ECLI:NL:TGZCTG:2026:166 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3025
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:166 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-08-2026 |
| Datum publicatie: | 10-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/3025 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een bedrijfsarts. Klaagster werd in het kader van de verzuimbegeleiding begeleid door de bedrijfsarts. Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat zij haar niet goed heeft begeleid door onder andere een foutieve inschatting van de klachten en het weigeren van een second-opinion. Het Regionaal Tuchtcollege heeft het klachtonderdeel over het weigeren van een second opinion gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/3025 van:
A.,
wonende te B.,
klaagster in beide instanties,
hierna: klaagster,
tegen
C.,
bedrijfsarts,
destijds werkzaam te B.,
verweerster in beide instanties,
hierna: de bedrijfsarts,
gemachtigde: mr. P. Willems, werkzaam te Loenen.
1. Kern van de zaak
1.1 Klaagster werd in het kader van de verzuimbegeleiding begeleid door de bedrijfsarts.
Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat zij haar, kort samengevat, niet goed heeft
begeleid door onder andere een foutieve inschatting van de klachten en het weigeren
van een second-opinion. De bedrijfsarts heeft verweer gevoerd.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam heeft één klachtonderdeel over het weigeren van een second opinion gegrond verklaard, bepaald dat er geen maatregel wordt opgelegd en de overige klachtonderdelen ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met de beslissing om de overige klachtonderdelen ongegrond te verklaren en zal het hiertegen door klaagster ingestelde beroep verwerpen.
2. Verloop van de procedure
2.1 Klaagster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege
te Amsterdam met nummer A2025/8060 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:243). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze
beslissing.
2.2 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het door het Regionaal Tuchtcollege samengestelde procesdossier, het beroepschrift, de aanvullende gronden en het verweerschrift in beroep. Dit betekent dat het college kennis heeft genomen van de geluidsopname én de door klaagster opgemaakte transcriptie daarvan.
2.3 De zaak is op de zitting van 6 juli 2026 behandeld. Klaagster was hierbij aanwezig, vergezeld van de heer D., die tevens is gehoord als informant. De bedrijfsarts en haar gemachtigde mr. Willems waren ook aanwezig. Partijen hebben vragen van het college beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De spreekaantekeningen van klaagster zijn aan het dossier toegevoegd.
3. Feiten
3.1 Net als het Regionaal Tuchtcollege gaat het Centraal Tuchtcollege uit van
de volgende feiten.
3.2 Klaagster werkte sinds september 2023 als pedagogisch medewerker in opleiding
bij
E. Zij werkte drie dagen per week op locatie en volgde één dag per week onderwijs,
als onderdeel van haar opleiding.
3.3 Sinds 2008 is beklaagde als zelfstandig werkzame bedrijfsarts verbonden aan
E.
3.4 In januari 2024 heeft klaagster zich drie keer ziekgemeld bij haar werkgever
wegens
lichamelijke klachten waardoor zij haar werkzaamheden niet meer kon verrichten.
Bij de vierde ziekmelding met dezelfde klachten werd klaagster uitgenodigd voor het
spreekuur bij de bedrijfsarts.
3.5 Het eerste consult tussen klaagster en de bedrijfsarts vond plaats op 2
februari 2024.
De bedrijfsarts noteerde van dit consult (citaten voor zover van belang en letterlijk
weergegeven) onder ‘Anamnese’:
‘werk:
Contract 24 u/w, 3 x 8 /w werkzaam zijn als PM, daarnaast PM-opl, dwz 1 dag per
week naar school + huiswerk etc
Werk=leuk, maar diverse dingen zijn niet oke op de werkplek: geen vaatwasser; het
tocht op locatie, verwarming doet het niet goed; bedrijfskleding = te koud
vorig jaar geen vergaderplanning (foute email), lange werkdagen, geen pauzes (…).
klachten:
wist niet hoe vakantie-opbouw werkte binnen KOV; wist ze pas dec 2023: betreft de
inverdienuren
moest overwerken, zichzelf overbelast, gaat daarnaast ook om hoe ze met haar omgaan
geen goede begeleider op werk
coll’s geven haar opdrachten; overleg gaat stroef onderling; gaat bij medestudenten
vergelijkbaar
voelt zich niet gehoord
wil werken, maar in minder uren 16 u/w; liefst 3d/w inclus school (…)
klachten: pijn laag rug en straalt uit naar schouderbladen, middenrug
liggend brandend gevoel naar met name li been
last van urineverlies; ontstaan na bevalling, was getraind niet meer te hebben,
sedert nov 2023 weer opnieuw; had eerder FT daarvoor en daarmee = goed gegaan; als
het druk is meer last,
op locatie geen fatsoenlijk toilet aanwezig, geeft ze aan, te laag, voor kinderen.
(…)
lo:
reeds bij lichte aanraking van de huid pijnreactie, behoorlijke aggravatie
lange rugspieren lumbaal forse pijnreactie; ook aanhechtingen bekkenrand en rond
Sl bdzs
beweeglijkheid redelijk normaal, 10-15 cm, lateroflexie en ext normaal vanuit lumbale
WK
kan op 1 been staan li en re;
spieren nauwelijks hypertoon en goed relaxerend tijdens 1 been fase (…)
“D; mijn insziens aspecifieke klachten lage rugklachten, beeld past niet anamnestisch
en bij onderzoek bij een bekkeninstabiliteit. bovendien is de laatste partus 6j geleden
klachten en onderzoek passen niet bij een symfyse-probleem. Bovendien past het niet
bij het ontstaan van de kalchten.
B:
verzoek medinfo = aanvankelijk goed, maar vervolgens geeft ze aan dat ze het zelf
zal aanleveren, geen medische machtiging, is in G. zh geweest, ze kan uiteraard eea
downloaden vanuit haar dossier en mij mailen; uitgelegd
ik doe nu een voorlopig advies, ze kan 3 dgn in passend werk werken, geen medische
reden voor een urenbeperking
Als ik van haar medinfo heb verkregen, dan kan ik kijken of ik eea moet aanpassen,
(…)’
3.6 Op 4 februari 2024 heeft klaagster de brief van haar orthopeed, gedateerd 31
mei
2018, aan de bedrijfsarts toegezonden. In de terugkoppeling van 9 februari 2024
gaf de bedrijfsarts aan dat de brief van de orthopeed geen aanleiding gaf om het voorlopige
oordeel te herzien.
3.7 Diezelfde dag liet klaagster in een email weten dat zij het niet eens was met
de
bedrijfsarts en dat zij een second opinion wilde. De bedrijfsarts probeerde telefonisch
met klaagster in contact te komen. Omdat dit niet lukte stuurde de bedrijfsarts klaagster
op 13 februari 2024 een e-mail met uitleg over haar oordeel en haar pogingen om telefonisch
met klaagster in contact te komen.
3.8 Op 15 februari 2024 diende klaagster een klacht in bij het secretariaat van de bedrijfsarts, welke dezelfde dag door de klachtenfunctionaris in behandeling is genomen en beantwoord. De klacht betrof het niet eens zijn met het oordeel van de bedrijfsarts, het niet serieus genomen worden, het verzoek om voortaan uitsluitend schriftelijk te communiceren, het verzoek om een second opinion en het inzien van het dossier van de bedrijfsarts.
3.9 Voor 23 februari 2024 werd een afspraak gepland om het second-opinion verzoek
te
bespreken. Op 16 februari 2024 liet klaagster per e-mail weten het verzoek voor
een second
opinion niet voort te zetten, maar in plaats daarvan een deskundigenoordeel te hebben
aangevraagd.
3.10 De assistente van de bedrijfsarts liet bij email van 20 februari 2024 aan
klaagster weten dat de afspraak van 23 februari door zou gaan als een regulier consult,
waarop klaagster diezelfde dag doorgaf dat zij na lezing van de haar op verzoek toegestuurde
stukken, waaronder de rapportage van de bedrijfsarts, niet langer door de bedrijfsarts
behandeld wilde worden.
3.11 Bij email d.d. 21 februari 2024 liet klaagster aan haar werkgever en het
secretariaat van de bedrijfsarts weten dat zij het vertrouwen in de bedrijfsarts had
verloren en een andere bedrijfsarts wilde.
3.12 In een e-mail van de werkgever aan de bedrijfsarts van 21 februari 2024 werd uiteengezet dat het salaris van klaagster was opgeschort wegens het niet bereikbaar zijn en niet-meewerken aan re-integratie verplichtingen. De afspraak op 23 februari 2024 bleef op verzoek van de werkgever gehandhaafd.
3.13 Op deze afspraak en de daarna gemaakte afspraken op 1 maart 2024 en 19 april
2024 is klaagster niet verschenen. Klaagster is – met haar partner - wel verschenen
op de afspraak van 29 mei 2024. Tijdens die afspraak werd gesproken over de begeleiding
door de bedrijfsarts, de onvrede van klaagster en de wens van een second-opinion.
Van dit consult heeft klaagster een audio-opname gemaakt, overigens zonder medeweten
van de bedrijfsarts.
3.14 De werkgever van klaagster heeft op 13 juni 2024 een deskundigenoordeel
“passende werkzaamheden” aangevraagd.
3.15 Op verzoek van de werkgever stelde de bedrijfsarts op 30 mei 2024 een
Probleemanalyse op. Tegen de inhoud hiervan diende klaagster op 17 juni 2024 een
klacht in bij de klachtenfunctionaris van de bedrijfsarts. Op 18 juni 2024 gaf de
bedrijfsarts per email haar reactie op de klacht.
3.16 Op 10 september 2024 oordeelde het UWV dat de door de werkgever per 2 februari 2024 aangeboden werkzaamheden passend zijn. Klaagster werd uitgenodigd voor het spreekuur van de bedrijfsarts op 28 november 2024, waar zij niet verschenen is. Enige tijd later is klaagster op staande voet ontslagen. Op 15 januari 2025 diende klaagster een tuchtklacht in tegen de bedrijfsarts.
4. Het beroep
Waar gaat het in beroep over
4.1 Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat zij:
a) geen begrip en erkenning heeft getoond voor de pijnklachten en beperkingen
van klaagster;
b) bewijzen heeft weggelaten in de diagnose, behandeladviezen en re-integratie
adviezen;
c) haar zorgplicht niet is nagekomen en de klachten heeft ontkend;
d) een second-opinion heeft geweigerd;
e) heeft aangenomen dat klaagster gehele dagen op school aanwezig was en dus
hele dagen kon werken;
f) door haar advisering geen salaris meer ontvangt;
g) door haar advisering een arbeidsconflict heeft met werkgever;
h) geen goede zorgbegeleiding heeft ontvangen;
i) haar in een negatief daglicht heeft gezet.
4.2 Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdeel d) gegrond verklaard en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring van de verschillende klachtonderdelen. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om klachtonderdelen a), b), c), e), f), g), h) en i) alsnog gegrond te verklaren.
4.3 De bedrijfsarts heeft verweer gevoerd. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van klaagster te verwerpen. De bedrijfsarts heeft geen beroep ingesteld tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel d). Dit betekent dat dit klachtonderdeel niet meer ter beoordeling voorligt.
Procedureel
4.4 De procedure in beroep is bedoeld om het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege
over klachten of bepaalde onderdelen daarvan ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege
voor te leggen. In beroep kunnen dan ook geen nieuwe klachten aan het Centraal Tuchtcollege
worden voorgelegd. Het college volgt de bedrijfsarts echter niet in haar betoog dat
de standpunten van klaagster over het niet geven van een mediationadvies, het ‘bespioneren’
op school en de omstandigheden rondom de loonopschorting nieuwe klachten zijn. Het
Centraal Tuchtcollege beschouwt deze standpunten als nadere motivering en onderbouwing
van de reeds bij het Regionaal Tuchtcollege ingediende klachtonderdelen.
Toetsingskader
4.5 Het Centraal Tuchtcollege moet de vraag beantwoorden of de bedrijfsarts de
zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk
bekwame en redelijk handelend bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden
met de voor haar geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een
zorgverlener beter of anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk
verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn voor hun eigen handelen.
Inhoudelijke beoordeling
4.6 Op grond van de stukken en dat wat door partijen over en weer op de zitting
in beroep nog naar voren is gebracht, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat
het Regionaal Tuchtcollege de klachtonderdelen a), b), c), e), f), g), h) en i) terecht
ongegrond heeft verklaard. Het Centraal Tuchtcollege sluit zich aan bij dat wat het
Regionaal Tuchtcollege daarover heeft overwogen en neemt dat over. In aanvulling daarop
vindt het college het van belang hieraan het volgende toe te voegen.
4.7 Klaagster heeft op zitting toegelicht waarom zij zich van meet af aan niet serieus genomen voelde door de bedrijfsarts. In dit gevoel speelt, zo werd ter zitting duidelijk, een belangrijke rol de wijze waarop de bedrijfsarts is omgegaan met de medische voorgeschiedenis van klaagster wat betreft bekkeninstabiliteit. Klaagster is het eerste consult (van 2 februari 2024) ingegaan met de verwachting dat de bedrijfsarts zou adviseren om minder uren te gaan werken, omdat klaagster haar werk – dat op dat moment al was aangepast aan haar klachten – niet kon uitvoeren vanwege (wat zij duidde als) haar door het werk weer opspelende bekkeninstabiliteit. De bedrijfsarts constateerde vervolgens weliswaar klachten in het bekkengebied, maar duidde die als aspecifieke lage rugklachten en vond klaagster toch voor drie dagen per week belastbaar. Op dat moment zijn de verhoudingen tussen partijen verstoord geraakt.
4.8 Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat een bedrijfsarts bij de beoordeling van een medische situatie gehouden is om zich te baseren op de beschikbare medische informatie, bevindingen uit onderzoek en de geldende professionele standaarden. De bedrijfsarts heeft haar oordeel gebaseerd op objectieve medische gegevens en heeft daarbij naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege voldoende onderzoek verricht. Het college kan bovendien net als het Regionaal Tuchtcollege de inhoudelijke conclusie van de bedrijfsarts goed volgen. Dat de bedrijfsarts zich in haar onderzoek heeft gebaseerd op objectieve medische gegevens, betekent niet dat er geen begrip of aandacht is geweest voor de ervaren klachten. De bedrijfsarts heeft op basis van haar onderzoek de klachten van klaagster wel degelijk gehonoreerd en daarbij ook beperkingen aangenomen. Dat het aannemen van deze beperkingen niet heeft geleid tot een urenbeperking betekent evenmin dat de arts geen begrip of erkenning heeft getoond.
4.9 Het college overweegt dat het wel beter was geweest als de bedrijfsarts tijdens het spreekuur van 2 februari 2024 meer aandacht had gehad voor de verwachtingen en eigen ideeën van klaagster en haar meer had betrokken bij hoe zij tot haar bevindingen over de belastbaarheid van klaagster was gekomen. Zij had bijvoorbeeld bij klaagster kunnen nagaan waarom een diagnose bekkeninstabiliteit in haar ogen zo’n groot verschil maakte. Zeker in het gecompliceerde speelveld waarin de bedrijfsarts zich bevindt, waarbij zij onafhankelijk en kritisch moet blijven en zich niet mag laten leiden door de belangen van één van beide partijen, is een open en goed afgestemde communicatie erg belangrijk. Dit erkent de bedrijfsarts overigens zelf ook.
4.10 Dat de communicatie met klaagster mogelijk niet optimaal is geweest, betekent echter niet dat de bedrijfsarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarbij speelt een rol dat klaagster niet openstond voor een ander beeld over haar medische situatie. Het heeft klaagster vanaf het begin aan vertrouwen ontbroken en dat heeft doorgewerkt in het vervolgtraject waarbij klaagster zich heeft onttrokken aan de verzuimbegeleiding. Hiermee heeft de bedrijfsarts geen kans gehad om zicht te houden op het verloop van de klachten en het vertrouwen te herstellen.
4.11 Klaagster betoogt nog dat de bedrijfsarts bevooroordeeld was en dat door deze opstelling de verhouding tussen klaagster en haar werkgever is verslechterd, met als ultiem gevolg het ontslag op staande voet. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij naar het ‘Journaal Bedrijfsarts’, waarvan zij de passages die zij als suggestief aanmerkt geel heeft gearceerd. De bedrijfsarts heeft tijdens de zitting uitgelegd dat dit journaal uitsluitend werkaantekeningen voor eigen gebruik bevat. De observatie van een collega van de arbodienst waar klaagster aanstoot aan heeft genomen, is ongevraagd ná het consult op 29 mei 2024 gedaan en in het dossier opgenomen. Die heeft de bedrijfsarts dan ook niet betrokken in haar conclusies. Het college overweegt in dit verband dat het niet ongebruikelijk is om werkaantekeningen te maken, want deze aantekeningen kunnen weer besproken worden bij een volgend consult. Bovendien wordt het dossier van de bedrijfsarts niet gedeeld met de werkgever. Voor wat betreft de door klaagster bedoelde observatie stelt het Centraal Tuchtcollege vast dat de bedrijfsarts haar bevindingen over de belastbaarheid al tijdens het consult op 29 mei 2024 aan klaagster heeft medegedeeld. De stelling van de bedrijfsarts dat zij de observatie niet heeft betrokken in haar oordeelsvorming, vindt dan ook bevestiging in het dossier. In de overige door klaagster geel gearceerde aantekeningen ziet het college geen aanwijzingen dat de bedrijfsarts vooringenomen was of anderszins niet objectief tot een oordeel is gekomen.
Conclusie
4.12 Het Centraal Tuchtcollege komt hiermee tot de conclusie dat het Regionaal
Tuchtcollege de klachtonderdelen a), b), c), e), f), g), h) en i) terecht ongegrond
heeft verklaard. Dit betekent dat het beroep van klaagster wordt verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is genomen door A.S. Gratama, voorzitter,
A.R.O. Mooy en M. Stoové, leden-juristen, en J. Hermans en A.H.J.M. Sterk leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door C.J.M. Manders, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 augustus 2026.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.