verweerder heeft in zijn verweer aangevoerd dat hij in 2025 voor de wederpartij van klager mocht optreden omdat is voldaan aan de in de in gedragsregel 15 lid 3 genoemde voorwaarden voor een uitzonderingssituatie.  De raad oordeelt hierover als volgt.

Voorwaarde onder a): niet dezelfde zaak

5.5    De eerste voorwaarde houdt in dat het niet om dezelfde zaak gaat. Volgens klager ging het om dezelfde zaken, namelijk over de bestemmingsplannen van de gemeente van hetzelfde plangebied en betrof het ook woningbouw. 

5.6    Volgens verweerder is geen sprake van dezelfde zaak. Meer dan vijf jaar na de vernietiging van het bestemmingsplan is een volledig nieuw bestemmingsplan voorbereid en door de gemeente vastgesteld. Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder toegelicht dat procedures over bestemmingsplannen een puur juridische insteek hebben. Er is door de gemeente niet voortgeborduurd op het vernietigde bestemmingsplan zoals klager stelt. Aan het nieuwe bestemmingsplan lagen nieuwe onderzoeksrapporten ten grondslag. Omdat de gegevens en onderzoeken van het vernietigde bestemmingsplan ouder waren dan de wettelijke toegestane termijn van twee jaren, in het onderhavige geval circa acht jaar oud, zijn door de gemeente nieuwe gegevens verzameld en is op basis daarvan een nieuw bestemmingsplan vastgesteld. Dat dit bestemmingsplan een vergelijkbaar woningbouwplan mogelijk maakt als het vernietigde bestemmingsplan, maakt dat volgens verweerder niet anders. 

5.7    Ook de raad is van oordeel dat er geen sprake is van dezelfde zaak. Niet alleen was in beide zaken sprake van een andere samenstelling van de bewonersgroepen, waarvan klager overigens wel deel uitmaakte, de geschillen gingen juridisch bezien over twee verschillende bestemmingsplannen. Dat het in beide bestemmingsplannen over hetzelfde gebied ging waarbij woningbouw mogelijk ging, is tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, onvoldoende om aan te nemen dat het gaat om dezelfde zaak. Aan deze voorwaarde is voldaan. 

Voorwaarde onder b): vertrouwelijke informatie, zaaksgebonden informatie of informatie die redelijkerwijs van belang kan zijn bij de behandeling van de zaak

5.8    De tweede voorwaarde betreft de beschikking die verweerder uit hoofde van zijn eerdere vertegenwoordiging van bewonersgroep 1, en daarmee van klager, zou hebben over informatie die van belang kon zijn bij de behandeling van de zaak tegen klager. 

5.9    Volgens klager beschikte verweerder als advocaat van bewonersgroep 1 over vertrouwelijke informatie die verweerder in procedure 2 namens de gemeente kon gebruiken tegen bewonersgroep 2, waarvan klager ook deel uitmaakte. Zo wist verweerder als hun voormalig advocaat dat bewonersgroep 1 beperkte middelen voor de zaak had. Ook was verweerder bekend met de insteek van die groep om met name te focussen op de onderbouwing van de Ladder en wist hij welke informatie de bewoners zouden onderzoeken en in hun geschil wilden inzetten. Klager heeft ter onderbouwing hiervan in het beroepschrift van verweerder namens bewonersgroep 1 en in zijn verweerschrift namens de gemeente tegen bewonersgroep 2 passages oranje gearceerd.

5.10    Verweerder betwist dat hij over vertrouwelijke informatie beschikte die hij van klager of via zijn contactpersoon van bewonersgroep 1 heeft gekregen. Ook betwist hij over andere zaaksgebonden informatie te beschikken die hij tegen klager kon gebruiken of heeft gebruikt. Als hij al over voorkennis of vertrouwelijke informatie van klager zou beschikken, dan had hij daarvan als advocaat van de wederpartij van klager in het puur juridisch gevoerde debat geen profijt gehad, aldus verweerder.  

5.11    Naar het oordeel van de raad is niet gebleken dat verweerder beschikte over vertrouwelijke informatie en voor zover hij wel over informatie over klager beschikte, is niet gebleken dat die informatie redelijkerwijs van belang was voor de behandeling van de zaak. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat in de bestemmingsplanprocedure die hij voor de gemeente tegen bewonersgroep 2 voerde sprake was van een volledig nieuw juridisch debat en hij in die procedure niet over zaaksgebonden informatie van klager beschikte. De raad is verder niet gebleken dat informatie van verweerder over bewonersgroep 1 en dus ook klager, redelijkerwijs van belang was in de bestemmingsplanprocedure waarin verweerder optrad tegen klager, als onderdeel van bewonersgroep 2. Dat volgt ook niet uit de door klager oranje gearceerde passages in de processtukken.  Aan voorwaarde b is door verweerder voldaan.

Voorwaarde onder c): redelijke bezwaren aan de zijde van klager

5.12    De derde voorwaarde voor de uitzonderingssituatie betreft de redelijke bezwaren die een voormalig cliënt kan aanvoeren tegen de vertegenwoordiging. Klager heeft aangevoerd dat hij nooit toestemming aan verweerder had gegeven als verweerder hem had gevraagd om in procedure 2 namens de gemeente op te mogen treden. Klager heeft na ontvangst van het verweerschrift van 4 maart 2025 van de gemeente tegen bewonersgroep 2 pas ontdekt dat verweerder als advocaat van de gemeente optrad en was daardoor onaangenaam verrast. 

5.13    Verweerder betwist dat er redelijke bezwaren zijn aan de zijde van klager. Verweerder heeft zich beraden of hij namens de gemeente op kon treden in procedure 2 en collegiaal overleg gevoerd over de vraag of hij de zaak voor de gemeente kon doen. Hij heeft geconcludeerd dat hij dat kon doen omdat sprake was van een totaal andere zaak dan de zaak die hij jaren eerder voor klager en omwonenden had gedaan en hij bovendien niet beschikte over relevante informatie van bewonersgroep 1 die hij tegen hen zou kunnen gebruiken. Bovendien had hij in procedure 1 hoofdzakelijk contact met de contactpersoon van de bewonersgroep 1 en klager toen maar eenmaal gezien. Hij heeft daarop een verweerschrift ingediend namens de gemeente. 

5.14    Naar het oordeel van de raad is niet gebleken dat sprake is geweest van een redelijk bezwaar aan de zijde van klager en dat verweerder zich daarvan bewust had moeten zijn. Verweerder heeft uitgebreid toegelicht tijdens de zitting dat hij bij het aannemen van de zaak van de gemeente en ook nadat hij over de onvrede van klager daarmee via zijn advocaat had gehoord, een weloverwogen beslissing heeft gemaakt dat hij die zaak kon doen tegen bewonersgroep 2, waaronder klager. Alhoewel klager kennelijk verrast was toen hij constateerde dat verweerder de advocaat van zijn wederpartij was in procedure 2, is dat alleen onvoldoende om verweerder hiervan tuchtrechtelijk een verwijt te maken. Uit de stukken is de raad niet gebleken dat klager zelf of de advocaat van bewonersgroep 2 namens klager dan wel anderen uit die bewonersgroep verweerder heeft verzocht om zich vanwege een (schijn van) belangenconflict uit die zaak van de gemeente terug te trekken. Door aan dit vermeende belangenconflict geen aandacht meer te besteden tot indiening van de onderhavige klacht heeft klager bij verweerder de indruk gewekt dat hij zijn bijstand voor de gemeente leek te tolereren. Ook anderszins is het de raad niet gebleken dat het optreden van verweerder tegen klager ontoelaatbaar moet worden geacht. Dat betekent dat door verweerder ook aan voorwaarde c is voldaan. 

5.15    Op grond van het voorgaande is de raad dan ook van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door namens de gemeente in rechte tegen klager op te treden zoals gedaan. De raad zal de klacht ongegrond verklaren. 

BESLISSING

De raad van discipline:
-    verklaart de klacht ongegrond. 

Aldus beslist door M. Jansen, voorzitter, mrs. P.Th. Mantel en N.C. Milani, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2026.

Griffier    Voorzitter



Verzonden op : 10 augustus 2026