ECLI:NL:TGZRAMS:2026:198 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/9500

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:198
Datum uitspraak: 11-08-2026
Datum publicatie: 11-08-2026
Zaaknummer(s): A2026/9500
Onderwerp:
  • Onvoldoende informatie
  • Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Het college overweegt onder meer dat klager vanaf het moment van erkenning van zijn zoon recht heeft op informatie van de huisarts. Dit is echter een recht op informatie op verzoek. Het is niet aan de huisarts om actief beide ouders op de hoogte te houden van de bezoeken aan de praktijk en de medische situatie van hun zoon. Klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

A2026/9500

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 11 augustus 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B, klager,

tegen

C,
huisarts,
werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. K. Zeylmaker, werkzaam in Leusden.

1. De zaak in het kort
1.1   De minderjarige zoon van klager is patiënt bij de praktijk van de huisarts. Klager verwijt de 
huisarts onder meer dat zij haar informatieplicht jegens hem heeft geschonden en dat de 
dossiervoering onzorgvuldig is, onder andere omdat er een ongefundeerde beschuldiging aan het adres 
van klager in het dossier staat. De huisarts voert verweer.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. 
Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 30 december 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen.
2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten

3.1   De minderjarige zoon van klager, thans 8 jaar oud, is sinds zijn geboorte ingeschreven in de 
huisartsenpraktijk waar de huisarts sinds 1 april 2011 werkzaam is en waarvan zij sinds 1 januari 
2025 mede-praktijkhouder is.

3.2   Op 25 februari 2020 heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) met toestemming 
van de moeder telefonisch de huisarts benaderd om informatie over de zoon te verstrekken. De 
huisarts heeft diezelfde dag een e-mail van de RvdK ontvangen met een verzoek voor akkoord op de 
weergave van het gesprek, zoals dat zou worden opgenomen in de rapportage van de RvdK.

3.3   Op 11 mei 2020 heeft de huisarts contact gehad met de moeder, die vroeg om een verwijsbrief 
naar E om de moeder/kind-interactie te beoordelen. E liet de huisarts op 4 juni 2020 weten dat zij 
de zoon niet in behandeling kon nemen en dat E hierover zelf contact met de moeder op zou nemen. Op 
26 juni 2020 heeft de praktijkondersteuner telefonisch contact gehad met de moeder over de 
mogelijkheid om de zoon te observeren bij F. Ook op 15 juli 2020 hebben zij hierover contact gehad.

3.4   Klager heeft zijn zoon op 18 november 2020 erkend. In de periode 2020-2023 was de zoon onder 
toezicht gesteld.

3.5   Op de dag dat klager zijn zoon heeft erkend, heeft hij een e-mail naar de huisartsenpraktijk 
gestuurd waarin hij verzoekt om informatie over de zoon met betrekking tot problemen met zijn oren, 
een mogelijke spraakachterstand en een gevoelige huid. De huisarts heeft hier bij e-mail van 24 
november 2020 op geantwoord.

3.6   Op 25 november 2020 heeft de praktijkondersteuner telefonisch contact gehad met de waarnemend 
gezinsmanager. De praktijkondersteuner heeft in het dossier genoteerd (alle citaten voor zover van 
belang en letterlijk weergegeven):

“Gebeld met de waarnemend gezinsmanager ivm de OTS die is uitgesproken nav de strijd die speelt 
tussen patiënt en de bio vader van haar zoontje. (…) Aangegeven dat er een verwijzing ligt voor F 
ivm onderbuik gevoel van moeder mbt evt seksueel misbruik. Aangegeven aan de Gezinsvoogd dat de 
strijd al die jaren is gegaan over “wie heeft recht op dit kind” Tot nu toe is er geen 
psychiatrisch onderzoek gedaan bij haar zoontje, die nu een ontwikkelingsachterstand lijkt te 
hebben. Moeder en de bio vader gaan starten met de training ‘Kind in de knel” van G. Welke 
misschien wel niet passend is als er een psychiatrisch onderzoek plaats gaat vinden naar seksueel 
misbruik, als dus de gezinsvoogd”

3.7   Op 30 november 2020 heeft de praktijkondersteuner weer contact gehad met de moeder, die vroeg 
om een verwijsbrief naar F. De praktijkondersteuner heeft hierover genoteerd: “Gesprek met moeder. 
Wil graag de verwijzing naar F. Ga ik verzorgen.”

3.8   Op 30 november 2020 heeft klager een e-mail gestuurd aan de praktijkondersteuner. Zij heeft 
hier op 1 december 2020 kort op gereageerd. Op een aanvullende e-mail van klager van 1 december 
2020 heeft zij niet meer gereageerd. De praktijkondersteuner is sinds
9 december 2020 niet meer werkzaam voor de praktijk.

3.9   Sinds 11 april 2023 heeft klager samen met de moeder het ouderlijk gezag over hun zoon. Op 19 
april 2023 heeft klager per e-mail om een kopie van het medisch dossier van de zoon gevraagd, wat 
aan hem is verstrekt.

3.10  Op 16 juli 2023 heeft klager de huisarts per e-mail vragen gesteld over urinekweken en 
-onderzoeken die hadden plaatsgevonden bij zijn zoon in de periode van 19 december 2022 tot en met 
20 februari 2023. De huisarts heeft hier per e-mail van 17 juli 2023 op gereageerd.

3.11  Op 3 juni 2024 heeft klager opnieuw per e-mail contact opgenomen met de huisarts. Klager 
citeert de door de praktijkondersteuner opgenomen notitie van 25 november 2020 (zie 3.6) en vraagt 
de huisarts wat zij in de aanloop naar de verwijsbrief aan F heeft gedaan en wat zij met de melding 
over het vermeend seksueel misbruik heeft gedaan. De huisarts heeft op 4 juni 2024 telefonisch 
contact opgenomen met klager naar aanleiding van zijn e-mail. Partijen hebben in dat 
telefoongesprek een afspraak gemaakt voor 10 juni 2024 om elkaar te spreken op de praktijk. Deze 
afspraak heeft klager per e-mail van 9 juni 2024 afgezegd. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij de 
huisarts tijdens het telefoongesprek van 4 juni 2024 als zeer dwingend heeft ervaren en dat hij 
zich niet gehoord voelt. De huisarts heeft nadien nog enkele keren geprobeerd klager telefonisch te 
bereiken en zij heeft hem op 13 juni 2024 nog een e-mail gestuurd. Daarna is er alleen nog contact 
geweest over het toesturen van het huisartsendossier aan klager.

4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1  Klager verwijt de huisarts:
a) schending van haar informatieplicht;
b) onvolledige dossiervoering;
c) de meldcode kindermishandeling niet te hebben toegepast;
d) onvoldoende supervisie op de praktijkondersteuner;
e) onvoldoende continuïteit van zorg.
Hij verzoekt het college om een maatregel op te leggen aan de huisarts en haar te veroordelen in de 
kosten van deze procedure.

4.2  De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling

5.1   De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. 
Daarbij geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor 
hun eigen handelen.

Klachtonderdeel a) schending van de informatieplicht
5.2   Klager verwijt de huisarts dat zij haar informatieplicht jegens hem heeft geschonden door hem 
structureel niet te informeren over verwijzingen, zorgen van de moeder, de beschuldiging van 
seksueel misbruik en medische klachten.

5.3   Het college overweegt als volgt. Het klopt dat klager – vanaf het moment van erkenning van 
zijn zoon – recht heeft op informatie van de huisarts. Dit is echter, zoals de huisarts in haar 
verweer naar voren heeft gebracht – een recht op informatie op verzoek. Het is niet aan de huisarts 
om actief beide ouders op de hoogte te houden van de bezoeken aan de praktijk en de medische 
situatie van hun zoon. De huisarts mag er in beginsel van uitgaan dat de ouders elkaar hierover 
informeren.

5.4   Klager heeft na 18 november 2020 een aantal keer per e-mail om concrete informatie verzocht 
en ook heeft hij een kopie van het medisch dossier opgevraagd. De huisarts heeft adequaat op die 
verzoeken om informatie gereageerd en ook de kopie van het medisch dossier aan klager verstrekt. 
Niet gesteld of gebleken is dat de huisarts geweigerd heeft informatie te verstrekken op verzoeken 
van klager.

5.5   Klager verwijt de huisarts ook dat zij hem niet heeft geïnformeerd over de zorgen van moeder 
en de beschuldiging van seksueel misbruik. Het is niet gebleken dat de huisarts zelf hierover een 
gesprek met moeder heeft gevoerd. Zij heeft hierover ook geen notities in het dossier gemaakt. De 
notitie hierover is afkomstig van de praktijkondersteuner. Deze notitie geeft een gesprek tussen de 
praktijkondersteuner en de waarnemend gezinsvoogd weer en in dat gesprek is het ‘onderbuikgevoel’ 
van de moeder benoemd. Dit gaat om een subjectieve verklaring vanuit de moeder. Er rustte geen 
verplichting op de praktijkondersteuner of op de huisarts om deze kennelijk door de moeder 
tegenover de praktijkondersteuner geuite zorgen en beschuldiging door te geven aan klager. Er was 
namelijk geen sprake van een vermoeden van seksueel misbruik van de praktijkondersteuner of van de 
huisarts zelf. Noch de praktijkondersteuner, noch de huisarts hebben aan de door moeder geuite 
zorgen ook actief gevolg gegeven, anders dan dat de door de moeder verzochte verwijzing naar F is 
verstrekt. Ook wat betreft deze verwijzing geldt wat hierboven onder 5.3 is overwogen; er rustte 
geen verplichting op de huisarts om klager hier actief over te informeren. Bovendien is deze 
verwijzing niet door de huisarts, maar door de praktijkondersteuner verstrekt. Ten overvloede merkt 
het college op dat ten tijde van de verwijzing klager nog niet het gezag over de zoon had, zodat 
zijn toestemming voor de verwijzing niet nodig was.

5.6  Gelet op het bovenstaande is klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b) de dossiervoering
5.7   Volgens klager is er sprake van een onjuiste en schadelijke dossiervoering, omdat het dossier 
een ongefundeerde beschuldiging van seksueel misbruik bevat, alsook andere ongefundeerde 
subjectieve meningen en beschuldigingen van de moeder – zoals dat vader geen informatie mag 
krijgen, dat de zoon uitgeput is na bezoek aan klager en dat hij huilt als vader hem ophaalt – en 
onjuiste juridische informatie. Daarnaast ontbreekt de verwijsbrief naar F en is niet vermeld welke 
arts het consult op 1 november 2024 heeft gedaan. Tot slot verwijt klager de huisarts dat zij 
ondanks zijn expliciete verzoeken daartoe geen correcties in het dossier heeft doorgevoerd.

5.8   Over de notities die de praktijkondersteuner heeft gemaakt op 25 en 30 november 2020 met als 
inhoud de opmerkingen van de moeder over mogelijk seksueel misbruik, alsmede over de andere door 
klager genoemde subjectieve meningen en beschuldigingen van de moeder, overweegt het college dat 
het niet ongebruikelijk en ook niet onjuist is om dergelijke opmerkingen en verklaringen op te 
nemen in het dossier. Deze informatie wordt in het dossier opgenomen onder de “S”, wat staat voor 
‘subjectief’. Daarmee is duidelijk dat het daarbij gaat om de mededelingen van een patiënt (of de 
ouder van een minderjarige patiënt) en niet om een objectieve beoordeling van de zorgverlener. De 
vermelding van dergelijke mededelingen kunnen van belang zijn, omdat die een rol kunnen spelen bij 
het bepalen van het (behandel)beleid. Dit is dus niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Ook kan op basis 
hiervan niet worden geconcludeerd dat de huisarts structureel de kant van de moeder lijkt te kiezen 
en daarmee onvoldoende professionele distantie aan de dag heeft gelegd, zoals klager heeft 
aangevoerd. Ondanks de opmerking van de moeder dat klager geen informatie mocht krijgen, heeft de 
huisarts klager behoorlijk geïnformeerd, zoals hiervoor is overwogen. Voor zover bepaalde 
informatie in de zorg- en juridische context blijft doorwerken, kan dit op grond van het voorgaande 
niet aan de huisarts worden verweten. Dat er sprake is van onjuiste juridische informatie in het 
dossier heeft het college niet kunnen vaststellen. Wel had de praktijkondersteuner de hiervoor 
onder 3.8 genoemde e-mailwisseling met klager van 30 november 2020 en 1 december 2020 aan het 
dossier moeten toevoegen. Dat dit niet is gebeurd is slordig, maar kan niet aan de huisarts worden 
verweten.

5.9   De huisarts heeft toegelicht dat de verwijsbrief naar F zich weldegelijk in het dossier 
bevindt. Zij heeft de verwijsbrief ook overgelegd. Volgens de huisarts hebben partijen tijdens hun 
telefoongesprek van 4 juni 2024 besproken dat er in het dossier geen verslag van F zat. De huisarts 
heeft hierop contact opgenomen met F. Deze organisatie heeft de huisarts geïnformeerd dat er, naast 
de verwijsbrief van de praktijkondersteuner, in dezelfde periode een verwijsbrief van de 
jeugdbeschermer was ontvangen en dat de hulp naar aanleiding van deze laatstgenoemde verwijzing is 
opgestart. Dat betekent dat de jeugdbeschermer, als de verwijzer, door F is geïnformeerd en niet de 
huisarts. Het college constateert dat de huisarts klager hierover per e-mail van 13 juni 2024 heeft 
geïnformeerd en daarbij heeft aangegeven dat zij deze rapportage kon opvragen als klager dat 
wenste, maar dat hiervoor beide ouders toestemming moesten geven. Voor zover het college bekend is hier door klager verder niet op gereageerd. Dit verwijt treft dus geen doel.

5.10  Over de onduidelijkheid van de persoon die op 1 november 2024 de zoon van klager heeft 
gezien, heeft de huisarts toegelicht dat waarnemers geen eigen inloggegevens hebben. Bij notities 
van een waarnemer staat daarom in het dossier onder ‘medewerker’ vermeld ‘ARTS waarnemer’. De 
praktijk hanteert echter de regel dat iedere notitie van een waarnemer begint met de initialen van 
de betreffende persoon. Uit het dossier volgt dat op
1 november 2024 ‘H’ de zoon heeft gezien en beoordeeld, dit betreft huisarts I. Het verwijt dat het 
dossier geen melding maakt van de behandelend arts op 1 november 2024 is dan ook ongegrond.

5.11  Tot slot verwijt klager de huisarts dat zij het dossier niet corrigeert ondanks nieuwe 
informatie. Klager noemt daarbij dat F, de jeugdbeschermer en de RvdK geen seksueel misbruik konden 
vaststellen. Ook heeft de huisarts het dossier niet gecorrigeerd op zijn verzoek, aldus klager.

5.12  De huisarts heeft betwist dat klager een verzoek om correctie van het medisch dossier heeft 
gedaan en dit is door klager niet nader toegelicht of onderbouwd. Dat de huisarts ten onrechte geen 
correcties in het dossier heeft doorgevoerd, kan het college dan ook niet vaststellen. De huisarts 
zou overigens de subjectieve verklaringen van de moeder over seksueel misbruik niet hebben kunnen 
corrigeren, juist omdat dit subjectieve verklaringen zijn en geen professioneel oordeel van de 
huisarts (of de praktijkondersteuner) weergeven. Wat betreft de berichtgeving vanuit F verwijst het 
college naar hetgeen overwogen is onder 5.9.

5.13  Over de verslaglegging vanuit de RvdK wijst de huisarts erop dat zij daar geen beschikking 
over heeft. Zij heeft enkel een keer telefonisch contact gehad met de RvdK op initiatief van de 
RvdK. Zij is verder niet betrokken geweest bij het onderzoek van de RvdK en zij is hier dan ook 
verder niet over geïnformeerd. Het college heeft geen aanleiding om aan deze verklaring van de 
huisarts te twijfelen, mede omdat dit een gebruikelijke gang van zaken is.

5.14  Gelet op al het voorgaande is klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel c) de meldcode kindermishandeling
5.15  Klager verwijt de huisarts ook dat zij de meldcode kindermishandeling niet heeft toegepast.

5.16  Het college overweegt dat deze meldcode hier niet van toepassing is. Er is immers geen sprake 
van een melding van de huisarts aan Veilig Thuis. Zoals door de huisarts toegelicht had zij zelf 
geen concrete verdenking van seksueel misbruik en betreft de notitie in het dossier alleen de (subjectieve) verklaring van de moeder.

5.17  Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel d) supervisie op de praktijkondersteuner
5.18  Klager verwijt de huisarts verder dat de praktijkondersteuner zonder supervisie of ingrijpen 
van de huisarts de verwijzing naar F heeft afgegeven en een ernstige beschuldiging zonder 
onderbouwing in het medisch dossier heeft genoteerd.

5.19  Het college kan niet vaststellen dat de praktijkondersteuner onjuist heeft gehandeld met het 
afgeven van de verwijzing. Die was kennelijk bedoeld om te onderzoeken of van eventueel seksueel 
misbruik sprake was. Dat is een redelijk doel. Ook door het noteren van de verklaring van de moeder 
hierover heeft de praktijkondersteuner, zoals hiervoor is overwogen, niet verwijtbaar gehandeld. 
Van een verwijtbaar gebrek aan supervisie of ingrijpen van de huisarts is dan ook geen sprake.

5.20  Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel e) onvoldoende continuïteit van zorg
5.21  In de toelichting bij dit klachtonderdeel schrijft klager ‘geen terugkoppeling of 
reconstructie van trajecten’ en ‘Geen opvolging van verwijzingen en terugkoppeling, geen 
reconstructie, geen dossiercorrectie’. Het college constateert dat deze verwijten hierboven reeds 
zijn besproken. Voor zover klager hiermee op andere trajecten doelt, heeft hij dit niet voldoende 
onderbouwd. Het college ziet geen aanwijzingen dat de continuïteit van de zorg voor de zoon niet is 
gewaarborgd.

5.22  Ook klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.23  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond 
zijn. Een maatregel en/of een veroordeling van de huisarts in de proceskosten is daarmee niet aan 
de orde.

6. De beslissing
Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 11 augustus 2026 door N.B. Verkleij, voorzitter,
G.J. Dogterom en P. Baas, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R. van der Vaart,
secretaris.