ECLI:NL:TADRSHE:2026:98 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-552/DB/OB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2026:98
Datum uitspraak: 11-08-2026
Datum publicatie: 11-08-2026
Zaaknummer(s): 26-552/DB/OB
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in overige hoedanigheden
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klaagsters  verwijten over de wijze waarop verweerder op klaagsters aansprakelijkstelling heeft gereageerd zijn kennelijk ongegrond. Verweerder heeft met bekwame spoed op de aansprakelijkstelling gereageerd en heeft daarbij een toereikende inhoudelijke reactie gegeven op klaagsters vragen en verzoeken.  Het stond verweerder vrij om aan klaagster mede te delen dat aansprakelijkheid werd afgewezen en om, mede gelet op de samenhang tussen de tuchtklacht tegen mr. Y en de aansprakelijkstelling, ter onderbouwing van dat standpunt te verwijzen naar het dekenstandpunt van 20 maart 2025. Dat verweerder aan klaagster geen voorstel tot betaling van schadevergoeding of schadebeperking heeft gedaan is in lijn met de afwijzing van de afwijzing van aansprakelijkheid en vormt geenszins aanleiding om aan verweerder een tuchtrechtelijk verwijt te maken. De voorzitter is voorts van oordeel dat verweerder door de weigering om de gegevens van zijn verzekeraar aan klager te verstrekken niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het verwijt dat verweerder onjuiste informatie heeft verstrekt aan de deken, nu de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar aanvankelijk niet kon bevestigen dat zij een melding van verweerder had ontvangen, is eveneens onterecht. Vast staat dat (de assurantietussenpersoon van) verweerder de aansprakelijkstelling heeft doorgeleid aan de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Indien en voor zover de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar aanvankelijk (al dan niet abusievelijk) andersluidende informatie aan klaagster heeft verstrekt kan dit verweerder niet tuchtrechtelijk worden aangerekend. Van het onjuist informeren van de deken is geen sprake. In alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch 
van 11 augustus 2026

in de zaak 26-552/DB/OB


naar aanleiding van de klacht van:


klaagster


over:


verweerder

De voorzitter van de raad van discipline (hierna: “de voorzitter”) heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 29 juni 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) met kenmerk 48|25|148K en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 8. 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klaagster heeft een geschil (gehad) met X, die zich heeft laten bijstaan door mr. Y. Mr. Y is een kantoorgenoot van verweerder.

1.2    Klaagster heeft tegen mr. Y een klacht ingediend bij de deken. De (toenmalige) deken heeft bij brief van 20 maart 2025 aan klaagster bericht dat de klacht naar zijn verwachting kennelijk ongegrond zou worden verklaard. Klaagster heeft om doorzending van de klacht naar de raad verzocht. De plaatsvervangend voorzitter van de raad heeft de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Klaagster heeft tegen de beslissing van de voorzitter verzet ingesteld. De raad heeft het verzet ongegrond verklaard. 

1.3    Bij e-mail van 30 september 2025 heeft klaagster mr. Y en verweerders kantoor aansprakelijk gesteld.  

1.4    Bij e-mail van 1 oktober 2025 heeft verweerder op de aansprakelijkstelling gereageerd. Verweerder heeft het volgende aan klaagster medegedeeld:

“Uw onderstaande bericht werd binnen kantoor besproken.
Enige aansprakelijkheid zoals door u gesteld wordt betwist en resoluut van de hand gewezen. Voor zover nodig verwijs ik u volledigheidshalve naar het Dekenstandpunt van 20 maart 2025, waarin uw soortgelijke klachten allen kennelijk ongegrond zijn beoordeeld.
Uw aansprakelijkheidsstelling werd gedeeld met onze assurantietussenpersoon, ter voorlegging aan de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van kantoor. Indien de verzekeraar het nodig acht, zal u daarvan nog wel vernemen.
Alle rechten worden voorbehouden.”

1.5    Bij e-mail van dezelfde dag, 1 oktober 2025, heeft klaagster op verweerders e-mail gereageerd. Klaagster heeft bij verweerder aangegeven dat zij zich niet in de afwijzing van de aansprakelijkheid kon vinden en heeft hem verzocht om de naam en contactgegevens van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar en het polisnummer aan haar te verstrekken.

1.6    Bij e-mail van eveneens dezelfde dag, 1 oktober 2025,  heeft verweerder gereageerd en klaagster als volgt bericht:

“Anders dan u stelt volgt uit artikel 6.24 Voda niet de verplichting om belanghebbenden gegevens van de verzekering aan derden te verstrekken. Die verplichting bestond op de grond van de Verordening op de praktijkuitoefening (VPR), welke verordening niet meer van toepassing is.
Naar aanleiding van uw aansprakelijkheidsstelling is daar namens kantoor een standpunt over ingenomen; aansprakelijkheid is van de hand gewezen. Bovendien is volledigheidshalve aan u bevestigd dat uw aansprakelijkheidsstelling - via de assurantietussenpersoon - wordt voorgelegd aan de verzekeraar. Ons kantoor voldoet aan de verplichting om behoorlijk verzekerd te zijn tegen het risico van beroepsaansprakelijkheid.
Ons kantoor is verzekerd bij Chubb. Voor de goede orde: of de verzekeraar eventuele schade (die wordt betwist) al dan niet vergoedt, is een zaak tussen de verzekeraar en ons kantoor. De geldende polisvoorwaarden hebben uitsluitend werking tussen de ons kantoor en de verzekeraar.
In uw (overige) argumenten en de toelichting leest ons kantoor geen gehoudenheid om aan uw verdere verzoeken gehoor te geven.”

1.7    Bij e-mail van eveneens dezelfde dag, 1 oktober 2025,  heeft klaagster het verzoek om de naam en contactgegevens van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar en het polisnummer aan haar te verstrekken herhaald en heeft zij verweerder een klacht in het vooruitzicht gesteld als hij niet aan het verzoek zou voldoen.

1.8    Op 1 oktober 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht tegen verweerder ingediend. 

1.9    Bij e-mail van 10 oktober 2025 heeft de deken aan klaagster medegedeeld dat verweerder aan de deken correspondentie had getoond waaruit bleek dat de aansprakelijkstelling was doorgeleid aan de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar.

1.10    Bij e-mail van 18 november 2025 heeft de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar aan klaagster medegedeeld dat verweerder de aansprakelijkstelling van 30 september 2025 op 1 oktober 2025 had gemeld bij de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende: 

1.    Verweerder heeft geen inhoudelijke reactie gegeven op klaagsters vragen en verzoeken;

2.    Verweerder heeft geweigerd om een voorstel tot schadevergoeding of tot beperking van de schade te doen;

3.    Verweerder heeft bij de afwijzing van de aansprakelijkheid ten onrechte een beroep gedaan op een dekenstandpunt uit 2025;

4.    Verweerder heeft ten onrechte geweigerd om de naam en contactgegevens van de verzekeraar en het polisnummer aan klaagster te verstrekken;

5.    Verweerder heeft onjuiste informatie verstrekt aan de deken, nu de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar aanvankelijk niet kon bevestigen dat zij een melding van verweerder had ontvangen.

3    VERWEER

3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.


4    BEOORDELING

4.1    Toetsingskader

Een advocaat moet zich onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad en van handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Dergelijk handelen is immers in strijd met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Uitgangspunt is dat een advocaat moet handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

4.2        De klacht is kennelijk ongegrond 

De voorzitter stelt op grond van het klachtdossier vast dat klaagster verweerder  verwijten maakt over de wijze waarop hij op klaagsters aansprakelijkstelling heeft gereageerd. De voorzitter is op grond van de overgelegde stukken van oordeel dat de verwijten van klaagster onterecht zijn. Dat klaagster zich niet in de door verweerder namens het kantoor naar voren gebrachte standpunt kan vinden, betekent nog niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Naar het oordeel van de voorzitter kan verweerder van de wijze waarop hij op de aansprakelijkstelling heeft gereageerd geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Verweerder heeft met bekwame spoed op de aansprakelijkstelling gereageerd en heeft daarbij een toereikende inhoudelijke reactie gegeven op klaagsters vragen en verzoeken.  Het stond verweerder vrij om aan klaagster mede te delen dat aansprakelijkheid werd afgewezen en om, mede gelet op de samenhang tussen de tuchtklacht tegen mr. Y en de aansprakelijkstelling, ter onderbouwing van dat standpunt te verwijzen naar het dekenstandpunt van 20 maart 2025. Dat verweerder aan klaagster geen voorstel tot betaling van schadevergoeding of schadebeperking heeft gedaan is in lijn met de afwijzing van de afwijzing van aansprakelijkheid en vormt geenszins aanleiding om aan verweerder een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

4.3    De voorzitter is voorts van oordeel dat verweerder door de weigering om de gegevens van zijn verzekeraar aan klager te verstrekken niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder heeft aansprakelijkheid afgewezen en heeft dit ook bij e-mail van 1 oktober 2025 aan klaagster meegedeeld. Het stond verweerder, gelet op de afwijzing van de aansprakelijkheid, vrij om klaagster niet de gelegenheid te bieden om rechtstreeks in contact te treden met de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Als de civiele rechter de aansprakelijkheid in een eventuele procedure vaststelt, ontstaat een betalingsverplichting voor verweerders kantoor ten opzichte van klaagster. Of de verzekeraar die schade al dan niet (aan verweerders kantoor) vergoedt, is een zaak tussen de verzekeraar en verweerders kantoor, waar klaagster buiten staat (zie ook: HvD, 10 januari 2020,  ECLI:NL:TAHVD:2020:28 en HvD, 9 december 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:217). Nu vast staat dat verweerder aansprakelijkheid heeft afgewezen, de aansprakelijkstelling per omgaande heeft doorgeleid en klaagster inmiddels rechtstreeks met de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar contact heeft gehad, valt niet in te zien dat klaagster door de weigering van verweerder om de genoemde gegevens te verstrekken in haar belangen is of kon worden geschaad. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake. 

4.4    Klaagster verwijt verweerder tot slot dat hij onjuiste informatie heeft verstrekt aan de deken, nu de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar aanvankelijk niet kon bevestigen dat zij een melding van verweerder had ontvangen, aldus klaagster. Naar het oordeel van de voorzitter mist dit klachtonderdeel feitelijke grondslag. Vast staat dat (de assurantietussenpersoon van) verweerder de aansprakelijkstelling heeft doorgeleid aan de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Indien en voor zover de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar aanvankelijk (al dan niet abusievelijk) andersluidende informatie aan klaagster heeft verstrekt kan dit verweerder niet tuchtrechtelijk worden aangerekend. Van het onjuist informeren van de deken is geen sprake.

4.5    De klacht is op grond van het voorgaande in alle onderdelen kennelijk ongegrond.


BESLISSING

De voorzitter verklaart:

-    de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2026.


Griffier         Voorzitter


Verzonden op: 11 augustus 2026