Zoekresultaten 1-10 van de 42429 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2024:128 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2023/6251

    Grotendeels gegronde klacht tegen een psychotherapeut/klinisch psycholoog (verweerder). Verweerder voert samen praktijk met zijn echtgenote die ook psychotherapeut en klinisch psycholoog is (klagers klacht tegen laatstgenoemde zie de zaaknummers A2023/5637 en A2023/6252). Klager is van februari 2020 tot en met december 2021 in behandeling geweest bij verweerder voor depressie en gevoelens van minderwaardigheid. De behandeling bestond uit cognitieve gedragstherapie en schematherapie. Vanaf oktober 2021 geeft klager bij verweerder aan dat hij minder draagkracht heeft en een toename van klachten ervaart. Verweerder verklaart deze klachten als behorend bij het proces dat klager doormaakt als gevolg van de therapie. In december 2021 heeft klager de behandeling per brief beëindigd. Verweerder reageert niet op deze brief. Omstreeks september 2022 vraagt klager een afschrift van zijn dossier op. In september 2022 heeft de echtgenote van verweerder een afsluitende conceptbrief aan de huisarts van klager opgesteld en aan klager gestuurd. Klager verwijt verweerder dat hij signalen van klager dat de therapie te intens was, niet serieus heeft genomen, geen oog heeft gehad voor de voor de context en de valkuilen van klager en niet heeft gereflecteerd op de overdracht en tegenoverdracht. Voorts heeft verweerder niet gereageerd heeft op het onderbouwde verzoek van klager om de behandelrelatie te beëindigen, heeft hij het dossier niet afgesloten, een suggestieve brief naar de huisarts gestuurd en zijn geheimhoudingsplicht geschonden. Het college komt tot oordeel dat  het gebrek aan zelfreflectie en aan respect voor de persoonlijke levenssfeer van klager en zijn echtgenote, naast het gebrek aan inzicht in de implicaties van het beroepsgeheim ernstige inbreuken op de professionele verplichtingen van verweerder vormen. Het is het college duidelijk geworden dat er geen sprake is van een incident: verweerder en zijn echtgenote hebben in hun beide praktijken structureel een zorgwekkend gebrek aan inzicht in de reikwijdte van het beroepsgeheim dat zij over en weer ook jegens elkaar hebben, en daarmee voor het belang van de privacy van hun beider cliënten en andere betrokkenen. Gelet op de aard en de ernst van het handelen van verweerder, de bescherming van eventuele toekomstige cliënten en mede gezien de pogingen van verweerder om zijn verantwoordelijkheden af te wentelen op klager als zijn client, vindt het college de maatregel van voorwaardelijke schorsing voor de duur van drie maanden passend. Klacht grotendeels gegrond verklaard. Voorwaardelijke schorsing van drie maanden.

  • ECLI:NL:TGDKG:2024:45 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/723584 / DW RK 22/370 MK/SM

    Klacht gegrond. Maatregel: schorsing twee weken. De gerechtsdeurwaarder maakt gebruik van zijn bijzondere (monopolie)positie om betaling van betwiste nota’s af te dwingen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2024:100 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2326

    Klacht tegen een tandarts. Klager is sinds 2017 patiënt bij de tandarts. Klager verwijt de tandarts onterechte declaraties en niet consistent factureren, het uitvoeren van verrichtingen zonder uitleg over de noodzaak daarvan en het uitvoeren van verrichtingen zonder opgave van de daarmee gemoeide kosten te doen. Ook verwijt hij de tandarts dat zij in strijd handelt met de algemene voorwaarden van Infomedics door vorderingen aan Infomedics te verkopen waarover een dispuut bestaat dan wel anderszins gerede twijfel bestaat of betaling zal volgen. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing.  

  • ECLI:NL:TGDKG:2024:46 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/747786 / DW RK 24/111 MK/SM

    Klacht gegrond. Maatregel: ontzetting uit het ambt; vijf jaar niet als toegevoegd-gerechtsdeurwaarder werkzaam kunnen zijn. Onder meer vanwege een bewaringstekort.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2024:127 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2023/5636

    Grotendeels gegronde klacht tegen een psychotherapeut/klinisch psycholoog (verweerder). Verweerder voert samen praktijk met zijn echtgenote die ook psychotherapeut en klinisch psycholoog is (klagers klacht tegen laatstgenoemde zie de zaaknummers A2023/5637 en A2023/6252). Klager is van februari 2020 tot en met december 2021 in behandeling geweest bij verweerder voor depressie en gevoelens van minderwaardigheid. De behandeling bestond uit cognitieve gedragstherapie en schematherapie. Vanaf oktober 2021 geeft klager bij verweerder aan dat hij minder draagkracht heeft en een toename van klachten ervaart. Verweerder verklaart deze klachten als behorend bij het proces dat klager doormaakt als gevolg van de therapie. In december 2021 heeft klager de behandeling per brief beëindigd. Verweerder reageert niet op deze brief. Omstreeks september 2022 vraagt klager een afschrift van zijn dossier op. In september 2022 heeft de echtgenote van verweerder een afsluitende conceptbrief aan de huisarts van klager opgesteld en aan klager gestuurd. Klager verwijt verweerder dat hij signalen van klager dat de therapie te intens was, niet serieus heeft genomen, geen oog heeft gehad voor de voor de context en de valkuilen van klager en niet heeft gereflecteerd op de overdracht en tegenoverdracht. Voorts heeft verweerder niet gereageerd heeft op het onderbouwde verzoek van klager om de behandelrelatie te beëindigen, heeft hij het dossier niet afgesloten, een suggestieve brief naar de huisarts gestuurd en zijn geheimhoudingsplicht geschonden. Het college komt tot oordeel dat  het gebrek aan zelfreflectie en aan respect voor de persoonlijke levenssfeer van klager en zijn echtgenote, naast het gebrek aan inzicht in de implicaties van het beroepsgeheim ernstige inbreuken op de professionele verplichtingen van verweerder vormen. Het is het college duidelijk geworden dat er geen sprake is van een incident: verweerder en zijn echtgenote hebben in hun beide praktijken structureel een zorgwekkend gebrek aan inzicht in de reikwijdte van het beroepsgeheim dat zij over en weer ook jegens elkaar hebben, en daarmee voor het belang van de privacy van hun beider cliënten en andere betrokkenen. Gelet op de aard en de ernst van het handelen van verweerder, de bescherming van eventuele toekomstige cliënten en mede gezien de pogingen van verweerder om zijn verantwoordelijkheden af te wentelen op klager als zijn client, vindt het college de maatregel van voorwaardelijke schorsing voor de duur van drie maanden passend. Klacht grotendeels gegrond verklaard. Voorwaardelijke schorsing van drie maanden.

  • ECLI:NL:TACAKN:2024:14 Accountantskamer Zwolle 23/2188 Wtra AK

    Kantoorhertoetsing. Betrokkene heeft de bevindingen van de toetsers niet inhoudelijk weersproken. Daaruit blijkt dat het kwaliteitssysteem nog steeds niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Daarnaast is gebleken dat betrokkene heeft meegewerkt aan het doen van onjuiste belastingaangiften voor een cliënt en het verkrijgen van financiering van andere cliënten van betrokkene. Hij heeft daarmee in strijd gehandeld met de fundamentele beginselen van professionaliteit, integriteit, vakbekwaamheid en zorgvuldigheid en objectiviteit. Doorhaling, verbod op herinschrijving gedurende vijf jaren.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2024:73 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 24-116/DB/ZWB

    Raadsbeslissing. Ambtshalve voortzetting ingetrokken klacht. De raad is van oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar in strijd heeft gehandeld met gedragsregel 17 doordat hij niet dan wel onvoldoende duidelijk en transparant is geweest over de kosten die hij bij de cliënte in rekening heeft gebracht. Ook de klacht dat verweerder aan de cliënte geen factuur heeft gestuurd voor zijn werkzaamheden, terwijl hij zijn honorarium wel heeft ingehouden van de budgetbeheerrekening, is gegrond. Naar het oordeel van de raad had verweerder op eerste verzoek van de cliënte tot terugbetaling van de overschreven bedragen moeten overgaan. Verweerder heeft dit niet gedaan en heeft het in plaats daarvan laten aankomen op een civiele procedure. Dit is niet zoals het een behoorlijk advocaat betaamt. Ook klachtonderdeel 3 is gegrond. Berisping.

  • ECLI:NL:TGDKG:2021:143 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/691370 / DW RK 20/516 MK/RH

    Beslagvrije voet vaststelling in 2021. Van de gerechtsdeurwaarder mag worden verwacht dat hij voorafgaand aan het leggen van het beslag na enkele jaren actuele gegevens bij de beslagene opvraagt. Pas als sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van een partner met inkomen én desgevraagd dat inkomen niet is opgegeven, kan de sanctie van halvering van de beslagvrije voet toegepast worden. Gelet op het feit dat het juist vaststellen van de beslagvrije voet van groot belang is voor de beslagene mag van een gerechtsdeurwaarder worden verwacht dat hij uiterst zorgvuldig te werk gaat bij het berekenen van de beslagvrije voet. Nu daarvan niet is gebleken is de sanctie van berisping opgelegd.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2024:93 Raad van Discipline Amsterdam 23-875/A/A 23-876/A/A

    Raadbeslissing; Ongegronde klacht over de advocaten van de wederpartij. Niet is komen vast te staan dat verweerders de dagvaarding bewust summierlijk hebben opgesteld en bewust onjuiste informatie hebben verstrekt.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2024:122 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2023/5870

    Gegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Klager vindt dat de bedrijfsarts hem niet goed heeft begeleid in het kader van een ziekmelding en/of een arbeidsconflict met zijn toenmalige werkgever. Het college is van oordeel dat de bedrijfsarts niet heeft gehandeld conform de voor hem geldende beroepsnormen in het kader van de (verzuim)begeleiding van klager bij een arbeidsconflict: er is geen sprake geweest van een medische beoordeling (daarvan is in ieder geval geen verslaglegging) en een conflictdiagnose ontbreekt eveneens. De door de bedrijfsarts voorgestelde interventie is onder de maat (van de NVAB Richtlijn Conflicten in de werksituatie en de STECR Werkwijzer). De bedrijfsarts heeft voorts verzuimd om een evaluatiemoment af te spreken. De bedrijfsarts heeft na het consult geen contact meer opgenomen met klager, ook niet na twee e-mails die hij aan hem verzonden had. Daarmee hij zijn zorgplicht ten opzichte van klager verzuimd. Klacht in alle onderdelen gegrond verklaard. Berisping. Publicatie in algemeen belang. Kostenveroordeling afgewezen.